Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:3593

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
01-09-2015
Datum publicatie
09-09-2015
Zaaknummer
200.165.908/01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBAMS:2014:8207, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot vervangende toestemming voor verhuizing naar Argentinië, eigen belang kind in verband met geworteldheid.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Verdrag inzake de rechten van het kind 3 en 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2015/178 met annotatie van M.A. Zon
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

Uitspraak: 1 september 2015

Zaaknummer: 200.165.908/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/13/559797 / FA RK 14-1246

in de zaak in hoger beroep van:

[de man] ,

wonende te [a] ,

appellant in principaal hoger beroep,

geïntimeerde in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. R.K. Uppal te Amsterdam,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [b] , Argentinië,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

advocaat: mr. S. Scheimann te Rotterdam.

1 Het geding in hoger beroep

1.1.

Partijen worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.

1.2.

De man is op 4 maart 2015 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 4 december 2014 van de rechtbank Amsterdam, met kenmerk C/13/559797 / FA RK 14-1246.

1.3.

De man heeft op 19 maart 2015 nadere stukken ingediend.

1.4.

De vrouw heeft op 4 mei 2015 een verweerschrift ingediend en heeft daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld.

1.5.

De man heeft op 2 juni 2015, 20 juli 2015 en 21 juli 2015 nadere stukken ingediend.

1.6.

De man heeft op 17 juni 2015 een verweerschrift in het hoger beroep van de vrouw ingediend.

1.7.

De vrouw heeft op 13 juli 2015 en 21 juli 2015 nadere stukken ingediend.

1.8.

De zaak is op 23 juli 2015 ter terechtzitting behandeld.

1.9.

Ter terechtzitting zijn verschenen:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- mr. Scheimann namens de vrouw;

- mevrouw C. Geldof, vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam (hierna: de Raad).

1.10.

De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn een geregistreerd partnerschap aangegaan [in] 2005. Het geregistreerd partnerschap is op 31 mei 2007 ontbonden door inschrijving van de ontbindingsbeschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 april 2007 in de registers van de burgerlijke stand. Uit het geregistreerd partnerschap van partijen is [naam minderjarige] ( [de minderjarige] ) geboren [in] 2006. De ouders oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag uit over [de minderjarige] .

De man heeft de Argentijnse nationaliteit. De vrouw en [de minderjarige] hebben de Nederlandse en Argentijnse nationaliteit.

Partijen zijn in januari 2006 uiteengaan. Na haar vertrek heeft de vrouw negen maanden in een blijf-van-mijn-lijfhuis verbleven.

2.2.

Bij vonnis in kort geding van 5 juli 2007 heeft de voorzieningenrechter de vrouw - onder meer - veroordeeld haar medewerking te verlenen aan de totstandkoming en uitvoering van een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] .

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 11 juni 2008 is een zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] vastgesteld, welke regeling door dit hof bij beschikking van 31 maart 2009 is aangepast.

Bij vonnis in kort geding van 25 september 2008 heeft de voorzieningenrechter een nadere zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] vastgesteld.

Eind oktober/begin november 2008 heeft de vrouw de zorgregeling stopgezet.

Bij vonnis in kort geding van 4 december 2008 heeft de voorzieningenrechter - onder meer - bepaald dat de vrouw de beschikking van 11 juni 2008 dient na te leven.

2.3.

Eind 2008 is de vrouw, zonder toestemming van de man, met [de minderjarige] naar Argentinië vertrokken.

2.4.

Bij beschikking van dit hof van 31 maart 2009 is bepaald dat [de minderjarige] per twee weken de ene week van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft en de andere week op vrijdag van 9.00 uur tot 17.00 uur, alsmede de helft van de officiële vakanties en officiële feestdagen.

2.5.

Bij beschikking van de rechtbank Amsterdam van 24 november 2010 is aan de man vervangende toestemming verleend om [de minderjarige] te erkennen. Die erkenning heeft op 11 maart 2011 plaatsgevonden.

2.6.

In Argentinië hebben partijen geprocedeerd over de vraag of [de minderjarige] naar Nederland dient te worden teruggeleid. Het Hooggerechtshof van Argentinië heeft op 11 juni 2013 geoordeeld dat sprake is van een ongeoorloofde overbrenging van [de minderjarige] naar Argentinië en bepaald dat [de minderjarige] naar Nederland dient te worden teruggeleid.

Partijen hebben in onderling overleg afgesproken dat [de minderjarige] zijn schooljaar in Argentinië kon afmaken, waarna de vrouw op 26 januari 2014 met [de minderjarige] is teruggekeerd naar Nederland.

