Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4690

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
11-06-2014
Zaaknummer
200.129.238-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3401, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Anders dan de kantonrechter oordeelt het hof dat een beding dat het benaderen van (potentiële) relaties verbiedt gedurende één jaar na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. niet vatbaar is voor overtreding gedurende dit dienstverband.

Voor zover werknemer nog tijdens zijn dienstverband relaties van werkgever heeft benaderd, zijn derhalve geen boetes verbeurd.

De inhoud van het LinkedIn bericht, waarmee werknemer naar buiten is getreden, brengt naar het oordeel van het hof niet zonder meer mee dat daarmee in strijd is gehandeld met het relatiebeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2014/399
Prg. 2014/185
JAR 2015/314
JAR 2014/175
AR-Updates.nl 2014-0539
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.129.238/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 525511 / CV EXPL 11-14517)

arrest van de eerste kamer van 10 juni 2014

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in principaal appel, geïntimeerde in incidenteel appel,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. L.A.A. Ongenae, kantoorhoudend te Paterswolde,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde in principaal appel, appellante in incidenteel appel,

in eerste aanleg: eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. E.D. de Jong, kantoorhoudend te Steenwijk.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de tussen partijen gewezen vonnissen van 4 januari 2012 en 3 oktober 2012 van de (toenmalige) rechtbank Groningen en het vonnis van 24 april 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna te noemen: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 juni 2013,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord, tevens houdende incidenteel appel (met producties),

- de memorie van antwoord in incidenteel appel,

- akte uitlating van [geïntimeerde] en

- de antwoordakte van [appellant].

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"te vernietigen de vonnissen van 3 oktober 2012 en 24 april 2013 gewezen door de voormalige Rechtbank Groningen, sector Kanton, locatie Groningen en de Rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, locatie Groningen, met bepaling dat de door geïntimeerde ingediende vorderingen allen worden afgewezen, althans de gevorderde boetes sterk worden gematigd, zulks met bekrachtiging van de in reconventie toegewezen vorderingen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

2.4

De vordering van [geïntimeerde] luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, indien nodig onder aanvulling/verbetering van de (rechts)gronden:

In principaal appel:

[appellant] in het door hem ingestelde appel niet ontvankelijk te verklaren dan wel de door hem ingestelde vorderingen af te wijzen met veroordeling van hem in de kosten van de procedure, zowel in (principaal) appel als in eerste aanleg.

In incidenteel appel:

partieel te vernietigen het vonnis van de kantonrechter d.d. 3 oktober 2012 en het vonnis d.d. 24 april 2013, en wel enkel voor wat betreft de overwegingen en beslissingen waarop de grieven van [geïntimeerde] betrekking hebben en aldus

In conventie:

I. [appellant] te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag ad € 100.000,00 ter zake de door gedaagde begane overtredingen van het relatiebeding, althans tot betaling van een zodanig door u in goede justitie te bepalen bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. [appellant] te veroordelen tot betaling aan eiseres van het bedrag ad € 1.500,- inclusief BTW ter zake de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, althans tot betaling van een zodanig bedrag door u in goede justitie te bepalen bedrag;

III. [appellant] te verbieden om binnen twee dagen na betekening van het in dezen te wijzen arrest de relaties van [geïntimeerde] te (doen) benaderen of te (doen) bedienen op een wijze gelijk of gelijksoortig aan de wijze van bedienen van [geïntimeerde], zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- per overtreding dan wel een door Uw Hof in geode justitie te bepalen dwangsom;

IV. [appellant] te veroordelen in de kosten van de procedure in (incidenteel) appel en in eerste aanleg.

In reconventie:

De vorderingen zijdens [appellant], zoals in eerste aanleg, alsnog af te wijzen, zulks met veroordeling van hem in de kosten van de procedure in (incidenteel) appel en in eerste aanleg.

De beoordeling

3. De tussen partijen vaststaande feiten

Tegen de tussen partijen vaststaande feiten, zoals door de rechtbank in voormeld vonnis van 3 oktober 2012 onder 2 (2.1.1 tot en met 2.1.9) vastgesteld, zijn geen grieven gericht, noch is daartegen anderszins bezwaar gemaakt. Aldus gaat ook het hof van deze feiten uit. Het gaat daarbij om het volgende.

3.1

[appellant] is op 1 februari 2007 bij [geïntimeerde] in dienst getreden in de functie van senior manager schade, aanvankelijk voor de duur van één jaar. Met ingang van 1 februari 2008 is de arbeidsovereenkomst voortgezet voor onbepaalde tijd.

