Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:5346

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-07-2013
Datum publicatie
24-07-2013
Zaaknummer
D 200.088.222-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden met periodiek verrekenbeding.

Voor het huwelijk van partijen heeft de man een agrarische onderneming overgenomen, tijdens het huwelijk is deze onderneming uitgebreid met een melkquotum en extra grond. Zowel de aanschaf als de uitbreidingen van de onderneming zijn (deels) gefinancierd met geleend geld, waarop tijdens het huwelijk is afgelost. Partijen gaan er van uit dat die aflossingen ten laste van bespaard en onverdeeld gebleven inkomsten zijn gekomen. Dientengevolge zal moeten worden bezien in hoeverre vermogensvermeerdering is ontstaan als gevolg van de aflossingen die zijn gedaan op de hypothecaire leningen aangegaan voor de verwerving en de uitbreiding van de onderneming. Er bestaan verschillende methoden teneinde het tussen partijen te verrekenen bedrag te berekenen. Het hof benoemt twee van deze methoden.

De door de man gedane rentebetalingen op de financieringen worden niet in de verrekening betrokken. Voor zover rente is betaald op de financiering van de voormalige echtelijke woning worden deze betalingen aangemerkt als kosten van de huishouding. De rente die betaald is op de bedrijfsleningen betreffen naar het oordeel van het hof kosten, welke de man gemaakt heeft om inkomsten te genereren; inkomsten die ook aan de vrouw ten goede komen. Deze betaalde rente aldus in de beschouwing te hebben betrokken, concludeert het hof dat de rentebetalingen niet tot enige verrekening dienen te leiden.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 136
Burgerlijk Wetboek Boek 1 141
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2013/118
JPF 2014/2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.088.222

(zaaknummer rechtbank Assen 64631 / HA ZA 07-733)

arrest van de tweede kamer van 23 juli 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: de man,

advocaat: A.S.M. Kunst, kantoorhoudend te Zuidlaren,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

hierna: de vrouw,

voorheen advocaat: J.W. Flipse, kantoorhoudend te Assen,

thans advocaat: mr. F.Y. de Reus, kantoorhoudend te Assen.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 12 juli 2011 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In dit tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. Deze comparitie is gehouden op 25 oktober 2011; het daarvan opgemaakte proces-verbaal maakt deel uit van de stukken.

1.2

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

  • -

    de memorie van grieven,

  • -

    de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep,

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald. In het dossier van de man ontbreken de producties 8 tot en met 10 bij de conclusie van antwoord, de akte van de vrouw van 22 april 2009, de dagvaarding in hoger beroep d.d. 20 mei 2011, de 'aantekeningen comparitie van partijen' van de man van 29 september 2011 en het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 29 september 2011. Het hof heeft daarvoor geput uit het procesdossier van de vrouw. In het dossier van de vrouw ontbreken de producties 17 tot en met 20 bij de akte uitlating, tevens antwoordakte van 13 augustus 2008 en het faxbericht van mr. Kunst van 16 september 2010 bij het deskundigenbericht van Accon AVM d.d. 28 september 2010. Het hof heeft voor deze stukken geput uit het procesdossier van de man.

1.4

De conclusie van de appeldagvaarding van de man luidt:

"(…) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank Assen (…) van 23 februari 2011, en de tussenvonnissen van voornoemde rechtbank van 18 juni 2008, 19 november 2008, 4 maart 2009 en 3 juni 2009 te vernietigen, en opnieuw rechtdoende de in eerste aanleg door geïntimeerde ingestelde vorderingen in het petitum van de inleidende dagvaarding alsnog af te wijzen, en te verklaren voor recht dat appellant aan geïntimeerde uit hoofde van het verrekenbeding van de huwelijkse voorwaarden en de onderhandse schuld van de man aan de vrouw een bedrag verschuldigd is van € 5.336,-, welk bedrag inmiddels door de man aan de vrouw is voldaan, en geïntimeerde te veroordelen om al hetgeen appellant ter uitvoering van het bestreden vonnis aan geïntimeerde heeft voldaan aan appellant terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties".

1. Bij memorie van grieven heeft de man geconcludeerd 'tot persistit'.

1.7

In incidenteel appel heeft de vrouw gevorderd:

"(…) bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de Rechtbank Assen (…) van 23 februari 2011, en de tussenvonnissen van de voornoemde Rechtbank van 18 juni 2008, 19 november 2008, 4 maart 2009 en 3 juni 2009 te vernietigen voor zover het betreft de door de Rechtbank geconstateerde beperkte reikwijdte van de vrouw in haar vordering in eerste aanleg en te bepalen dat in de verrekening tussen partijen meegenomen dient te worden hetgeen is afgelost op leningen welke door de man zijn aangegaan in verband met de aanschaf en/of verbouwing van de bedrijfswoning waarin partijen hebben gewoond, voorshands te begroten op een bedrag van € 305.000,- zijnde de getaxeerde waarde van deze goederen".

