Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1694

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-03-2016
Datum publicatie
11-03-2016
Zaaknummer
15/00598
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:2025, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2017:2982
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfbelasting. Partnerbegrip. Strijd met art.1 Eerste protocol EVRM?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/554
V-N 2016/30.1.2
FutD 2016-0630 met annotatie van Fiscaal up to Date
Viditax (FutD), 24-11-2017
NTFR 2016/1174 met annotatie van Mr. E.I. Brouwer
ERF-Updates.nl 2016-0062
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 15/00598

uitspraakdatum: 1 maart 2016

Uitspraak van de meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 maart 2015, nummer AWB 14/4145, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De Inspecteur heeft aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd naar een belaste verkrijging in het jaar 2013 van € 129.462 (hierna: de aanslag).

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een naar een belaste verkrijging van € 119.462.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak op bezwaar in beroep gekomen. De rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep bij uitspraak van 24 maart 2015 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2016 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. [A] en mr. [B] namens de Inspecteur.

1.7

De Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

[In] 2013 is [C] (hierna: erflaatster) overleden. Erflaatster was ten tijde van haar overlijden weduwe. Zij heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt.

2.2

Belanghebbende is enig kind en krachtens wettelijk erfrecht de enig erfgenaam van erflaatster. Belanghebbende is sinds 22 augustus 1991 gehuwd met [D] . Samen hebben zij twee kinderen.

2.3

Erflaatster was laatstelijk woonachtig op het adres [a-straat] 55 te [Z] . Ze woonde op dit adres sinds 1997. Belanghebbende woont op het adres [a-straat] 53 te [Z] . Beide objecten zijn door de heffingsambtenaar van de gemeente Almelo afzonderlijk in de heffing van de onroerendezaakbelastingen betrokken. Het object 53 staat op naam van belanghebbende en het object 55 op naam van erflaatster en maakt deel uit van de nalatenschap.

2.4

De belaste verkrijging van belanghebbende uit de nalatenschap van erflaatster is als volgt bepaald:

Verkrijging € 148.997

Vrijstelling € 19.535

Belaste verkrijging € 129.462

Erfbelasting € 14.066

Tot de belaste verkrijging behoren banktegoeden van € 36.000.

2.5

Bij uitspraak op bezwaar is rekening gehouden met een lagere WOZ-waarde van de onroerende zaak, waarna de belaste verkrijging € 138.997 verminderd met € 19.535 vrijstelling, € 119.462 bedraagt en de verschuldigde erfbelasting is verminderd tot € 12.066. Belanghebbende heeft het bedrag aan erfbelasting voldaan. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of belanghebbende recht kan doen gelden op de partnervrijstelling als bedoeld in artikel 1a in verbinding met artikel 32, lid 1, ten vierde, onder a, van de Successiewet 1956 en, zo dat niet het geval is, of het niet verlenen van de vrijstelling in strijd komt met het recht op vrij genot van eigendom als bedoeld in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: 1 EP EVRM) omdat een ‘fair balance’ tussen het algemeen belang en het individuele belang ontbreekt. Belanghebbende beantwoordt de vragen bevestigend en de Inspecteur in tegenovergestelde zin.

3.2

In hoger beroep heeft belanghebbende – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Belanghebbende maakt terecht aanspraak op de partnervijstelling. Belanghebbende en haar man zijn arbeidsongeschikt en afhankelijk van AOW en WAO. Er is op die manier geen fair balance tussen het algemeen belang en het individuele belang. De belastingdruk van 8,7% vormt wel degelijk een buitensporige last. Het door de wetgever gemaakte onderscheid tussen gehuwde mantelzorgers die samenwonen met de erflatende ouder en ongehuwde mantelzorgers is ongerechtvaardigd.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot nihil, uitgaande van een belaste verkrijging van nihil.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het hoger beroep

Toepassing van het wettelijk partnerbegrip

4.1

Aangezien belanghebbende gehuwd is met een ander dan erflaatster waren zij geen partners in de zin van artikel 5a, lid 1, aanhef en letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Verder kunnen belanghebbende en erflaatster, omdat één van hen (belanghebbende) gehuwd is, ook al zouden zij hebben voldaan aan de in de onderdelen a tot en met e van artikel 1a, lid 1, van de Successiewet genoemde voorwaarden, geen partners in de zin van dit artikellid zijn. Voor de toepassing van deze bepalingen maakt het geen verschil of de belanghebbende, beoordeeld naar de feiten, in het bijzonder de inrichting en het gebruik van diverse gemeenschappelijk ruimten, op één lijn kan worden gesteld met een bij erflaatster inwonend ongehuwd familielid.

Uitgangspunten van de toetsing aan artikel 1 Eerste Protocol EVRM

4.2.1

In artikel 1 EP EVRM ligt besloten dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom een legitiem doel in het algemeen belang dient na te streven. Waar het gaat om de beoordeling of een maatregel in het algemeen belang is, komt op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid toe aan de wetgever. Daarbij dient het oordeel van de wetgever te worden geëerbiedigd, tenzij dat oordeel evident van redelijke grond is ontbloot.

