Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:BZ1719

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-02-2013
Datum publicatie
20-02-2013
Zaaknummer
200.095.373/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezoeker van sauna stelt een ernstige brandwond aan de voet te hebben opgelopen doordat de stenen vloer van de sauna veel te heet was. Beroep van exploitant sauna op exoneratiebeding in huisregels en algemene voorwaarden slaagt niet. Hof acht deskundigenonderzoek gewenst.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Opleidingen Legal 2014/125
JA 2013/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.095.373/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 121908 / HA ZA 10-894)

arrest van de eerste kamer van 12 februari 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. S.W. van Dijk, kantoorhoudend te Apeldoorn,

die ook heeft gepleit,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bronnenbad Nieuweschans-Bunde B.V.,

gevestigd te Bad Nieuweschans,

geïntimeerde,

in eerste aanleg gedaagde,

hierna: Bronnenbad,

advocaat: mr. F.A.M. Knüppe, kantoorhoudend te Arnhem,

voor wie heeft gepleit mr. H.M. Lenting, kantoorhoudend te Arnhem.

1. Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van

2 februari 2011 en 20 juli 2011, hersteld bij vonnis van 24 augustus 2011, van de rechtbank Groningen.

2. Het geding in hoger beroep

2.1 Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 6 oktober 2011,

- de memorie van grieven, tevens akte overlegging producties, tevens akte tot wijziging van eis,

- de memorie van antwoord,

- het gehouden pleidooi waarbij pleitnotities zijn overgelegd.

2.2 Na afloop van het pleidooi heeft het hof arrest bepaald.

2.3 De vordering van [appellant] (in principaal appel) luidt:

"dat het Gerechtshof zal vernietigen de vonnissen, op 20 juli 2011 en 24 augustus 2011 door de Rechtbank Groningen tussen partijen gewezen,

en, opnieuw rechtdoende, bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, voorzover de Wet zulks toelaat,

a.

voor recht zal verklaren dat geïntimeerde aansprakelijk is voor de door appellant geleden en te lijden schade als gevolg van de verwondingen, die appellant op 15 juni 2010 in de door geïntimeerde geëxploiteerde sauna heeft opgelopen, en van de gevolgen van deze verwondingen;

b.

geïntimeerde zal veroordelen tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, te betalen aan appellant,

althans geïntimeerde zal veroordelen tot betaling aan appellant van een door het Gerechtshof in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding,

steeds vermeerderd met de wettelijke rente over alle schadebedragen van 15 juni 2010 tot de dag der algehele voldoening;

c.

geïntimeerde zal veroordelen tot terugbetaling aan appellant van het door appellant aan geïntimeerde betaalde bedrag wegens proceskostenveroordeling van de eerste instantie, zijnde EUR 1.162,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag van 3 augustus 2011 tot de dag der algehele voldoening;

d.

met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties."

2.4 Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

2.5 De wijziging van eis behelst de terugbetaling van de ingevolge de proceskostenveroordeling in het (herstelde) eindvonnis aan Bronnenbad betaalde proceskosten. Tegen deze wijziging heeft Bronnenbad geen bezwaar gemaakt en het hof ziet geen reden om de wijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten.

3. De beoordeling

Vaststaande feiten

3.1 De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 van het vonnis van 20 juli 2011 de feiten vastgesteld. Het hof ziet reden de feiten zelf vast te stellen. Als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) weersproken, staat het volgende vast.

3.1.1 Bronnenbad exploiteert een kuurcentrum met diverse faciliteiten waaronder een Kelo-sauna.

3.1.2 Een Kelo-sauna is een grote sauna die plaats biedt aan ongeveer 60 personen. De sauna wordt verwarmd door een saunakachel in het midden van de sauna en een gasgestookt haardvuur (achter glas). De stenen vloer van de Kelo-sauna was in elk geval tot 15 juni 2010 gedeeltelijk bedekt met matten.

3.1.3 [appellant] maakt geregeld gebruik van de (sauna)faciliteiten van Bronnenbad.

3.1.4 [appellant] heeft Bronnenbad ook op 15 juni 2010 bezocht en heeft toen gebruik gemaakt van de Kelo-sauna.

3.1.5 [appellant] heeft in elk geval in juli 2010 aan Bronnenbad meegedeeld dat hij tijdens een bezoek aan de sauna een brandwond aan (de onderzijde van) zijn linkervoet heeft opgelopen. Partijen verschillen van mening over de vraag of [appellant] daarvan ook op

15 juni 2010 al melding van heeft gemaakt.

3.1.6 [appellant] heeft zich op 22 juni 2010 tot de arts [arts] gewend. [arts] heeft in een brief d.d. 12 juli 2010 ten behoeve van de verzekeraar van [appellant] onder meer het volgende geschreven:

“O.g. Patient stellte sich hier am 22.6.2010 in der Praxis vor.