2 De feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

2.2

Partijen zijn [in 1998] op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. In de akte van huwelijkse voorwaarden van 21 april 1998 zijn onder andere de volgende bepalingen opgenomen:


"Artikel 3
De echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.
Deze vergoedingen zijn terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.
(…)


Artikel 6
1. Inkomen
Onder inkomen wordt verstaan het begrip belastbaar inkomen als bedoeld in de Wet op de inkomstenbelasting 1964 verminderd met de daarover verschuldigde belasting op inkomen en premieheffingvolksverzekeringen, waarbij het inkomen dat wordt toegerekend aan één echtgenoot wordt geacht te behoren tot het inkomen van degene die het inkomen feitelijk heeft genoten. (…)

Artikel 7
1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding (…) worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; (…) Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, huurpenningen voor de echtelijke woning en renten van geldleningen voor de financiering van de echtelijke woning, de inboedel en de gezinsauto. (…)

Artikel 9
De echtgenoten verplichten zich over elk kalenderjaar hetgeen van hun inkomen in de zin van artikel 6, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding, overblijft onderling te verrekenen in die zin, dat de ene echtgenoot een vordering verkrijgt op de andere echtgenoot ten bedrage van de helft van het aan diens zijde overblijvende als hiervoor bedoeld. Indien de echtgenoten over en weer een vordering op elkaar krijgen worden de vorderingen door een desbetreffende verklaring verrekend tot het bedrag van de kleinste vordering. Indien aan een echtgenoot langs andere weg iets ten goede komt of is gekomen van het overblijvende van het inkomen van de andere echtgenoot, wordt zijn vordering dienovereenkomstig verminderd.
(…)
Artikel 12
Geen verrekening heeft plaats:
a. over de tijd, dat de echtgenoten anders dan in onderling overleg niet samenwonen of dat tussen hen scheiding van tafel en bed bestaat;
b. over het kalenderjaar dat het inkomen als bedoeld in artikel 9 van een echtgenoot, onder aftrek van de kosten van de huishouding, tengevolge van verlies in een zelfstandig uitgeoefend beroep of bedrijf van die echtgenoot negatief is en over volgende kalenderjaren indien en voor zover het voor verrekening overeenkomstig artikel 9 vatbare inkomen van de betreffende echtgenoot niet het bedrag van het verlies heeft bereikt;
c. indien een echtgenoot surséance van betaling heeft verkregen, in staat van faillissement verkeert ofwel verkeerd heeft, terwijl het faillissement op andere wijze dan door homologatie van accoord is geëindigd en deze echtgenoot op grond van de verrekening een vordering op de andere echtgenoot zou verkrijgen;
d. voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten."

2.3

De staat van aanbrengsten, gehecht aan de akte van huwelijkse voorwaarden vermeldt onder andere het volgende:

"Aanbrengsten van de heer [appellant].
aktief : Kleding, lijfssieraden en lijfstoebehoren.
passief : p.m.

Aanbrengsten mevrouw [geïntimeerde].
aktief : I. Kleding, lijfssieraden en lijfstoebehoren.
II. inboedelgoederen, te weten: (…)
passief : p.m."

2.8

De man heeft in januari 1995 de (agrarische) onderneming van zijn ouders overgenomen. Tot deze onderneming behoorde ondermeer de boerderij, staande en gelegen aan [adres]. Voorts heeft de man 229.610 kg melkquotum van zijn ouders overgedragen gekregen. In het jaar 2000 heeft de man percelen grond en een melkquotum gekocht. Partijen hebben gedurende het huwelijk een gedeelte van de boerderij gezamenlijk bewoond.

2.9

Partijen zijn op 7 januari 2005 feitelijk gescheiden gaan leven. Bij beschikking van [datum] is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op
is ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3 De procedure in eerste aanleg

3.1

De vrouw heeft - samengevat weergegeven - gevorderd dat de rechtbank de man veroordeelt om aan haar een bedrag te betalen ter grootte van € 12.949,44 ter zake van de door de vrouw betaalde verbouwing van de boerderij, vermeerderd met een nader te bepalen bedrag voor de verrekening van de vermogensvermeerdering van de onderneming, de grond en het melkquotum van de man, en te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag zal betalen gelijk aan de helft van het fiscaal voordeel dat de man heeft genoten als gevolg van het toepassen van diverse heffingskortingen in 2004, ter grootte van € 1.171,-, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot de dag waarop volledige betaling volgt.