4.2.2

Artikel 1 EP EVRM brengt tevens mee dat elke inbreuk door de Staat op het ongestoorde genot van eigendom van een natuurlijke of rechtspersoon in overeenstemming met het nationale recht dient te zijn. Verder is vereist dat het toepasselijke nationale recht voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaar in de uitoefening is. De vereisten van precisie en voorzienbaarheid brengen mee dat een wet zodanig duidelijk is dat de burger redelijkerwijs in staat is om de daaruit voortvloeiende gevolgen van diens handelen te voorzien, zodat hij zijn gedrag op de wet kan afstemmen.

4.2.3

Artikel 1 EP EVRM brengt onder meer mee dat een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom slechts is toegestaan indien een redelijke mate van evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist het bestaan van een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) tussen het – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten. Van een dergelijke redelijke verhouding is geen sprake indien de belanghebbende door de onderhavige regelgeving wordt getroffen met een individuele en buitensporige last. Bij de keus van de middelen om het algemeen belang te dienen, komt aan de wetgever een ruime beoordelingsmarge toe (Hoge Raad 27 juni 2014, nr. 12/04122, ECLI:NL:HR:2014:1523).

Herziening Successiewet 1956

4.3.1

Uit de parlementaire geschiedenis die heeft geleid tot de herziening van de tariefstructuur in de Successiewet 1956 (Wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten van 17 december 2009 (vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956, Stb. 2009, 564) blijkt dat de wetgever het partnerbegrip heeft voorbehouden aan partners die wederzijds voor elkaar zorgen en dat hij de partnervrijstelling niet van toepassing heeft willen laten zijn op meerrelaties, zoals bij gehuwden die zorgen voor een inwonende ouder, hetgeen zou kunnen meebrengen dat meermalen gedurende het leven de partnervrijstelling van toepassing is. De wetgever heeft voorts willen voorkomen dat een onderscheid zou worden gemaakt tussen mantelzorgers die inwonend zijn bij de ouder die zij verzorgen en mantelzorgers die dat niet doen (Kamerstukken II, 2008/09, 31 930, nr. 3, blz. 6). Beide doelen zijn naar het oordeel van het Hof legitieme doelen voor de toetsing aan artikel 1 EP EVRM.

4.3.2

Dienaangaande is in de Nota naar aanleiding van het Verslag inzake het wetsvoorstel vereenvoudiging bedrijfsopvolgingsregeling en herziening tariefstructuur in de Successiewet 1956, alsmede introductie van een regeling voor afgezonderd particulier vermogen in de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Successiewet 1956 (Kamerstukken 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 28-29) het volgende opgemerkt:

“Het partnerbegrip in de Successiewet 1956 wordt aangepast in die zin dat voortaan uitsluitend personen die wederzijds en tegelijkertijd een zorgverplichting aangaan, als partner kunnen gelden. Daarmee wordt aansluiting gezocht bij het huwelijk en het geregistreerd partnerschap, welke rechtsfiguren zijn geregeld in het Burgerlijk Wetboek. Op grond van deze wettelijke regelingen hebben de echtgenoten/partners een aantal rechten en plichten jegens elkaar, waaronder de verplichting naar ieders vermogen in elkaars levensonderhoud te voorzien, welke verplichting onder omstandigheden ook na ontbinding van het huwelijk/geregistreerd partnerschap geldt. (…) Wat de verkrijging van de ouderlijke woning door inwonende kinderen krachtens erfrecht betreft en de mogelijke verkoop of aangaan van een lening om de verschuldigde belasting te betalen, merk ik het volgende op. Ik zie niet in waarom hier sprake zou zijn van een zo bijzondere situatie die een andere fiscale behandeling van de verkrijging door inwonende kinderen vraagt dan de verkrijging door andere kinderen. Ook kinderen die niet meer in het ouderlijk huis wonen, moeten erfbelasting betalen over de waarde van de door hen verkregen erfenis. Ook zij zullen misschien het geërfde huis te gelde moeten maken of, indien zij de woning willen behouden, een lening moeten afsluiten ter financiering van de erfbelasting. Door geen onderscheid te maken worden de kinderen gelijk behandeld.