3.2.

Artikel 17 (relatiebeding) van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“De werknemer zal gedurende een periode van 1 jaar na het eindigen van de arbeidsovereenkomst zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de werkgever geen cliënten van werkgever of de met werkgevers gelieerde onderneming(en), benaderen of bedienen dan wel doen bedienen, op een wijze gelijk of gelijksoortig aan de wijze van bedienen van de werkgever of de met werkgever gelieerde onderneming(en).

Onder cliënten worden tevens verstaan potentiële cliënten, waarmee de werkgever of de met werkgever gelieerde onderneming(en) in de laatste 6 maanden van de arbeidsovereenkomst zakelijk contact heeft gehad.

Bij overtreding van het in 18.1 genoemde beding verbeurt de werknemer een onmiddellijk opeisbare boete van € 25.000,- per overtreding, tot een maximum van € 250.000,-.”

3.3

Bijlage I “functieomschrijving” behorende bij de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

“Het acquireren, beheren en adviseren inzake verzekeringen betreffende de zakelijke markt.”

3.4

Bijlage II Variabele beloningsregeling behorende bij de arbeidsovereenkomst luidt, voor zover van belang, als volgt:

“Van de door werknemer gerealiseerde provisie tot euro 24.000,- wordt 50% (dus maximaal euro 12.000,-) aan u uitgekeerd

Daarnaast kennen wij nog een extra bonus toe voor de productie die uitstijgt boven euro 24.000,-. Deze extra bonus bedraagt 25% van alle behaalde provisie vanaf euro 24.000,- gedurende het eerste jaar van de overeenkomst wordt inzake de bonus provisie euro 950,- per maand achteraf als voorschot uitgekeerd. De uiteindelijke berekening van de bonus alsmede de extra bonus geschiedt aan het einde van het jaar.

De jaarperiode loopt van 01 januari tot en met 31 december."

3.5

Bij brief van 10 maart 2008 heeft [geïntimeerde], inzake "afhandeling bonus 2007", voor zover van belang, het navolgende aan [appellant] geschreven:

“Over de periode 01 februari 2007/31 december 2007 werd door jou aan nieuwe productie inclusief productie bestaande klanten € 2.324,- gerealiseerd.

In het kader van de variabele beloning hadden we de navolgende regeling afgesproken;

Van de gerealiseerde provisie tot € 24.000,- wordt 50% uitgekeerd, van de productie die uitstijgt boven de € 24.000 wordt 25% als bonus uitgekeerd. Als voorschot op de bonus wordt € 950 per maand uitgekeerd.

(…)

De bonusregeling zoals deze voor 2007 was afgesproken blijft voor 2008 ongewijzigd van kracht.”

3.6

Bij brief van 27 maart 2009 heeft [geïntimeerde], inzake "afhandeling bonus 2008", voor zover van belang, het navolgende aan [appellant] geschreven:

“Over de periode 01 januari 2008/31 december 2008 werd door jou nieuwe productie inclusief productie bestaande klanten € 69.230 gerealiseerd.

In het kader van de variabele beloningsregeling hadden we de navolgende regeling afgesproken;

van de gerealiseerde provisie tot € 24.000,- wordt 50% uitgekeerd van de productie die uitstijgt boven de € 24.000 wordt 25% als bonus uitgekeerd. Als voorschot op de bonus wordt € 950 per maand uitgekeerd.

Op basis van genoemde uitgangspunten levert dit de navolgende berekening;

50% van € 24.000,-- is € 12.000,-- alsmede 25% van € 44.230,-- (€ 69.230 -/- € 25.000) is

€ 11.057,50. Totale bonus derhalve € 23.057,50.

Totaal aan voorschotten bedroeg 12 × 950 is € 11.400,-- restant bonus € 23 057,50 -/- = € 11.657,50 nog te vergoeden. Hierop moet nog in mindering worden gebracht de retourbonus over 2007 ad € 7.430,-) conform het schrijven van 10 maart 2008), derhalve resteert aan uit te betalen bonus € 4.227,50. (…)

De bonusregeling zoals deze voor 2008 was afgesproken blijft voor 2009 ongewijzigd van kracht.”

3.7

Bij brief van 27 april 2011 heeft [appellant] de arbeidsovereenkomst tegen 1 mei 2011 opgezegd.