3.2

De man heeft verweer gevoerd.

3.3

De rechtbank heeft, na tussenvonnissen van 9 januari 2008, 18 juni 2008 en 19 november 2008, bij tussenvonnis van 4 maart 2009 een deskundigenonderzoek bevolen teneinde zich te laten voorlichten over:
a. de aflossingen en betalingen die hebben plaatsgevonden na datum waarop partijen zijn gehuwd en voor de peildatum, dat wil zeggen 1 januari 2005;
b. het aandeel in deze aflossingen en rentebetalingen dat in redelijkheid kan worden toegerekend aan de financiering van de in 2000 extra gekochte grond en melkquotum;
c. de actuele waarde, dat wil zeggen de waarde per het moment van feitelijke verdeling, van de in 2000 extra gekochte grond en melkquotum;
d. het deel van de waardestijging dat in redelijkheid kan worden toegerekend aan de aflossingen en rentebetaling van de met de verwerving van de extra grond en melkquotum gemoeide financiering.
De rechtbank heeft daarbij tot deskundigen benoemd mevrouw [deskundige 1] AA, verbonden aan Accon AVM adviseurs en accountants, en [deskundige 2], verbonden aan Otten agrarisch Onroerend Goed.

3.4

Bij rapportage, binnengekomen ter griffie van de rechtbank op 21 april 2010, heeft de heer [deskundige 2] een taxatierapport uitgebracht ten aanzien van het melkveebedrijf met woonboerderij, ligboxenstal, jongveestalling/wagenberging, schuurruimte, ondergrond, erf, cultuurgoed en verdere aangelegenheden, plaatselijk bekend, [adres], in eigendom bij de man.

3.5

Bij rapportage, binnengekomen ter griffie van de rechtbank op 29 september 2010, heeft mevrouw [deskundige 1] AA de door de rechtbank geformuleerde vragen beantwoord, met uitzondering van onderdeel c daarvan.

3.6

Bij vonnis van 23 februari 2011 heeft de rechtbank de man veroordeeld om aan de vrouw te betalen een bedrag van € 80.733,-. De rechtbank heeft daarbij de proceskosten tussen partijen gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De vermeerdering van eis

4.1

De vrouw heeft (naar het hof begrijpt) in haar incidenteel appel haar eis aldus vermeerderd dat in de verrekenvordering eveneens dient te worden betrokken hetgeen is afgelost op leningen welke door de man zijn aangegaan in verband met de aanschaf en/of verbouwing van de bedrijfswoning waarin partijen hebben gewoond, voorshands te begroten op een bedrag van € 305.000,- zijnde de getaxeerde waarde.

4.2

De man heeft tegen deze vermeerdering van eis bezwaar gemaakt. Voor zover door de man is gesteld dat het te laat is voor de eiswijziging, stuit dit bezwaar erop af dat de vrouw haar eis bij eerste memorie in appel en derhalve tijdig heeft gewijzigd. Naar het oordeel van het hof heeft de man ook voorts onvoldoende onderbouwd waarom de eiswijziging in strijd zou zijn met de beginselen van een goede procesorde. Ook ambtshalve is het hof daarvan niet gebleken. Het hof tekent hierbij aan dat de herstelfunctie van het hoger beroep juist mede ertoe dient eiswijzigingen als de onderhavige mogelijk te maken. Voorts kan de eiswijziging voor de man niet als een verrassing komen omdat deze door de vrouw reeds in eerste aanleg bij akte van 15 december 2010 kenbaar werd gemaakt, maar door de rechtbank werd gepasseerd. Het hof zal dan ook wat betreft de vordering van de vrouw recht doen op de gewijzigde eis.

5 De motivering van de beslissing



Inleiding

5.1

Tussen partijen is niet in geschil dat zij tijdens hun huwelijk nimmer uitvoering hebben gegeven aan het periodiek verrekenbeding zoals opgenomen in artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden.

5.2

De man heeft in principaal appel vier grieven opgeworpen, de vrouw in incidenteel appel één grief. Het hof ziet aanleiding de grieven in principaal en incidenteel appel gezamenlijk te bespreken.