Es zeigt sich eine grosze Verbrennungsblase an der Fuszsohle. Nachfolgend kam es zu Komplikationen bei bekanntem Diabetischem Fuszsyndrom, Herr [appellant] musste u.a. auch im Krankenhaus behandelt werden.

(…)

Herr [appellant] is seit dem 15.6.2010 arbeitsunfähig.”

3.1.7 In een brief van zijn advocaat van 23 augustus 2010 aan Bronnenbad heeft [appellant] Bronnenbad aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade. Bronnenbad heeft geweigerd aansprakelijkheid te erkennen.

3.2 Nu het hof zelf de feiten heeft vastgesteld, heeft [appellant] geen belang bij de bespreking van de grieven 2 en 3, die de vaststelling van de feiten door de rechtbank betreffen. De grieven falen reeds om die reden.

Bespreking van de (overige) grieven

3.3 [appellant] heeft negen als zodanig aangemerkte grieven tegen het vonnis opgeworpen. De grieven worden voorafgegaan door een uitvoerig exposé over de feiten, over de grondslag van zijn vordering en over enkele door Bronnenbad in eerste aanleg gevoerde, maar door de rechtbank niet besproken, verweren. In punt 5 van de memorie van grieven verzoekt hij het hof om door hem geponeerde stellingen die niet als grief of toelichting op een grief worden gepresenteerd toch mee te nemen in de beoordeling van het appel en stelt hij dat het appel zich richt tegen de totale beoordeling van de vordering door de rechtbank. Bronnenbad heeft daar bezwaar tegen gemaakt. Volgens haar hebben de stellingen van [appellant] die niet als grief of toelichting op een grief worden gepresenteerd als een niet toegestane “veeggrief” te gelden. De algemene stellingen van [appellant] voldoen niet aan de aan een grief te stellen eisen, aldus Bronnenbad.

3.4 Een appellant dient zijn bezwaren tegen de bestreden uitspraak voldoende duidelijk naar voren te brengen. Uit de memorie van grieven dient voldoende duidelijk te blijken op welke gronden appellant meent dat de uitspraak moet worden vernietigd. De grieven hoeven daarbij niet aan bepaalde vormvereisten te voldoen. Het formuleren van expliciete, genummerde grieven is daartoe niet noodzakelijk. Het hof volgt Bronnenbad dan ook niet in haar betoog dat aan de algemene stellingen van [appellant] voorbij kan worden gegaan. Indien en voor zover deze stellingen, voldoende kenbare, bezwaren bevatten tegen het bestreden vonnis, zal het hof deze bezwaren in aanmerking nemen, al dan niet in het kader van de bespreking van de wel uitdrukkelijk als (toelichting op een) grief aangeduide stellingen van [appellant].

3.5 Bronnenbad heeft in eerste aanleg enkele verweren gevoerd, die niet door de rechtbank zijn besproken. Het hof ziet aanleiding één van die verweren - het door Bronnenbad gedane beroep op een exoneratieclausule - eerst te bespreken. Wanneer het verweer slaagt, stranden de vorderingen van [appellant] al om die reden en kunnen de andere geschilpunten van partijen verder onbesproken blijven.

3.6 Bronnenbad heeft erop gewezen dat zij huisregels heeft opgesteld die op haar website zijn vermeld en op een duidelijk zichtbare plaats hangen bij de hoofdingang van de sauna. In de huisregels is onder meer het volgende vermeld:

“Met het betreden van het kuurcentrum verklaart u zich akkoord met onderstaande huisregels en dient u deze na te leven.

(…)

VEILIGHEID EN AANSPRAKELIJKHEID

8. Het gebruik van de faciliteiten van Fontana Bad Nieuweschans is geheel op eigen risico.

(…)

DIVERSEN

(…)

24. Op alle door ons AANGEGANE OVEREENKOMSTEN ZIJN VAN TOEPASSING DE Uniforme Voorwaarden Horeaca (UHV). De UHV zijn bindend voor iedereen die van onze diensten gebruik maakt. Klik hier voor de voorwaarden.”

In art. 12.3 van de UVH-voorwaarden is bepaald:

“Onverminderd het bepaalde in de artikelen 12.7 en 12.8 is het horecabedrijf nimmer aansprakelijk voor welke schade dan ook aan de klant, de gast en/of derden geleden tenzij de schade het directe gevolg is van opzet of grove schuld in het horecabedrijf.”