3.8

Bij brief van 2 mei 2011 met als onderwerp: “beëindiging dienstverband” heeft [geïntimeerde] aan [appellant] voor zover van belang, het volgende geschreven:

“Hierdoor bevestigen wij de ontvangst van uw schrijven d.d. 27 april jl. waarin u uw dienstverband per 01 mei a.s. opzegt.

(…)

Met inachtneming van 1 maand opzegtermijn zal de daadwerkelijke datum van uitdiensttreding per 01 juni a.s. plaats vinden.

(…)

Gezien uw functie en het commerciële belang voor onze organisatie zien wij ons genoodzaakt u tot de datum van uitdiensttreding per direct op non-actief te stellen. Derhalve hebben wij u ook de toegang tot onze systemen moeten ontzeggen.”

3.9

Op 26 mei 2011 heeft [appellant] via LinkedIn aan zogenaamde "connections" een bericht gezonden, met als onderwerp "nieuwe job", waarvan de inhoud, voor zover van belang, als volgt luidt:

“Ik ben verheugd jullie te kunnen melden dat ik per 1-6-2011 in dienst treedt bij [bedrijf Z]. Eindelijk een werkgever die weet hoe het werkt in assurantieland. Alleen maar bedrijfsmatig klanten, goede binnendienst en vooral weer plezier in je werk en minstens zo belangrijk, een financieel solide bedrijf. Ik hou jullie op de hoogte van mijn nieuwe mobiele nummer en e-mailadres. Tijdelijk te bereiken op (…)”

3.10

Op 1 juni 2012 heeft [appellant] aan [advocaat], de toenmalige advocaat van [geïntimeerde], per e-mail het volgende geschreven:

“Inzake uw brief van 30 mei 2011 stuur ik u zowel per e-mail als per post mijn reactie in bijgevoegde bijlage.

Tevens heb ik naar al mijn linkedin relaties de volgende rectificatie gestuurd:

Mijn bericht van 26 mei jl. heeft slechts de intentie gehad u allen te informeren dat ik een nieuwe werkkring heb gevonden en mijn enthousiasme met u te willen delen.

Daarbij is op generlei wijze de bedoeling geweest mijn voormalig werkgever te benadelen of mij onheus over voormalig werkgever uit te laten.

Niettemin wil ik alle schijn vermijden dat ik negatief tegenover mijn voormalig werkgever sta en wil, overigens geheel onverplicht, hierbij mijn bericht rectificeren en voor zover deze negatief ten opzichte van mijn voormalig werkgever kan worden opgevat zal het gewraakte bericht per heden verwijderen.

Ik hoop u voldoende te hebben geïnformeerd.

Met vriendelijke groet,

[appellant]”

3.11

Op 21 oktober 2011 heeft [X] namens [bedrijf Y] het volgende bericht aan [appellant] verzonden:

“Hoi [appellant],

Ik krijg van de fiscus een brief inzake het eigen risicodragerschap.

Mijn vraag aan jou is: Hoe is de stand van zaken.

Gr. [X]”

3.12

Op 28 maart 2012 heeft voornoemde [X] namens [bedrijf Y] aan [appellant] per e-mail het volgende bericht verzonden:

“Geachte heer [appellant],

Hierbij deel ik u mede dat ons laatste kontakt dateert van 25-11-2006. Wij hebben toen geen gebruik gemaakt van een door u gemaakt voorstel inzake het door u aangeboden verzekeringspakket. 95% van ons verzekeringspakket wordt verzekerd door ons hoofdkantoor in Duitsland en/of geregeld via een kantoor dat door ons hoofdkantoor is aangewezen.

Ik kan u verzekeren dat wij de afgelopen jaren (2009 tot 1/6/2011) geen zaken met u hebben gedaan of offertes van u hebben gekregen. Mede door bovenstaande reden zagen wij hier geen aanleiding toe, mede omdat u [geïntimeerde] niet tot ons regelmatige contactpersonen behoorde.

Ik hoop dat ik u hiermee van dienst ben geweest.

Met vriendelijke groet,

[X]”

4. Het geschil en de beslissing van de rechtbank

4.1

[geïntimeerde] heeft (oorspronkelijk in conventie) gevorderd:

I. [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag ad € 100.000,00 ter zake van de door [appellant] begane overtredingen van het relatiebeding, althans tot betaling van een zodanig door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag;

II. [appellant] te veroordelen tot betaling aan [geïntimeerde] van het bedrag ad € 1.500,00 inclusief BTW ter zake van de kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand, althans tot betaling van een zodanig bedrag door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag en

III. [appellant] te verbieden om zich in negatieve zin over [geïntimeerde] uit te laten en [appellant] te verbieden om zich op andere wijze onrechtmatig jegens [geïntimeerde] te gedragen. zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding van dit verbod.