Gedurende het verblijf van [de minderjarige] in Argentinië heeft geen contact tussen hem en de man plaatsgevonden.

2.7.

Bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van 31 maart 2014 is de vrouw - onder meer - veroordeeld tot nakoming van de bij beschikking van dit hof van 31 maart 2009 vastgestelde zorgregeling, waarbij is bepaald dat de omgang zal worden opgebouwd en gedurende enige tijd onder begeleiding zal plaatsvinden.

2.8.

De Raad heeft op verzoek van de rechtbank onderzoek verricht en op 27 juni 2014 rapport uitgebracht. Dat rapport is ingetrokken na een gegrond bevonden klacht van de man, waarna een nieuw onderzoek heeft plaatsgevonden en op 23 oktober 2014 rapport is uitgebracht. Daarin heeft de Raad - kort gezegd - geconcludeerd dat het niet in het belang van [de minderjarige] is om diens hoofdverblijfplaats te wijzigen noch om aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen om met [de minderjarige] naar Argentinië te verhuizen.

2.9.

De vrouw is, kort nadat haar bij de bestreden beschikking vervangende toestemming tot verhuizing met [de minderjarige] was verleend, met [de minderjarige] naar Argentinië vertrokken en vormt met hem aldaar een eenoudergezin.

2.10.

De man leeft samen met zijn partner en haar kind. Uit een eerdere relatie van de man is een, inmiddels meerderjarige, dochter geboren.

3 Het geschil in hoger beroep

3.1.

Bij de bestreden beschikking is:

- bepaald dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijfplaats bij de vrouw zal hebben;

- aan de vrouw vervangende toestemming verleend om met [de minderjarige] naar Argentinië te verhuizen;

- de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de ouders aldus bepaald dat met ingang van de datum van die beschikking de man en [de minderjarige] eenmaal per week één uur contact hebben via Skype, in onderling overleg nader te bepalen, en dat de man [de minderjarige] bij zich heeft:

- eenmaal per jaar in Nederland gedurende minimaal twee weken, al dan niet aaneengesloten, in onderling overleg nader te bepalen, waarbij beide ouders de helft van de reiskosten van [de minderjarige] dienen te dragen;

- eenmaal per jaar in Argentinië gedurende minimaal twee weken, al dan niet aaneengesloten, in onderling overleg nader te bepalen;

- bepaald dat de man hetgeen hij gedurende deze procedure ten behoeve van [de minderjarige] heeft bijgedragen niet van de vrouw kan terugvorderen.

Deze beschikking is gegeven op - kort gezegd - het inleidend verzoek van de vrouw en het zelfstandig verzoek van de man, zoals gespecificeerd in de bestreden beschikking.

3.2.

De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- het verzoek van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming om met [de minderjarige] naar Argentinië te verhuizen af te wijzen;

- primair te bepalen dat [de minderjarige] zijn hoofdverblijf bij hem zal hebben, waarbij de vrouw [de minderjarige] wekelijks bij zich heeft van vrijdag uit school tot maandag naar school, subsidiair te bepalen dat [de minderjarige] (iets minder dan) drie dagen per week bij hem verblijft van maandag uit school tot donderdag naar school, meer subsidiair te bepalen dat hij [de minderjarige] de ene week heeft van maandag uit school tot donderdag naar school, en in de wisselende week van donderdag uit school tot vrijdag naar school;

- te bepalen de [de minderjarige] een gelijk deel van de vakanties en feestdagen bij beide ouders doorbrengt;

- althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist zal achten.

3.3.

De vrouw verzoekt de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dat beroep ongegrond te verklaren. In incidenteel hoger beroep verzoekt zij, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre:

- te bepalen dat de man een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal betalen van € 300,- per maand, althans een zodanig bedrag als het hof juist zal achten met ingang van een zodanige datum als het hof juist zal achten;

- naar het hof begrijpt, indien haar grief 1 niet (geheel) gegrond wordt verklaard, te bepalen dat de reiskosten van [de minderjarige] inclusief de kosten van een retourticket voor [de minderjarige] en haar één keer per jaar voor rekening van de man alleen komen.

4 Beoordeling van het hoger beroep

hoofdverblijfplaats en verzoek tot vervangende toestemming

4.1.