In artikel 12.6 is bepaald:

“Het horecabedrijf is nimmer aansprakelijk voor schade direct of indirect aan wie of wat ook ontstaan als direct gevolg van enig gebrek of enige hoedanigheid of omstandigheid aan, in of op enig roerend of onroerend goed waarvan het horecabedrijf houder, (erf) pachter, huurder dan wel eigenaar is of dat anderszins ter beschikking van het horecabedrijf staat, behoudens indien en voor zover de schade het rechtsreeks gevolg is van opzet of grove schuld van het horecabedrijf.”

3.7 [appellant] heeft aangevoerd dat hij niet op de hoogte is gesteld van de inhoud van de huisregels en van de algemene voorwaarden. Deze zijn hem niet overhandigd en waren in elk geval tot 15 juni 2010 niet in de Duitse taal in de gebouwen van Bronnenbad bekendgemaakt. De voorwaarden zijn dan ook niet op de overeenkomst van toepassing, aldus [appellant], die zich ook beroept op de vernietigbaarheid van de voorwaarden op grond van artikel 6:233 sub b in combinatie met artikel 6:234 BW en van de bepaling over het betreden op eigen risico op grond van artikel 6:233 sub a in combinatie met artikel

6:237 sub b en f BW.

3.8 Het hof stelt bij de bespreking van het beroep van [appellant] op de vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden voorop dat tussen partijen (terecht) niet ter discussie staat dat de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door Nederlands recht en dat afdeling 6.5.3 BW op de overeenkomst tussen partijen van toepassing is. [appellant] heeft gesteld dat de UHV-voorwaarden niet aan hem ter hand zijn gesteld. Bronnenbad heeft deze stelling niet gemotiveerd bestreden, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Nu Bronnenbad niet heeft gesteld dat het voor haar redelijkerwijs niet mogelijk was de UHV-voorwaarden voor of bij het sluiten van de overeenkomst aan [appellant] ter hand te stellen, heeft zij [appellant] niet een redelijke mogelijkheid geboden om van deze voorwaarden kennis te nemen. Dat de voorwaarden via een link op haar website beschikbaar waren, doet daaraan niet af. Daargelaten of in dit geval de mogelijkheid tot kennisneming langs elektronische weg mag worden geboden, heeft de gebruiker nog niet aan zijn uit art. 6:233, onder b, voortvloeiende informatieplicht voldaan indien de desbetreffende voorwaarden (door een zoekopdracht) op internet kunnen worden gevonden. De gebruiker dient het initiatief tot bekendmaking van de algemene voorwaarden te nemen en wel op zodanige wijze dat voor de wederpartij duidelijk is welke voorwaarden op de rechtsverhouding van toepassing zijn en dat de wederpartij daarvan eenvoudig kennis kan nemen (vgl. Hoge Raad 11 februari 2011, LJN: BO7108). Het beroep van [appellant] op de vernietigbaarheid van de UHV-voorwaarden slaagt dan ook.

3.9 Partijen verschillen van mening over de vraag of de huisregels van Bronnenbad, met daarop de hiervoor aangehaalde bepaling over het gebruik van de faciliteiten van Bronnenbad “op eigen risico”, op een voor [appellant] toegankelijke wijze zijn aangebracht en, daarmee, over de vraag of ten aanzien van de huisregels wel aan de eis van terhandstelling is voldaan. Het hof zal deze vraag buiten beschouwing laten, omdat het beroep van [appellant] op de vernietigbaarheid van deze bepaling op grond van artikel

6:233 sub a BW in elk geval slaagt. Het beding, zoals het door Bronnenbad wordt uitgelegd, bevrijdt Bronnenbad van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding. Het hof zal bij wijze van veronderstelling uitgaan van de juistheid van die uitleg. Aldus uitgelegd is het beding een beding dat valt onder het bereik van artikel 6:237 sub f BW en dat vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn. Bronnenbad heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die, indien ze komen vast te staan, het vermoeden weerleggen dat het beding onredelijk bezwarend is. In dit verband overweegt het hof dat het beding geen onderscheid maakt tussen opzettelijk en niet-opzettelijk toegebrachte schade - dit onderscheid wordt alleen gemaakt in de vernietigde UHV-voorwaarden - en evenmin tussen verzekerde en niet-verzekerde schade en tussen letselschade en andere schadesoorten. Het beding behelst, zoals het door Bronnenbad wordt ingeroepen, derhalve ook een exoneratie voor letselschade. Een dergelijk beding is een beding dat (onder a.) is vermeld op de bijlage bij Richtlijn 93/13/EG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten.

3.10 De slotsom is dat Bronnenbad zich niet met succes kan beroepen op de genoemde bepaling uit de huisregels en op de UHV-voorwaarden. Dat betekent dat het hof verder dient in te gaan op het geschil tussen partijen.