4.2

Daartoe heeft [geïntimeerde] aangevoerd:

- [appellant] heeft op 26 mei 2011 het relatiebeding overtreden door middel van verzending van een e-mailbericht via LinkedIn. [appellant] heeft drie klanten van [geïntimeerde] aldus benaderd. [appellant] heeft zich daarbij onheus over [geïntimeerde] uitgelaten. Door [appellant] zijn e-mailberichten verzonden aan [A], [B] en [C]. Ook heeft [appellant] Hoepman-Haribo Suikerwerken B.V. benaderd, een potentiële relatie die in commerciële vergaderingen is besproken. De handelingen van [appellant] zijn niet alleen in strijd met artikel 17 van de arbeidsovereenkomst, maar ook in strijd met hetgeen is bepaald in artikel 7: 611 BW;

- LinkedIn is een medium voor het onderhouden en verwerven van relaties. Het verzenden van een e-mailbericht via LinkedIn, vergt actief handelen, namelijk het vervaardigen van een e-mailadres aan de relaties. Relaties worden op de site van LinkedIn "connections" genoemd en

- omdat er sprake is van vier overtredingen is [appellant] een boete verschuldigd van € 100.000,00. De verwijzing naar artikel 18 in artikel 17 lid 2 berust op een kennelijke schrijffout. Bedoeld is te verwijzen naar artikel 17 lid 1, aldus [geïntimeerde].

4.3

Na verweer van [appellant], heeft hij (oorspronkelijk in reconventie) gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld om aan hem te voldoen de hoofdsom van € 10.129,66 bruto, bestaande uit de [appellant] toekomende bonus over 2010 alsmede de onterecht verrekende bonus, te vermeerderen met wettelijke verhoging conform artikel 7: 625 BW, alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. Voorts heeft [appellant] gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 800,- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten. Daartegen heeft [geïntimeerde] verweer gevoerd.

4.4

De rechtbank heeft (oorspronkelijk in conventie) [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan [geïntimeerde] van een bedrag van € 75.000,- onder compensatie van de proceskosten en heeft het meer of anders gevorderde afgewezen. De rechtbank heeft (oorspronkelijk in reconventie) [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 7.444,58, vermeerderd met de wettelijke rente en onder compensatie van de proceskosten.

5. De motivering van de beslissing

5.1

Grief I in principaal appel is gericht tegen het oordeel van de kantonrechter onder 2.4.2 van voormeld vonnis van 3 oktober 2012, inhoudend dat het versturen van een e-mailbericht via LinkedIn kan worden gezien als het “benaderen” in de zin van artikel 17 van voormelde arbeidsovereenkomst, terwijl met grief II in principaal appel wordt opgekomen tegen het oordeel in deze rechtsoverweging dat de inhoud van dit e-mailbericht geen overwegend privékarakter heeft maar de kenmerken heeft van het op een relatiebeding en relatiebehoud gericht zakelijk contact. Grief III in principaal appel is gekeerd tegen het oordeel van de kantonrechter onder 2.4.3 van dit vonnis, inhoudend dat zij de lezing van het relatiebeding van [appellant] dat pas van een overtreding van dit beding sprake kan zijn als sprake is van concurrerende activiteiten of onrechtmatig handelen niet juist acht en tegen haar oordeel dat het uitspannen ook zonder contractueel verbod niet is toegestaan. Met grief IV in principaal appel wordt bezwaar gemaakt tegen de overweging onder 2.4.4 van dit vonnis, inhoudend dat waar op overtreding van de desbetreffende clausule een forse boete is gesteld het wellicht aangewezen is om onduidelijkheden in de tekst voor risico te laten van degene die de clausule heeft opgesteld. De strekking van deze grief is, naar het hof begrijpt, in de eerste plaats dat de kantonrechter zich ten onrechte weifelend heeft opgesteld. In de tweede plaats heeft deze grief tot strekking dat pas gedurende de periode van één jaar na afloop van de arbeidsovereenkomst sprake kan zijn van overtreding van het relatiebeding (zie nrs 26 en 27 van de memorie van grieven). Grief V in principaal appel is gericht tegen de overweging onder rechtsoverweging 2.4 van het eindvonnis, inhoudend dat de kantonrechter met [geïntimeerde] aanneemt blijkens het via LinkedIn verzonden bericht, waarin vermeld stond: “[appellant] has sent you a message” dat ervan moet worden uitgegaan dat er niet alleen sprake is van het plaatsen van een bericht op de site van LinkedIn maar tevens van het verzenden ervan aan relaties van [geïntimeerde] door [appellant]. Met grief VI in principaal appel wordt opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter onder 2.5 van het eindvonnis dat sprake is van meerdere schendingen van het relatiebeding, zodat per overtreding een boete is verbeurd en dat het verzenden van één bericht naar meerdere geadresseerden evenzovele overtredingen oplevert. Grief VII is gericht tegen het oordeel in het eindvonnis onder rechtsoverweging 2.7 dat het beroep van [appellant] op matiging van de boete als onvoldoende onderbouwd moet worden verworpen.