Het verrekentijdvak

5.5

Partijen hebben niet gegriefd tegen de overweging van de rechtbank dat ingevolge artikel 1:142 lid 2 BW en artikel 12 sub a van de akte van huwelijkse voorwaarden het tijdvak waarop de verrekenplicht betrekking heeft, beperkt is tot de periode die aanvangt op de dag van voltrekking van het huwelijk, 24 april 1998, en eindigt op 7 januari 2005, zijnde het moment waarop partijen feitelijk gescheiden zijn gaan leven, terwijl de rechtbank om redenen van doelmatigheid uit is gegaan van de datum 1 januari 2005 als datum waarop de verrekenplicht tussen partijen is geëindigd. Het hof zal derhalve eveneens als verrekentijdvak hanteren de periode van 24 april 1998 tot 1 januari 2005.



De verrekening

5.6

Partijen stellen in hoger beroep de verrekening van de waarde van de onderneming van de man aan de orde. De man heeft deze onderneming in januari 1995 van zijn ouders overgenomen. Tot het vermogen van de onderneming behoorden destijds (onder andere) de boerderij met 6.20.40 ha grond en daarop rustend een melkquotum van 229.610 kg. De man heeft gesteld dat hij het deel van de boerderij dat als woonhuis werd gebruikt, in 2000 heeft overgebracht van het ondernemingsvermogen naar zijn privévermogen.
In het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden komt het het hof echter, mede gelet op de gewijzigde eis van de vrouw, opportuun voor de voormalige echtelijke woning als behorende tot het ondernemingsvermogen in de verrekening te betrekken. Het hof merkt daarbij op dat de man in zijn vermogensopstelling (productie 16 bij akte uitlating, tevens antwoordakte d.d. 13 augustus 2008) de waarde van het woonhuis eveneens heeft betrokken in het vermogen van de onderneming op 1 januari 2005. Waar het hof in het vervolg spreekt over de onderneming van de man, omvat dit derhalve mede de (gehele) boerderij, de grond en het melkquotum.

5.7

Alvorens het hof over zal gaan tot het berekenen van het te verrekenen vermogen aan de zijde van de man, stelt het hof vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het bij het einde van het huwelijk aanwezige vermogen van de vrouw, verminderd met het door haar ten huwelijk aangebrachte vermogen, € 13.648,- bedraagt, en dat deze vermogensvermeerdering bij de vrouw tussen partijen verrekend dient te worden, zodat aan de man toekomt een bedrag van € 6.824,-.

5.8

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad strekt een verrekenbeding als voorkomend in de huwelijkse voorwaarden van partijen er naar zijn aard toe dat periodiek wordt verrekend hetgeen van de inkomsten van partijen wordt bespaard, waarna elk van de echtgenoten vervolgens in staat is zijn aandeel in de besparingen - door belegging - te besteden aan vorming en vermeerdering van het eigen vermogen. Laten partijen, zoals in dit geval, tijdens het huwelijk deling van de overgespaarde inkomsten achterwege, dan moet daaraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, mede in verband met de aard van het verrekenbeding, het gevolg worden verbonden dat partijen bij het einde van het huwelijk alsnog tot verrekening overgaan en dat in deze verrekening ook wordt betrokken de vermogensvermeerdering, die is ontstaan door hetgeen uit de inkomsten van een echtgenoot is bespaard maar ongedeeld is gebleven. Hetzelfde geldt voor een belegging die is gefinancierd met geleend geld, voor zover de lening is afgelost met bespaarde maar onverdeeld gebleven inkomsten. Deze regels zijn neergelegd in artikel 1:141 lid 1 BW en voor zover het gaat om de aflossing van een schuld die met het oog op de verwerving van een goed is aangegaan in artikel 1:136 lid 1 BW.

5.9

Onverschillig is of de tijdens het verrekentijdvak verrichte belegging geschiedt in vermogen van een van de echtgenoten dat tijdens dat tijdvak dan wel reeds voordien is verworven. Voor beide situaties geldt immers in gelijke mate dat de overgespaarde inkomsten, die naar de aard van het periodieke verrekenbeding bestemd waren om na verrekening door ieder van de echtgenoten benut te (kunnen) worden voor vermogensvermeerdering door belegging in eigen vermogen, zonder tussen de echtelieden te zijn verrekend voor belegging in het vermogen van slechts een van de echtgenoten zijn aangewend. Aldus is, in strijd met aard en strekking van het verrekenbeding, aan de andere echtgenoot de kans ontnomen deze inkomsten (na verrekening) in eigen vermogen te beleggen en daardoor vermogensvermeerdering te bereiken.

5.10

In het licht van de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 10 juli 2009, LJN: BI4387) waarvan hiervoor de essentie is weergegeven, dient dan ook geen onderscheid te worden gemaakt tussen de situatie waarin de onderneming door de man is verworven voor het huwelijk en de situatie waarin dit door hem is verworven tijdens het huwelijk. Het gaat in de kern om de vraag of er in het verrekentijdvak aflossingen zijn gedaan uit te verrekenen inkomen op een schuld die is aangegaan in verband met de verwerving van de onderneming door de man.