3.11 De feitelijke grondslag van de vordering van [appellant] is dat hij op 15 juni 2010 aanwezig was in de Kelo-sauna toen daar rond 16.00 uur een opgieting plaatsvond. Door de opgieting nam de temperatuur sterk toe. Vanwege de warmte wilden de bezoekers naar buiten. Omdat er een vrouw in de weg stond, moest [appellant] even opzij stappen. Daarbij is hij met de linkervoet naast de matten op (het niet met matten bedekte deel van) de vloer gekomen. De vloer was zo heet dat [appellant] een brandwond aan de linkervoet heeft opgelopen. [appellant] voelde dat direct toen hij opzij stapte.

3.12 Bronnenbad heeft deze feitelijke grondslag van de vordering van [appellant] gemotiveerd weersproken. Zij heeft bestreden dat de vloer van de sauna zo heet was dat iemand zich eraan kon branden, dat [appellant] zich aan de vloer heeft gebrand en dat hij op 15 juni 2010 bij het bezoek aan de sauna een brandwond heeft opgelopen. Zij heeft er in dat verband op gewezen dat [appellant] ook een andere lezing van het incident heeft gegeven, die erop neerkomt dat hij zich aan de Kelo-oven heeft gestoten.

3.13 Het hof stelt vast dat de feitelijke grondslag van de vordering thans is zoals die hiervoor, in rechtsoverweging 3.11, (beknopt) is weergegeven. Dat [appellant] in het verleden mogelijk ook een andere lezing van het incident heeft gegeven, betekent nog niet dat de door hem nu aangevoerde feitelijke grondslag reeds om die reden onvoldoende is onderbouwd. Indien de door [appellant] gestelde feiten komen vast te staan, staat daarmee ook vast dat de vloer van de Kelo-sauna zo heet is geweest dat door de (gelet op de stellingen van [appellant]: korte) aanraking van de vloer brandwonden konden ontstaan. Indien dat het geval is geweest, ligt het voor de hand dat bij de Kelo-sauna sprake was van een gevaarlijke situatie en is geenszins uitgesloten - een en ander hangt ook af van andere omstandigheden, waarover partijen van mening verschillen - dat Bronnenbad in verband met deze gevaarlijke situatie aansprakelijk is, of doordat zij in de op haar rustende (contractuele) zorgplicht is tekortgeschoten, of doordat de vloer als een gebrekkige zaak kan worden aangemerkt.

3.14 Anders dan Bronnenbad meent, heeft [appellant] de feitelijke grondslag van zijn vordering voldoende onderbouwd. Hij heeft een duidelijke lezing gegeven van de toedracht van het ongeval en heeft de diverse onderdelen van deze lezing met verscheidene schriftelijke verklaringen - onder meer over de hete vloer, de constatering van de brandwand op 15 juni 2010 door derden - onderbouwd. Bronnenbad heeft de stellingen van [appellant] op haar beurt gemotiveerd weersproken.

3.15 Bij deze stand van zaken acht het hof het van belang dat eerst wordt vastgesteld of de vloer van de Kelo-sauna zo heet kan worden dat het mogelijk is dat iemand die kort op de vloer staat een brandwond (onder) aan de voet oploopt. Wanneer dat niet komt vast te staan, is niet alleen de feitelijke grondslag van de vorderingen van [appellant] ondeugdelijk - de brandwond kan dan niet door de aanraking met de hete vloer zijn ontstaan -, maar is ook geen sprake van een gevaarlijke situatie. Het hof acht op dit punt een deskundigenonderzoek op zijn plaats. De centrale vraag in dat onderzoek – kan de vloer van de Kelo-sauna in Bronnenbad na een opgieting zo heet worden dat iemand die kort op de vloer staat een brandwond aan de voet oploopt – heeft zowel een technische als een medische component. Er dient (technisch) onderzoek plaats te vinden naar de temperatuur van de vloer na een opgieting en (medisch) onderzoek naar de vraag bij welke temperatuur van de vloer en onder welke omstandigheden bij aanraking van de vloer een brandwond kan ontstaan.

3.16 Omdat op [appellant] de bewijslast rust van zijn stelling dat de vloer zo heet was dat hij zijn voet er aan heeft gebrand, zal [appellant] met het voorschot op de kosten van de deskundigen worden belast.

3.17 Het hof zal partijen in de gelegenheid stellen zich uit te laten over het aantal en de persoon van de deskundigen en de aan de deskundigen te stellen vragen. De zaak wordt daartoe naar de rol verwezen.

4. De beslissing:

Het gerechtshof:

alvorens nader te beslissen:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 12 maart 2013 voor uitlating deskundigenbericht door beide partijen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mrs. H. de Hek, voorzitter, L. Groefsema en M.C.D. Boon-Niks en uitgeproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag

12 februari 2013 in bijzijn van de griffier.