5.2

Grief I in incidenteel appel is gericht tegen het oordeel onder 3.3.1 van voormeld vonnis van 3 oktober 2012, inhoudend dat bij de berekening van de bonussen in beginsel moet worden uitgegaan van de totale productie en niet van de nieuwe productie. Met grief II in incidenteel appel wordt bezwaar gemaakt tegen de (motivering van) overweging onder 2.5 van voormeld vonnis van 24 april 2013 dat [bedrijf Y] geen relatie van [geïntimeerde] is in de zin van voormeld relatiebeding. Grief III in incidenteel appel is gekeerd tegen de (motivering van de) afwijzing van de gevorderde buitengerechtelijke kosten en de vordering onder III in conventie onder 2.8 van het eindvonnis. Met grief IV in incidenteel appel wordt opgekomen tegen overweging 2.9 van het eindvonnis, terwijl met grief V in incidenteel appel bezwaar wordt gemaakt tegen de eerste alinea van rechtsoverweging 2.14 van het eindvonnis. Grief VI in incidenteel appel is gericht tegen de compensatie van de proceskosten (in conventie en in reconventie) onder 2.15 van het eindvonnis, terwijl met grief VII in incidenteel appel bezwaar wordt gemaakt tegen de dicta (in conventie en in reconventie) van het eindvonnis.

5.3

Het relatiebeding (artikel 17 arbeidsovereenkomst, zoals hiervoor onder 3.2 vermeld) ziet op activiteiten van de werknemer gedurende één jaar na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Artikel 17 maakt een duidelijk onderscheid tussen de situatie vóór en na de arbeidsovereenkomst (vgl. de regeling voor de potentiële cliënten). De bepaling verbiedt het benaderen van (potentiële) relaties na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. Dat ligt, gelet op het karakter van het beding, ook wel voor de hand, omdat een verbod relaties te benaderen de werknemer zou belemmeren in zijn functie-uitoefening. Gelet op de tussen partijen vaststaande feiten betreft dit derhalve de periode tussen 1 juni 2011 en 1 juni 2012. Het desbetreffende LinkedIn bericht (zoals hiervoor onder 3.9 vermeld) is op 26 mei 2011 geplaatst en aldus niet tijdens de referentieperiode, zodat daardoor hoe dan ook op basis van voormeld relatiebeding geen boete is verbeurd. De vordering van [geïntimeerde] is beperkt tot betaling van de volgens [geïntimeerde] verbeurde boetes, buitengerechtelijke kosten, een verbod tot - kort gezegd - vanwege deze gestelde overtreding van het relatiebeding het benaderen van relaties van [geïntimeerde] en de proceskosten. Voor onrechtmatig handelen jegens [geïntimeerde] als gevolg van plaatsing van voormeld LinkedIn bericht heeft [geïntimeerde] onvoldoende gesteld, zodat het hof daaraan voorbijgaat. Daarnaast brengt de inhoud van voormeld LinkedIn bericht naar het oordeel van het hof niet zonder meer mee dat [appellant] daarmee in strijd heeft gehandeld met het relatiebeding. In zoverre slagen de grieven I tot en met VI in principaal appel, terwijl grief VII geen behandeling behoeft. Dit betekent dat het vonnis, voor zover (oorspronkelijk) in conventie gewezen, zal worden vernietigd. Opnieuw recht doende zal de vordering van [geïntimeerde] onder I en III worden afgewezen, reden waarom ook de vordering onder II, de gevorderde buitengerechtelijke kosten, niet voor toewijzing in aanmerking komt. Daarmee is grief III in incidenteel appel ongegrond.