5.11

Vast staat dat de man op 1 januari 1995 de boerderij met bijgebouwen, ondergrond en 6.20.40 ha cultuurgrond heeft gekocht voor fl. 314.000,- welke koopprijs destijds in overeenstemming was met de agrarische waarde. Voorts heeft de man de roerende zaken voor de boekwaarde overgenomen en heeft hij de rundveestapel voor de waarde op grond van de vermogensbelasting overgenomen. Daarnaast heeft de man een melkquotum van 229.610 kg om niet van zijn vader verkregen. De man heeft blijkens de hypotheekakte van 20 september 1995 een financiering bij de Rabobank afgesloten ter hoogte van fl. 400.000,-. Voorts heeft de man een lening bij zijn ouders afgesloten ter hoogte van fl. 50.000,- en heeft hij zelf een bedrag van fl. 92.000,- ingebracht.
In de akte van koop en levering is een zogenaamde meerwaardeclausule opgenomen, inhoudende dat de man, indien hij de boerderij binnen tien jaar na 1 januari 1995 zal verkopen en/of hij het melkquotum binnen tien jaar zal verkopen, verleasen, verhuren, of anderszins zal overdragen, hij (een deel van) de te realiseren opbrengst hiervan aan zijn vader dient te betalen.
De man heeft op 15 mei 2000 20.000 kg melkquotum gekocht voor fl. 79.000,- (€ 35.848,-) en in december 2000 6.20.10 ha grond voor fl. 449.572,- (€ 204.007,-).

5.12

Partijen hebben niet voldaan aan de overeengekomen verrekenplicht in de huwelijkse voorwaarden zodat - op grond van artikel 1:141 lid 3 BW - wordt vermoed dat hun beider vermogens op de peildatum, 1 januari 2005, zijn gevormd uit inkomsten die verrekend hadden moeten worden. In het licht van het in artikel 1:141 lid 3 BW verwoorde uitgangspunt ligt het dan ook op de weg van de man om aannemelijk te maken dat en voor welk deel de waarde van de onderneming, niet behoort tot het te verrekenen vermogen, in het bijzonder dat de aflossingen op de schulden die met het oog op de verwerving en uitbreiding van de onderneming zijn aangegaan, niet zijn verricht uit overgespaarde inkomsten die verrekend hadden moeten worden.

5.13

De door de rechtbank bij vonnis van 4 maart 2009 benoemde deskundige [deskundige 1] AA, werkzaam bij Accon AVM adviseurs en accountants, heeft in haar rapportage van 28 september 2010 berekend dat tijdens de huwelijkse periode, 24 april 1998 tot en met 31 december 2004, op de bancaire schulden voor een bedrag van € 67.930,- aan normale aflossingen is gedaan terwijl over die periode een bedrag van € 280.189,- aan extra aflossingen is gedaan. De rechtbank heeft vervolgens in haar vonnis van 23 februari 2011 overwogen dat bij de verrekening moet worden uitgegaan van het bedrag aan normale aflossingen, omdat uit de stukken kan worden afgeleid dat die aflossingen hebben plaatsgevonden met inkomen dat tussen partijen verrekend had moeten worden.

5.14

Het hof constateert dat partijen geen grief hebben gericht tegen voornoemde overweging van de rechtbank. Zij lijken er tot op heden van uit te gaan dat de aflossingen op de financiering van de onderneming van de man in de periode waarover verrekend dient te worden, op grond van de vigerende huwelijkse voorwaarden voor € 67.930,- ten laste van bespaarde en onverdeeld gebleven inkomsten zijn gekomen. Zodoende heeft ook het hof van dit uitgangspunt uit te gaan en zal dientengevolge moeten worden bezien in hoeverre vermogensvermeerdering is ontstaan als gevolg van deze aflossingen die zijn gedaan op de hypothecaire lening(en) aangegaan voor de verwerving en de uitbreiding van de onderneming van de man.

5.15

De vrouw heeft een nominale vergoeding ontvangen voor de kosten die zij vanuit haar privévermogen heeft gemaakt voor een verbouwing van de woning. Voor zover de vrouw zich in incidenteel appel op het standpunt heeft gesteld dat voor verrekening eveneens in aanmerking komt de waardestijging die de woning heeft ondergaan doordat de woning in de loop van het huwelijk is verbouwd en verbeterd door aanwending van leningen waarop tijdens het huwelijk met overgespaarde inkomsten is afgelost, gaat het hof - mede gelet op de gemotiveerde betwisting van de man - aan deze stelling voorbij. De vrouw heeft niet onderbouwd dat in de voormalige echtelijke woning verbeteringen zijn aangebracht of verbouwingen zijn gedaan die meer inhouden dan regulier onderhoud of noodzakelijke moderniseringen.

