Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2016:1647

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-03-2016
Datum publicatie
04-03-2016
Zaaknummer
21-001972-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank betreffende de bewezenverklaring van oplichting van een groot aantal personen die op Marktplaats.nl hadden geadverteerd onder de rubriek “te koop gevraagd”.

Het hof komt tot de oplegging van een andere straf dan de rechtbank omdat het hof een groot gewicht toekent aan het optimaliseren van de kans dat de gedupeerden zo veel mogelijk schadeloos kunnen worden gesteld door de verdachte. Daarbij past niet de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, omdat die straf de verdiencapaciteit van de verdachte en de verhaalsmogelijkheden van de gedupeerden zou kunnen frustreren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001972-14

Uitspraak d.d.: 4 maart 2016

Tegenspraak

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 1 april 2014 met het parketnummer 18-730097-13 in de strafzaak van

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [woonadres] , [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 5 februari 2016 en 19 februari 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, met een proeftijd van drie jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van tweehonderdveertig uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door honderdtwintig dagen hechtenis.

Voorts heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het hof dezelfde beslissingen met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen zal nemen als de rechtbank heeft gedaan, met dien verstande dat de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] (alsnog) niet-ontvankelijk worden verklaard in het niet toegewezen deel van hun vordering.

De advocaat-generaal heeft de schriftelijke vordering na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. H.W. van Eeuwijk, ter terechtzitting van het hof van 5 februari 2016 is aangevoerd.

Het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht

De verdachte en zijn raadsman hebben zich ter terechtzitting van het hof van 5 februari 2016 beperkt tot het voeren van een strafmaatverweer. Een bewijsverweer is in hoger beroep niet (meer) gevoerd. Dat maakt dat de bewijsoverweging in het vonnis van de rechtbank geen onderdeel vormt van dit bevestigende arrest van het hof.

De eerste rechter heeft voor het overige op juiste gronden geoordeeld en op juiste wijze beslist. Daarom dient het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht te worden bevestigd met overneming van die gronden, behalve voor zover het betreft de aan de verdachte opgelegde straf en de motivering daarvan, de toepasselijke wettelijke voorschriften en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] .

Gelet op het vorenstaande zal het vonnis waartegen het hoger beroep is gericht op die onderdelen worden vernietigd en zal in zoverre opnieuw worden rechtgedaan.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de straf heeft het hof rekening gehouden met de aard en de ernst

van het bewezen verklaarde delict, de omstandigheden waaronder dit delict is begaan, de persoon van de verdachte, zoals daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, het hof heeft in het bijzonder acht geslagen op het volgende.

Het hof neemt over de volgende onderdelen van de strafmotivering van de rechtbank.

Verdachte heeft 143 personen opgelicht. In de meeste gevallen nam verdachte uit eigen

beweging contact op met personen die via Marktplaats.nl een bepaald goed zochten.

Nadat verdachte contact met deze personen had opgenomen, creëerde hij een sfeer van

vertrouwen bij de slachtoffers, door onder andere te vertellen dat het goed toebehoorde aan zijn overleden vader of moeder. Daarna liet hij hen in goed vertrouwen het geld overmaken, maar de door de aangevers gekochte goederen werden nimmer geleverd. Zoals verdachte zelf heeft verklaard was hij hier op een gegeven moment dagelijks mee bezig. Gelet op de soms zeer omvangrijke e-mailwisselingen met aangevers, mag ook wel worden aangenomen dat verdachte hier op verschillende dagen een dagtaak aan had.

Verdachte heeft met deze gedragingen welbewust anderen benadeeld, kennelijk met geen ander doel dan zijn eigen financieel gewin. Verdachte heeft daarmee het vertrouwen van aangevers beschaamd en - meer in het algemeen - het vertrouwen aangetast dat personen in elkaar moeten en kunnen hebben bij het deelnemen aan het handelsverkeer via internet.

Verdachte heeft met zijn handelwijze in ongeveer een jaar ruim € 24.000,-- verdiend.

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor oplichting. Uit het recÏasseringsrapport komt naar voren dat verdachte vanaf zijn vroege jeugd gedragsproblemen heeft gehad, zonder dat duidelijkheid bestaat over de oorzaken daarvan en vanaf zijn 20e verslaafd is aan cocaïne.

Het hof overweegt aansluitend hierop het volgende.

De rechtbank heeft opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest, en met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij GGZ Reclassering in Den Haag en een ambulante behandelverplichting bij een forensische polikliniek van Palier of een polikliniek van de GGZ.

Het hof sluit zich grotendeels aan bij de strafmotivering van de rechtbank, maar komt in de staart daarvan tot de oplegging van een wezenlijk andere strafmodaliteit dan de rechtbank.