De man voert aan dat aan het belang van [de minderjarige] bij de fysieke nabijheid van zijn beide ouders doorslaggevende betekenis dient te worden gehecht en voorts dat de vrouw niet heeft aangetoond dat er voor haar een noodzaak bestaat om naar Argentinië te verhuizen. Bij de weging van de aspecten die in zijn algemeenheid een rol spelen bij het belang van het kind, zoals de invloed van procederen op het kind, de sociale contacten, de culturele worteling en de wens van het kind zelf, dient, zo stelt de man, in de gegeven omstandigheden grote terughoudendheid te worden betracht, gezien het feit dat de vrouw het contact tussen de man en [de minderjarige] gedurende het grootste deel van diens leven heeft gefrustreerd doordat zij hem ongeoorloofd naar Argentinië heeft overgebracht en ook in de eerste periode na terugkeer in Nederland contact heeft afgehouden. Na haar terugkeer met [de minderjarige] naar Nederland heeft zij nagelaten om het verblijf van [de minderjarige] zo draaglijk mogelijk te maken. Er was een kort geding voor nodig om omgang te starten. Verder heeft de man betoogd dat, gelet op de houding van de vrouw in het verleden en de gevolgen daarvan voor [de minderjarige] , de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij hem dient te worden bepaald.

De vrouw heeft het betoog van de man gemotiveerd weersproken.

4.2.

De Raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De situatie is thans anders dan ten tijde van zijn rapport van 23 oktober 2014. Raad heeft benadrukt dat in de relatie van de man en [de minderjarige] sedert het voorjaar van 2014 aanzienlijke verbetering is opgetreden. [de minderjarige] heeft thans vanuit Argentinië een goed Skype-contact met de man. Hij voelt zich in Argentinië thuis en is daar geworteld. Een terugkeer naar Nederland kan traumatisch voor hem zijn en de verwachting is dat een door de man afgedwongen terugkeer bij [de minderjarige] de nodige boosheid ten opzichte van de man zal teweegbrengen en dat die boosheid niet snel zal weggaan, aldus de Raad.

4.3.

Ingevolge het bepaalde in art. 1:253a Burgerlijk Wetboek dient de rechter in geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag een zodanige beslissing te nemen als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Bij deze beoordeling dient de rechter alle omstandigheden van het geval en de belangen van alle betrokkenen in aanmerking te nemen en mee te wegen. Het belang van het kind dient daarbij een overweging van de eerste orde te zijn. Dat neemt niet weg dat, afhankelijk van alle omstandigheden van het geval, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

4.4.

Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats overweegt het hof als volgt.

Uit de stukken is gebleken dat de vrouw zich in het verleden voortdurend weigerachtig heeft opgesteld ten aanzien van de zorgregeling tussen de man en [de minderjarige] , hoewel herhaaldelijk is vastgesteld dat contact met de man in het belang is van [de minderjarige] . Het hof leidt daaruit af dat de vrouw in het verleden zich er onvoldoende rekenschap van heeft gegeven, dat het in het belang van [de minderjarige] is dat hij een goede band met zijn vader kan opbouwen. Ook het feit dat zij [de minderjarige] destijds zonder toestemming van de man naar Argentinië heeft meegenomen en daar met hem ruim vijf jaar heeft verbleven, wijst daarop. Daarmee heeft zij het risico genomen [de minderjarige] tekort te doen. Terecht heeft de man daarvoor in dit geding aandacht gevraagd. Dat neemt echter niet weg dat de vrouw [de minderjarige] sinds zijn geboorte heeft verzorgd, en dat zij de primaire en centrale hechtingsfiguur is voor hem. Aannemelijk is geworden dat [de minderjarige] zich goed heeft ontwikkeld, hetgeen de man ook heeft erkend. Verder is komen vast te staan dat het contact tussen de man en [de minderjarige] , zij het na een kortgedingprocedure in 2014, weer tot stand is gekomen en zich sindsdien positief heeft ontwikkeld. Voorts heeft de man te kennen gegeven dat de verhouding tussen partijen, zij het in een rustig tempo, in positieve zin aan het veranderen is. Onder die omstandigheden acht het hof een wijzing van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] niet in diens belang, zodat de bestreden beschikking op dit punt zal worden bekrachtigd.

4.5.

Ten aanzien van het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot verhuizing naar Argentinië overweegt het hof als volgt.