De berekening

5.18

Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen zal een berekening van het tussen partijen te verrekenen bedrag opgesteld dienen te worden. Het hof neemt daarbij het volgende tot uitgangspunt. De man heeft de onderneming en de daartoe behorende boerderij, grond en melkquotum ten huwelijk aangebracht. De verkrijging van de onderneming is gefinancierd met een geldlening waarop tijdens het huwelijk is afgelost. Op 15 mei 2000 heeft de man 20.000 kg melkquotum gekocht en in december 2000 heeft de man 6.20.10 ha grond gekocht. Nu daarover geen informatie is verstrekt zal het hof ervan uitgaan dat deze grond op 1 december 2000 is gekocht en geleverd. Het melkquotum en de (extra) grond behoorden toe aan de onderneming en zijn naar het oordeel van het hof te beschouwen als waardevermeerderende investeringen, zodat zij in zoverre als belegging in de onderneming aangemerkt dienen te worden. Deze investeringen zijn eveneens gefinancierd met een (verhoging van de) geldlening waarop tijdens het huwelijk is afgelost.

5.19

Teneinde tot een berekening van het te verrekenen bedrag te komen ziet het hof zich voor de keuze gesteld tussen diverse in de rechtspraak en literatuur ontwikkelde berekeningswijzen. Het hof volstaat er in dit stadium mee twee van deze mogelijk te hanteren berekenmethoden te benoemen, waarbij opgemerkt wordt dat de redelijkheid van de resultaten die uit welke berekening dan ook volgen, steeds getoetst zal dienen te worden.

De eerste mogelijk toe te passen berekenmethode hanteert de volgende formule:
v = {[a: w1] + [a:(w2 + h)]} x w3, waarbij heeft te gelden dat:

v = het bedrag dat verrekend moet worden;

a = de aflossingen tijdens huwelijk ten laste van te verrekenen inkomsten of vermogen op de hypotheekschuld;

h = het bedrag van de hypothecaire lening waarmee de investering is betaald;

w1= waarde van de onderneming ten tijde van het aangaan van het huwelijk;

w2 = waarde van de onderneming voor de investeringen;

w3 = waarde van de onderneming op de peildatum.
Dit leidt tot de volgende berekening van het te verrekenen bedrag: {[€ 67.930,- : waarde onderneming [in 1998]] + [€ 67.930,- : (waarde onderneming op 15 mei 2000/ 1 december 2000 + geldlening ten behoeve van de financiering van de aankoop van het melkquotum en de grond in 2000)]} x waarde onderneming op 1 januari 2005.

5.20

Nu de investeringen op twee verschillende tijdstippen hebben plaatsgevonden (namelijk op 15 mei 2000 en 1 december 2000), zou evenwel een berekenwijze waarbij de vermogensvermeerdering door aflossingen op de financiering van de onderneming en de vermogensvermeerdering door aflossingen op de financiering van deze investeringen los van elkaar berekend worden, meer voor de hand kunnen liggen. De vermogensvermeerdering ontstaan door aflossingen op de financiering van de onderneming kan alsdan als volgt berekend worden: v = [a:w1] x w3. Het hieruit volgende bedrag dient vervolgens vermeerderd te worden met de vermogensvermeerderingen die zijn ontstaan door aflossingen op de financiering van de investeringen (de aankoop van het melkquotum op 15 mei 2000 en de aankoop van de 60.20.10 ha grond op 1 december 2000), welke als beide volgt berekend kunnen worden: v = [a:w3 + h] x w3.

5.21

Teneinde op een van de hiervoor weergegeven berekenwijzen een verrekenvordering vast te kunnen stellen zal het hof dienen te beschikken over de volgende informatie:

  • -

    de waarde van de onderneming [in 1998];

  • -

    de waarde van de onderneming op 15 mei 2000;

  • -

    de waarde van de onderneming op 1 december 2000;

  • -

    de waarde van de onderneming op 1 januari 2005;

  • -

    de hoogte van de geldlening welke is aangegaan ten behoeve van de financiering van de 20.000 kg melkquotum die de man op 15 mei 2000 heeft gekocht en van de 6.20.10 ha grond die de man in december 2000 heeft gekocht.