Het hof komt hiertoe omdat het hof - evenals de advocaat-generaal - een zwaarwegend belang toekent aan het optimaliseren van de kans dat de gedupeerden hun geld zo veel mogelijk terug zullen krijgen van de verdachte. Daarmee wordt immers evenzeer recht gedaan aan het aantal en de ernst van de door de verdachte gepleegde oplichtingszaken, zij het niet zo zeer op het punt van vergelding maar meer op het punt van de mogelijke financiële genoegdoening van de gedupeerden. Alhoewel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf hier in beginsel zonder meer passend zou zijn, is dat in dit geval een minder geschikte vorm van bestraffing. Een dergelijke straf kan immers behoorlijk in de weg staan aan de verdiencapaciteit van de verdachte en aan de verhaalsmogelijkheden voor de gedupeerden. De gedupeerden hebben er uiteindelijk niets aan wanneer de verdachte na het uitzitten van zijn gevangenisstraf op zwart zaad zit en zij naar hun centen kunnen fluiten.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof van 5 februari 2016 stellig toegezegd dat hij er alles aan zal doen om alle gedupeerden schadeloos te stellen. Hij heeft erkend dat dit nog een hele opgave voor hem gaat worden in de komende jaren, maar heeft tevens aangegeven dat hij hier niet voor weg wil draaien en dat hij daartoe voldoende verdiencapaciteit kan genereren wanneer zijn thans in de opstartfase verkerende bedrijf goed van de grond komt.

Het hof heeft er tevens acht op geslagen dat de verdachte heeft verklaard dat hij is afgekickt van zijn jarenlange stevige verslaving aan cocaïne, dat de Reclassering hem ondergebracht heeft bij Palier en dat hij een nieuw (gezins)leven heeft opgebouwd.

Deze wending ten goede in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte lijkt te worden geïllustreerd door het uitblijven van nieuwe contacten met de politie en justitie.

Dit alles maakt dat de oplegging van de bijzondere voorwaarden die de rechtbank heeft verbonden aan het voorwaardelijk strafdeel thans niet meer aangewezen is.

Op grond van het bovenstaande en uit een oogpunt van normhandhaving, vergelding en speciale preventie zal het hof de straf opleggen die de advocaat-generaal heeft geëist.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Uit het onderzoek ter terechtzitting van het hof is het volgende gebleken.

De benadeelde partij [benadeelde partij 5] heeft zich in de strafzaak in eerste aanleg gevoegd.

De vordering van deze benadeelde is in eerste aanleg afgewezen en deze benadeelde partij heeft zich niet opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding niet voort in de strafzaak in hoger beroep en kan het hof niet op die vordering beslissen.

De benadeelde partij [benadeelde partij 6] heeft zich in de strafzaak in eerste aanleg gevoegd.

De vordering van deze benadeelde partij is in eerste aanleg deels toegewezen en voor het overige is deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

Deze benadeelde partij heeft zich niet opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in de strafzaak in hoger beroep voort tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen.

De benadeelde partij [benadeelde partij 7] heeft zich in de strafzaak in eerste aanleg gevoegd.

De vordering van deze benadeelde partij is in eerste aanleg deels toegewezen en voor het overige is deze benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

[benadeelde partij 7] heeft zich ter terechtzitting van het hof van 5 februari 2016 opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep binnen de grenzen van de eerste vordering, zij het tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van de in eerste aanleg gedane vordering tot schadevergoeding in de strafzaak in hoger beroep voort tot het bedrag dat in eerste aanleg is toegewezen.

De benadeelde partijen [benadeelde partij 8] , [benadeelde partij 9] , [benadeelde partij 10] , [benadeelde partij 11] , [benadeelde partij 12] , [benadeelde partij 13] , [benadeelde partij 14] , [benadeelde partij 15] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 16] hebben zich in de strafzaak in eerste aanleg gevoegd. De vorderingen van deze benadeelde partijen zijn in eerste aanleg deels toegewezen en voor het overige zijn deze benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen, met dien verstande dat de rechtbank heeft verzuimd de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk te verklaren in het niet toegewezen deel van de vordering.

Deze benadeelde partijen hebben zich opnieuw gevoegd in de strafzaak in hoger beroep.

Derhalve duurt de voeging ter zake van die gehele vorderingen tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

De overige benadeelde partijen hebben zich in de strafzaak in eerste aanleg gevoegd en hun vorderingen zijn geheel toegewezen. Derhalve duurt de voeging ter zake van die gehele vorderingen tot schadevergoeding voort in de strafzaak in hoger beroep.

De vorderingen van de benadeelde partijen zijn in hoger beroep niet betwist door de verdachte en zijn raadsman.

Bovenstaande brengt met zich mee dat de beslissingen van de rechtbank met betrekking tot de vorderingen van de hierboven genoemde benadeelde partijen door het hof bevestigd kunnen en zullen worden, met uitzondering van de beslissingen op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] .

Van een onvolkomen beslissing van de rechtbank op de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3], in die zin dat deze benadeelde partijen (alsnog, zoals gevorderd door de advocaat-generaal) niet-ontvankelijk worden verklaard in het niet toegewezen deel van hun vordering, is het hof niet gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 63 en 326 van het Wetboek van Strafrecht. Deze wettelijke voorschriften zijn toegepast zoals deze golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde straf, de motivering van de straf, de toepasselijke wettelijke voorschriften, alsmede de beslissing op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 221,00 (tweehonderdéénentwintig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 17] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 221,00 (tweehonderdéénentwintig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Aldus gewezen door

mr. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. T.M.L. Wolters, raadsheren,

in tegenwoordigheid van H. Kingma, griffier,

en op 4 maart 2016 ter openbare terechtzitting uitgesproken.