Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2014:4292

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2014
Datum publicatie
02-06-2014
Zaaknummer
21-008444-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:99, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bevestiging van het vonnis van de rechtbank. Verweren met betrekking tot het alternatieve scenario worden verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-008444-13

Uitspraak d.d.: 2 juni 2014

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 30 oktober 2013 met parketnummer 16-656203-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in Amsterdam PPC te Amsterdam.

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 19 mei 2014 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr T. van der Goot, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof is van oordeel dat de eerste rechter op juiste gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist. Daarom zal het vonnis waarvan beroep met overneming van die gronden worden bevestigd en met aanvulling van het navolgende.

Textielonderzoek

De raadsman heeft met betrekking tot het textielonderzoek aangevoerd dat het niet doorgedrongen zijn van de bloedsporen op het poloshirt van verdachte in dat shirt een contra-indicatie is voor betrokkenheid van verdachte bij de dood van zijn vrouw. Het hof verwerpt dit verweer. Nu er weinig tot niets bekend is over wat zich precies heeft afgespeeld in de slaapkamer waar het slachtoffer is aangetroffen, kan niet met enige zekerheid worden gesteld, dat het niet doordringen van bloed in het poloshirt van verdachte een contra-indicatie is voor zijn betrokkenheid. Dit geldt eveneens voor de stelling van de raadsman dat het feit dat er niets is vastgesteld omtrent hitte-inwerking op de kleding van verdachte, reden is om te veronderstellen dat verdachte niet ter plaatse is geweest om de brand aan te steken. Het slachtoffer is overgoten met motorbenzine en in brand gestoken maar niet is bekend op welke manier dit is gebeurd.

Bloedsporen

Door de verdediging is het scenario geschetst dat het zoontje van verdachte bloed aan zijn handen had dat van het slachtoffer afkomstig was en dat hij zich aan de broekspijp van verdachte omhoog heeft getrokken, waardoor bloedsporen op de broek en slipper van verdachte terecht zijn gekomen. De rechtbank heeft volgens de raadsman onterecht dit scenario gepasseerd. Het hof verwerpt ook dit verweer. Het door de verdediging opgeworpen scenario is een mogelijk scenario, maar dit scenario wordt niet bevestigd of ondersteund door enig vorm van bewijs of bevestigend forensisch onderzoek en is ook anderszins niet aannemelijk geworden.

Sporen motorbenzine op slippers verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat de sporen van benzine die op de slippers van verdachte zijn aangetroffen volgens de rechtbank dadersporen zijn maar dat deze redenering onjuist is. Als die redenering juist zou zijn is namelijk niet te verklaren dat de deskundige binnen het IDFO in zijn rapport van 16 augustus 2013 constateert dat de resultaten “iets waarschijnlijker” zijn, indien verdachte het slachtoffer zelf met benzine heeft overgoten. Dan had volgens de raadsman de conclusie moeten zijn: “een met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid”.

Het hof overweegt hierover het volgende. In opdracht van de rechter-commissaris is door deskundige Grutters een rapportage opgemaakt over kernhypothesen met betrekking tot chemisch brandonderzoek. Naar aanleiding van de door de rechter-commissaris geformuleerde scenario’s zijn twee kernhypothesen geformuleerd: C1) verdachte heeft het slachtoffer met behulp van motorbenzine in brand gestoken. C2) het slachtoffer heeft zichzelf met behulp van motorbenzine in brand gestoken, de verdachte is op dat moment niet in de ruimte aanwezig.

Het onderzoeksresultaat is dat er op de slippers van verdachte aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van zeer geringe hoeveelheden vluchtige stoffen die afkomstig zijn van motorbenzine. Grutters constateert vervolgens dat het onderzoeksresultaat iets waarschijnlijker is als hypothese C1 juist is, dan wanneer hypothese C2 juist is, maar de deskundige merkt tevens op dat het moeilijk is een inschatting te maken van de mate van waarschijnlijkheid van de bevindingen in het licht van de kernhypothesen, omdat de scenario’s en de daaruit volgende kernhypothesen niet erg gedetailleerd zijn beschreven. Het hof is dan ook van oordeel dat de conclusies in het rapport van deskundige Grutters op zichzelf niet iets zeggen over de aannemelijkheid van het door verdachte geschetste scenario, namelijk dat hij de motorbenzine een paar weken eerder heeft gemorst bij het tanken van motorbenzine. Het hof zal evenals de rechtbank dit rapport dan ook niet voor het bewijs bezigen.

De raadsman heeft aangevoerd dat uit een rapport van Forensicon, opgemaakt op 16 mei 2014 in opdracht van de verdediging, blijkt dat de mogelijkheid open blijft dat de aangetroffen benzine geruime tijd eerder op de slipper terecht kan zijn gekomen.

Het hof merkt allereerst op dat de medewerker van Forensicon concludeert, dat met de huidige beschikbare informatie geen uitspraak kan worden gedaan over de mogelijkheid dat de motorbenzine reeds geruime tijd voorafgaand aan de inbeslagneming en bemonstering op de slipper aanwezig was.

Wat hier echter verder ook van zij, dit laat onverlet dat de rechtbank, gelet op de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, waaronder ook de resultaten van het onderzoek naar de aanwezigheid van motorbenzine, naar het oordeel van het hof terecht geconcludeerd heeft dat het alternatieve scenario van verdachte niet aannemelijk is geworden.

Rapport E. Rassin

De raadsman heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de wisselende verklaringen van verdachte heeft gebruikt als reden om het door de verdediging geschetste alternatieve scenario van tafel te vegen. De raadsman baseert zich hierbij mede op een rapport van dr. E. Rassin, rechtspsycholoog, die op verzoek van de verdediging de verklaringen, het vonnis en de rapporten over de geestesgesteldheid van verdachte heeft geanalyseerd. Rassin concludeert onder meer dat de politie verdachte op subtiele wijze onder druk zet. Het hof overweegt hierover het volgende.

Door deskundigen, in dit geval een rechtspsycholoog, kan een oordeel worden gegeven over de wijze waarop verhoren door de politie hebben plaatsgevonden. Dat kan ook over de wijze waarop in deze zaak de verhoren hebben plaatsgevonden. Nuttig daarbij zal zijn, als er – bijvoorbeeld – ook audiovisueel materiaal is bestudeerd. In dit geval zijn door Rassin echter alleen de processen-verbaal van verhoor, het vonnis en de persoonsrapportages over verdachte geanalyseerd. Dat levert een beperkt onderzoek op en een beperkt onderzoeksresultaat. De deskundige concludeert ook dat verdachte zijn verklaring steeds strategisch lijkt aan te passen en de informatie die hij heeft gegeven niet meer geheel uit eigen waarneming en herinnering zal stammen, maar mogelijk uit reconstructie en gesprekken met derden (bijvoorbeeld de raadsman).

Dit alles overwegende is het hof van oordeel dat het verweer van de raadsman dat (mede) op basis van dit rapport ten onrechte de wisselende verklaringen van verdachte zijn gebruikt om het alternatieve scenario te passeren dient te worden verworpen.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep.

Aldus gewezen door

mr M. Otte, voorzitter,

mr A.W.M. Elders en mr M. Keppels, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr I.I.D. Leene, griffier,

en op 2 juni 2014 ter openbare terechtzitting uitgesproken.