5.22

Bij het vaststellen van de verrekenvordering dienen voorts de volgende omstandigheden, zoals deze uit het dossier naar voren zijn gekomen, in aanmerking te worden genomen:
1. De man heeft een vermogensopstelling gemaakt van de aan zijn onderneming toe te kennen waarde per 1 januari 2005 (productie 16 bij de akte uitlating, tevens antwoordakte d.d. 13 augustus 2008). De waarde van de onderneming heeft de man gesteld op € 791.503,40 met de kanttekening dat over de overgang van de woning naar het privévermogen nog belasting geheven kan worden en dat over de winst van het verkochte melkquotum ad. € 188.095,- eveneens nog belasting moet worden betaald. Voorts heeft de man in zijn vermogensopstelling de waarde van de onderneming gebaseerd op de boekwaarde en niet op de waarde in het economisch verkeer. Omtrent de (agrarische) waarde in het economisch verkeer van de onderneming is geen informatie verstrekt.
2. De man heeft in 2002 60.000 kg melkquotum en in 2003 40.000 kg melkquotum verkocht. In 2003 heeft hij voorts de (resterende) 149.610 kg verleast. Met de winst die de man heeft gerealiseerd uit de verkoop van het melkquotum is een herinvesteringsreserve ad € 188.095,- gevormd. De man heeft aanvankelijk bij de overname van de onderneming 229.610 kg melkquotum van zijn ouders om niet verkregen onder de bepaling dat de man bij verkoop, leasing, verhuur dan wel anderszins overdracht van het melkquotum binnen tien jaar na 1 januari 1995 de opbrengst hiervan geheel dient af te dragen aan zijn vader. De man heeft zijn melkquotum binnen tien jaar verkocht dan wel verleast. De vader van de man heeft evenwel afgezien van zijn aanspraak op grond van voornoemde meerwaardeclausule. Zodoende is sprake geweest van een schenking van de vader aan de man in 2002 en 2003, welke schenking buiten de verrekening dient te blijven.
3. In verband met de aankoop van 20.000 kg melkquotum op 15 mei 2000 heeft blijkens de rapportage van bevindingen van [deskundige 1] AA, een herfinanciering plaatsgevonden waarbij de totale langlopende financiering is verhoogd met € 32.786. Bij de aankoop van de 6.20.10 ha grond in december 2000 is opnieuw geherfinancierd en is de financiering van het melkquotum voor een bedrag van € 31.929,- opgegaan in een nieuwe lening (lening Rabobank 921.516). De 6.20.10 ha grond is in december 2000 aangekocht voor € 204.007,-, welk bedrag is gefinancierd door een verhoging van de langlopende financiering met € 157.916. Het restant van de koopsom is voldaan uit de verkoopopbrengst van 1.84.9 ha grond die de man eveneens in 2000 heeft verkocht. Derhalve heeft de man de financiering van de 6.20.10 ha grond voor een bedrag van € 46.091,- uit eigen middelen voldaan.

De rentebetalingen

5.23

De man heeft aan de orde gesteld dat de rechtbank in haar eindvonnis de gedane rentebetalingen heeft meegenomen in de verrekensom. Volgens de man dienen de rentebetalingen buiten beschouwing te worden gelaten nu partijen nimmer onderscheid hebben gemaakt tussen de boerderij dienende als woonhuis ten behoeve van partijen en als behorend tot de onderneming van de man. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 november 2010 (LJN: BN8027) betoogt de man dat de rentebetalingen gelden als kosten van de huishouding, zijnde verteerde inkomsten.

5.24

Het hof overweegt als volgt. In zijn arrest van 2 maart 2001, LJN: AB0378, ([namen]) heeft de Hoge Raad in het geval dat een der echtelieden gedurende de periode waarover verrekend moet worden aandelen in een besloten vennootschap heeft verworven en de koopprijs heeft betaald met door hem daarvoor geleend geld, geoordeeld dat de rechter, indien de lening waarmee de verwerving is gefinancierd niet volledig ten laste is gekomen van bespaarde en onverdeeld gebleven inkomsten, aan de hand van de beschikbare gegevens zal dienen te begroten voor welk gedeelte de aandelen in de verrekening moeten worden betrokken. Daarbij, zo overwoog de Hoge Raad, dienen niet slechts de aflossingen op de hoofdsom van de geldlening, maar ook de rente en andere kosten en, indien van belang voor een redelijke toerekening, ook de tijdstippen waarop de verschillende betalingen hebben plaatsgevonden of zullen plaatsvinden, in de beschouwing te worden betrokken.