5.4

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat gegeven de bewoordingen in bijlage II Variabele beloningsregeling bij de arbeidsovereenkomst (productie 1 bij conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie) en de toepassing daarvan in de bonusbrieven van 2007 en 2008 moet worden uitgegaan van de totale productie. Het hof verwijst derhalve naar rechtsoverweging 3.3.1 van het vonnis van de kantonrechter en maakt deze tot de zijne. Dit betekent dat grief I in incidenteel appel ongegrond is, alsmede grief IV in incidenteel appel.

5.5

Met de verklaring van [bedrijf Y] (zie hiervoor het onder 3.12 weergegeven e-mailbericht van 28 maart 2012) heeft [appellant] (voldoende) gemotiveerd weersproken dat in de periode van zes maanden voorafgaand aan het einde van zijn dienstverband met [geïntimeerde] zakelijk contact heeft plaatsgevonden tussen [geïntimeerde] en [bedrijf Y] In artikel 17 van het arbeidscontract is uitdrukkelijk bepaald dat potentiële cliënten slechts onder het bereik van het relatiebeding vallen, indien [geïntimeerde] in de laatste zes maanden van het arbeidscontract zakelijk contact met hen heeft gehad. Dat [bedrijf Y] voorkomt op de lijst van potentiële klanten van [geïntimeerde] (productie 14 bij conclusie van repliek, tevens houdende akte vermeerdering van eis) acht het hof onvoldoende voor de juistheid van de stelling van [geïntimeerde] dat zij in de periode van zes maanden voorafgaand aan het einde van het dienstverband van [appellant] met [geïntimeerde] zakelijk contact heeft gehad met [bedrijf Y] Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rust de bewijslast van deze stelling op [geïntimeerde]. [geïntimeerde] heeft hiervan geen concreet en gespecificeerd bewijs aangeboden, terwijl het hof geen reden ziet haar daarmee ambtshalve te belasten. Aldus staat tussen partijen niet vast dat [appellant] met zijn contact met [bedrijf Y] na 1 juni 2011 het relatiebeding heeft overtreden. Daarmee faalt grief II in incidenteel appel.

5.6

Het hof is van oordeel dat de kantonrechter in de eerste alinea van rechtsoverweging 2.14 van het eindvonnis terecht is uitgegaan van het door [geïntimeerde] gemaakte overzicht van de productie, zodat [appellant] nog recht heeft op een bonus ten bedrage van € 7.444,58 en dat het toegewezen bedrag moet worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het indienen van de eis in reconventie. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat er in het onderhavige geval geen reden is om de wettelijke verhoging te matigen. Het hof verwijst naar de motivering hiervoor van de kantonrechter en maakt deze tot de zijne. Het hof leest in grief V en in de daarop gegeven toelichting in essentie geen andere relevante stellingen of verweren dan die reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de kantonrechter gemotiveerd zijn verworpen. Aldus faalt ook grief V in incidenteel appel.

5.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zal de vordering van [geïntimeerde] (oorspronkelijk in conventie) worden afgewezen, zodat [geïntimeerde], als de in het ongelijk te stellen partij, in de proceskosten zal worden veroordeeld (in eerste aanleg: tarief V, 4,5 punten; in hoger beroep: tarief IV, 1 punt). Aangezien de grieven in incidenteel appel ongegrond zijn, zal het vonnis, voor zover oorspronkelijk in reconventie gewezen, worden bekrachtigd en zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk te stellen partij, (oorspronkelijk in reconventie) in de proceskosten worden veroordeeld (50% tarief I, 1,5 punt). In zoverre faalt grief VI in incidenteel appel.

5.8

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is ook grief VII in incidenteel appel ongegrond.

Beslissing

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep:

in principaal appel

vernietigt de vonnissen van 3 oktober 2012 en 24 april 2013, voor zover oorspronkelijk in conventie gewezen, door de voormalige rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, respectievelijk de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen

en opnieuw recht doende:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten, aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg begroot op € 6.394,50 voor salaris van de advocaat en nihil voor verschotten en in hoger beroep op € 1.631,- voor salaris van de advocaat en € 1.656,82 voor verschotten;

in incidenteel appel

bekrachtigt de vonnissen van 3 oktober 2012 en 24 april 2013, voor zover oorspronkelijk in reconventie gewezen, door de voormalige rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, respectievelijk de rechtbank Noord-Nederland, afdeling privaatrecht, locatie Groningen;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten, aan de zijde van [appellant] begroot op € 474,- voor salaris van de advocaat;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Groefsema, mr. J.H. Kuiper en mr. H. de Hek en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

10 juni 2014.