Met betrekking tot de vraag hoe de regering het feit dat inwonende kinderen niet meer als partner kunnen gelden, rijmt met de stimulering van mantelzorg, merk ik op dat tussen die twee zaken geen rechtstreeks verband bestaat of moet worden gezocht. De regering onderkent ter dege het belang van mantelzorg en is van mening dat die vorm van zorg gestimuleerd moet worden. Ik ben echter van mening dat de Successiewet 1956 daarvoor niet het geëigende middel is. Daarvoor zijn verschillende redenen. Mantelzorg is in de eerste plaats niet eenvoudig te duiden. Mantelzorg is een overkoepelende term voor allerlei vormen van – onbetaalde – zorg voor naasten. Mantelzorg omvat onder andere huishoudelijke hulp, (lichamelijke) verzorging, emotionele steun enz. Er kan sprake zijn van langdurige zorg, of juist kortdurend, terwijl de intensiteit van de zorg van geval tot geval en van persoon tot persoon varieert. Ook de relatie tussen mantelzorgontvangers en mantelzorggevers is niet altijd dezelfde. Het kunnen familieleden zijn, maar ook buren of vrienden, kortom personen met een verschillende achtergrond en relatie tot de hulpbehoevende en daarom niet te vangen in een categorie. Binnen de Successiewet 1956 een faciliteit te geven voor mantelzorg stuit daarom af op de onmogelijkheid om objectieve en controleerbare normen te formuleren die noodzakelijk zijn voor de toepassing van fiscale regelgeving. In elk geval acht ik het aanknopen bij het enkele feit dat kinderen bij hun ouders wonen, geen goed criterium. Het is zoals gezegd niet zo dat mantelzorg uitsluitend wordt verleend door inwonende kinderen: ook andere mensen zoals buren, kinderen die niet meer thuis wonen of andere familieleden kunnen mantelzorg verlenen en doen dat ook vaak. Bovendien verlenen lang niet alle inwonende kinderen mantelzorg.”

4.3.3

Uit het vorenoverwogene volgt dat de wetgever de inwonende mantelzorger die is gehuwd met een ander dan degene aan wie zij mantelzorg verleent niet in aanmerking heeft gebracht voor de hoge partnervrijstelling teneinde te voorkomen dat een te ruim gebruik van de hoge vrijstelling buiten het geval waarin sprake is van de wederkerige zorgverplichting zou worden gemaakt. Tevens is beoogd te voorkomen dat een ongelijke behandeling ontstaat tussen mantelzorgers die inwonend zijn en zij die uitwonend zijn. Voorts brengen uitvoeringsaspecten, gebrek aan controlemogelijkheden en voorkoming van misbruik mee dat het begrip mantelzorg moeilijk kan worden afgebakend, hetgeen de wetgever ertoe heeft gebracht om voor mantelzorgers geen vrijstelling in de Successiewet op te nemen buiten de reeds bestaande vrijstellingen. De wetgever heeft zich verder rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen en de te verwachten effecten in de samenleving.

4.3.4

Een en ander overziende, is het Hof van oordeel dat de wetgever op het niveau van de regelgeving de onder 4.3.1 tot en met 4.3.3 genoemde uitgangspunten in acht heeft genomen. Met name is hij gebleven binnen de hem toekomende ruime beoordelingsmarge, is zijn oordeel niet evident van redelijke grond ontbloot, is de inbreuk op het ongestoorde genot van eigendom – zo daarvan sprake is – in overeenstemming met het nationale recht, is voldaan aan de vereisten van precisie en voorzienbaarheid en bestaat er – althans op het niveau van de regelgeving – een redelijke en proportionele verhouding (‘fair balance’) tussen het – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten.

Individueel niveau

4.4

Nu op het niveau van de regelgeving niet kan worden gezegd dat sprake is van schending van artikel 1 EP EVRM, dient te worden onderzocht of de regelgeving niettemin heeft geleid tot een individuele en buitensporige last in het geval van belanghebbende. De Inspecteur heeft ter zitting onweersproken gesteld dat een bedrag aan banktegoeden ter hoogte van € 36.000 onderdeel uitmaakte van de nalatenschap uit welk bedrag belanghebbende de haar opgelegde aanslag in de erfbelasting kon voldoen. Belanghebbende heeft daartegenover onvoldoende feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waaruit volgt dat in haar geval sprake is van een individuele en buitensporige last. Daar voegt het Hof nog aan toe dat een heffing van 8,7% van de belaste verkrijging (zie onder 3.2) niet kan worden gezien als een individuele en buitensporige last (vgl. HR 19 juni 2015, nr. 14/04081, ECLI:NL:HR:2015:1673).

4.5

Ook in de stelling van belanghebbende, dat het Hof op basis van de redelijkheid de vrijstelling moet toekennen, ziet het hof geen aanleiding om het hoger beroep gegrond te verklaren. Belanghebbende voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden voor de vrijstelling. Naar volgt uit artikel 11 van de Wet algemene bepalingen moet de rechter volgens de wet rechtspreken en mag hij in geen geval de innerlijke waarde of de billijkheid van de wet beoordelen. Mitsdien is het Hof niet bevoegd de wet op basis van de redelijkheid – wat daar overigens van zij – buiten toepassing te laten.

Slotsom

4.6

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. van Leijenhorst, voorzitter, mr. A.P.M. van Rijn en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. Y. Postema-van der Koogh als griffier.

De beslissing is op 1 maart 2016 in het openbaar uitgesproken.

De voorzitter en de griffier zijn verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

In verband daarmee is de uitspraak ondertekend door mr. B.F.A. van Huijgevoort.

(B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 4 maart 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.