5.25

In het onderhavige geval gaat het niet om verrekening betreffende tijdens huwelijk met geleend geld verworven aandelen, maar betreft het de voor het huwelijk door de man verkregen onderneming, waarvan de voormalige echtelijke woning deel uitmaakt. Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 27 januari 2011, LJN: AU5698, (Schwanen/Hundscheid II), wordt het betalen van hypotheekrente van de echtelijke woning aangemerkt als het voldoen van kosten van de huishouding in de zin van artikel 1:84 lid 1 BW en komen de desbetreffende bedragen dus niet als onverteerd gebleven inkomen voor verrekening in aanmerking. Het gedeelte van de rentebetalingen dat betrekking heeft op de voormalige echtelijke woning dient aldus buiten de verrekening te blijven, terwijl het gedeelte van de rentebetalingen dat betrekking heeft op de hypothecaire leningen welke de man heeft afgesloten ten behoeve van zijn onderneming, op grond van het hiervoor aangehaalde arrest [namen] bij het vaststellen van de verrekenvordering 'in de beschouwing zal dienen te worden betrokken'.

5.26

Naar het oordeel van het hof bestaat evenwel geen aanleiding de betaalde rente op de bedrijfsleningen (nominaal) in de verrekening te betrekken. Het hof overweegt hiertoe dat het betalen van rente niet leidt tot een vermogensvermeerdering aan de zijde van de man, zodat betaalde rente moeilijk als belegging beschouwd kan worden. De rentebetalingen op de bedrijfsleningen betreffen naar het oordeel van het hof kosten, welke de man gemaakt heeft teneinde met zijn onderneming inkomsten te genereren; inkomsten die ook aan de vrouw ten goede komen. De betaalde rente aldus in de beschouwing te hebben betrokken, concludeert het hof dat (ook) deze rentebetalingen in het onderhavige geval niet tot enige verrekening dienen te leiden.

Tussentijdse conclusie

5.29

 Het hof heeft, naar aanleiding van het vorenstaande, behoefte aan nadere inlichtingen en zal daarom - alvorens verder te beslissen - een (meervoudige) comparitie van partijen gelasten. Ter comparitie zal het hof in ieder geval de volgende punten aan de orde stellen ten behoeve van behandeling:
- de wijze van berekenen van het te verrekenen vermogen;
- de aan de onderneming toe te kennen waarde [in 1998], 15 mei 2000, 1 december 2000 en 1 januari 2005;
- de betekenis van de meerwaardeclausule in de akte van koop en levering ten aanzien van het melkquotum en de daarmee verband houdende herinvesteringsreserve;
- de wijze van financiering van de in 2000 aangekochte grond en het melkquotum.
In het verlengde daarvan zal het hof, in het licht van de stellingen van partijen, het vervolg van de procedure met hen bespreken.
Tenslotte zal de comparitie uitdrukkelijk worden benut voor het beproeven van een minnelijke regeling.

5.30

Partijen dienen zich bij akte uit te laten over hetgeen het hof heeft overwogen in de rechtsoverwegingen 5.14 tot en met 5.18.

De slotsom

5.33

Het hof zal een meervoudige comparitie van partijen gelasten voor het verkrijgen van inlichtingen als hiervoor in rechtsoverweging 5.23 overwogen en voor het beproeven van een minnelijke regeling.

5.34

Partijen dienen de in rechtsoverweging 5.24 bedoelde akte uitlating uiterlijk vier weken voorafgaand aan de datum van de comparitie bij akte in het geding te brengen.

5.35

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het gerechtshof:

alvorens verder te beslissen:

beveelt een verschijning van partijen in persoon, vergezeld van de raadslieden, tot het geven van inlichtingen over in ieder geval de in rechtsoverweging 5.23 genoemde punten;

bepaalt dat deze verschijning van partijen zal worden gehouden in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden op een nader te bepalen dag en uur voor een meervoudige kamer van dit hof;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 3 september 2013 voor opgave van de verhinderdata van partijen en van hun raadslieden voor de periode van drie maanden na bovengenoemde rolzitting, waarna het hof dag en uur van de verschijning zal vaststellen;

bepaalt dat partijen de in rechtsoverweging 5.24 bedoelde akte uiterlijk vier weken voorafgaand aan de datum van de comparitie bij akte in het geding dienen te brengen;

verstaat, voor het geval één van partijen zich tijdens vorenbedoelde comparitie wenst te beroepen op de inhoud van andere nog niet in het geding gebrachte schriftelijke bescheiden, dat deze bescheiden ter comparitie bij akte in het geding moeten worden gebracht, alsmede dat een kopie van die akte uiterlijk twee weken voor de datum van de comparitie moeten worden gezonden aan de griffie van het hof en aan de wederpartij;

bepaalt dat bij deze comparitie geen gelegenheid bestaat pleitnotities voor te dragen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch, mr. M.M.A. Wind en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

dinsdag 23 juli 2013.