Vaststaat dat [de minderjarige] het grootste deel van zijn leven en vrijwel zijn gehele schooltijd in Argentinië heeft gewoond, dat zijn moedertaal Spaans is, dat hij in Argentinië een hecht en omvangrijk netwerk heeft (gehad) van familie en vrienden en dat hij het daar destijds naar zijn zin had. Op grond hiervan is komen vast te staan dat [de minderjarige] is geworteld in Argentinië, hetgeen ook de man heeft erkend. Het hof onderkent dat die worteling door toedoen van de vrouw is ontstaan, die immers [de minderjarige] ongeoorloofd ruim vijf jaar lang in Argentinië heeft doen verblijven. Het hof heeft echter bij zijn beslissing toch rekening te houden met die worteling, omdat die betekenis heeft bij de weging van het belang van [de minderjarige] , hoe pijnlijk dat wellicht is voor de man. Het hof zal dan ook die worteling bij de beoordeling van het thans voorliggende geschil in aanmerking nemen. De onderhavige procedure verschilt daarmee in belangrijke mate van de procedure die partijen in Argentinië hebben gevoerd, waarbij als uitgangspunt geldt dat de rechter van de tot teruggeleiding van het kind aangezochte verdragsluitende staat zich juist dient te onthouden van een oordeel omtrent (de uitoefening van) het gezagsrecht en omgangsrecht; daartoe is slechts de rechter van de verdragsluitende staat waarin het kind onmiddellijk voor de ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had, bevoegd.

De worteling van [de minderjarige] in Argentinië brengt mee dat [de minderjarige] een zwaarwegend eigen belang heeft bij een verder verblijf in Argentinië. In die zin verschilt het onderhavige geval wezenlijk van de door de man genoemde gevallen uit eerdere jurisprudentie omtrent internationale verhuizingen. In die zaken hadden de kinderen niet een duidelijk eigen belang bij verhuizing, maar betrof het in Nederland gewortelde kinderen. In die gevallen moest dan ook telkens het belang van de verhuizende ouder worden afgewogen tegen de zwaarwegende belangen van zowel de kinderen als de achterblijvende ouder bij continuering van het verblijf van de kinderen in Nederland.

Met de man is het hof van oordeel dat de vrouw de noodzaak voor haar tot verhuizing niet, althans onvoldoende, aannemelijk heeft gemaakt. Gebleken is dat de vrouw in Argentinië over een woning beschikt en een dienstverband heeft, doch daaraan kan niet de gevolgtrekking worden verbonden dat zij noodzakelijkerwijs naar Argentinië moest verhuizen met het oog op werk en huisvesting. De vrouw heeft niet, althans onvoldoende aangetoond dat zij zich na haar terugkeer in Nederland voldoende heeft ingespannen om ook in Nederland een bestaan op te bouwen. Dat geldt te meer nu de vrouw al vóór haar relatie met de man vele jaren in Nederland heeft gewoond en mede de Nederlandse nationaliteit heeft, en dus geacht moet worden haar weg in Nederland te kunnen vinden. Gelet op het eigen belang van [de minderjarige] bij verblijf in Argentinië kent het hof hieraan in het onderhavige geval evenwel minder gewicht toe.

Niet in geschil is dat [de minderjarige] , door een verhuizing naar Argentinië aanzienlijk minder contact zal hebben met de man, zijn grootmoeder in Nederland en zijn halfzus. Tijdens het verblijf van [de minderjarige] in Nederland in 2014 heeft, overeenkomstig het vonnis in kort geding van 31 maart 2014, omgang tussen hem de man plaatsgevonden en heeft [de minderjarige] zijn grootmoeder en halfzus eveneens regelmatig gezien. Als verhuizing naar Argentinië zal worden toegestaan, zal de zorgregeling moeten worden teruggebracht naar een bij de grote geografische afstand passend contact. Daar staat tegenover dat bij een verblijf van [de minderjarige] in Nederland, het contact tussen [de minderjarige] en zijn familie en vrienden in Argentinië, met wie hij evenals met de man - een zeer hechte band heeft, evenzeer aanzienlijk zal verminderen.

De man heeft twijfels geuit over de medewerking van de vrouw aan een internationale zorgregeling, hetgeen het hof gezien de houding van de vrouw in het verleden begrijpelijk acht. Niettemin is de huidige situatie wezenlijk anders dan die in de periode vóór de teruggeleiding van [de minderjarige] naar Nederland. Na de teruggeleiding van [de minderjarige] in 2014 heeft uiteindelijk immers veelvuldig contact tussen de man en [de minderjarige] plaatsgevonden en voorts is gebleken dat [de minderjarige] het contact met de man zeer belangrijk vindt alsmede dat de vrouw haar gedrag daarop inmiddels heeft afgestemd.

Het betoog van de man dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling praktisch onuitvoerbaar is vanwege zijn vliegangst, de met de zorgregeling gepaard gaande kosten en zijn werkzaamheden in zijn restaurant overtuigt het hof niet. De man is tijdens de procedures in Argentinië in staat gebleken naar Argentinië te vliegen en in het licht daarvan heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat zijn vliegangst in de weg staat aan een (jaarlijks) bezoek aan Argentinië. Verder gaat het hof ervan uit dat de man als eigenaar zijn werkzaamheden in het restaurant kan aanpassen aan de geldende zorgregeling. Ten slotte kan van de man worden gevergd dat hij de kosten voor de reis van [de minderjarige] naar Nederland (en terug) bij helfte draagt, naast de kosten die verband houden met de reis van hem naar Argentinië.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen, is het hof van oordeel dat, ondanks de problematische voorgeschiedenis van de verhuizing van de vrouw naar Argentinië, een verblijf in Argentinië het meest tegemoet komt aan de belangen van [de minderjarige] . Alles afwegend acht het hof die belangen doorslaggevend. Aan de vrouw is dus terecht vervangende toestemming tot verhuizing met [de minderjarige] naar Argentinië verleend. Voor zover de man heeft betoogd dat de vervangende toestemming tot verhuizing in strijd is met de artikelen 3 en 9 IVRK, dan wel artikel 8 EVRM volgt het hof hem daarin niet, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking in zoverre zal worden bekrachtigd.

Uitgaande van de situatie dat aan de vrouw vervangende toestemming tot verhuizing wordt verleend, hebben partijen de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet ter discussie gesteld. De daarop betrekking hebbende verzoeken van de man in hoger beroep zien immers slechts op de situatie dat vervangende toestemming zou worden geweigerd en [de minderjarige] zou terugkeren naar Nederland. Die verzoeken zullen worden afgewezen.

bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] en reiskosten zorgregeling

4.6.

Partijen zijn voorts verdeeld over de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van de man en de vrouw. Verder is in geschil op welke wijze de met de zorgregeling verband houdende reiskosten van [de minderjarige] in aanmerking dienen te worden genomen.

4.7.

Het hof is van oordeel dat de met de zorgregeling verband houdende reiskosten geen onderdeel uitmaken van de behoefte van [de minderjarige] . Het hof ziet echter aanleiding thans eerst de draagkracht van de man beoordelen.

De man heeft genoegzaam onderbouwd dat hij de door hem ontvangen schadevergoeding van de Argentijnse staat van € 96.000,- voor een groot deel in zijn restaurant heeft geïnvesteerd. Verder is gebleken dat de inkomsten uit dat restaurant vooralsnog bescheiden zijn, maar dat de omzet een duidelijk opgaande lijn vertoont en dat de inkomsten in de toekomst naar verwachting navenant zullen toenemen. Tegen die achtergrond kan van de man niet worden gevergd dat hij een andere baan zoekt. Gelet op het feit dat de man fulltime werkzaam is in zijn restaurant kan van hem evenmin worden verwacht dat hij daarnaast werkzaamheden elders verricht, zodat ook dat betoog van de vrouw wordt verworpen. Verder heeft de man zijn standpunt dat hij thans nog beschikt over een vermogen van ongeveer € 15.000,-, maar dat hij dat vermogen nodig heeft om de periode te overbruggen totdat zijn restaurant voldoende rendeert om daaruit de kosten van zijn levensonderhoud te voldoen, in voldoende mate onderbouwd. Tegen die achtergrond kan, anders dan de vrouw stelt, niet van hem worden gevergd dat hij uit dat vermogen een onderhoudsbijdrage voldoet.

Het hof is van oordeel dat de man voldoende inzicht heeft geboden in zijn financiële situatie en zal uitgaan van de door hem ingediende jaarcijfers van zijn onderneming, die door de vrouw niet ter discussie zijn gesteld. Blijkens de jaarcijfers bedroeg het resultaat in 2013 € 7.365,- negatief en in 2014 € 13.233,- positief. Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de vrouw verklaard dat, uitgaande van die cijfers, aan de zijde van de man geen draagkracht aanwezig is, zodat het hof dat als vaststaand zal aannemen. De conclusie is dat de man in het geheel geen draagkracht heeft om een bijdrage te voldoen. Voor zover de vrouw heeft betoogd dat niettemin een bijdrage dient te worden vastgesteld, volgt het hof haar daarin niet, bij gebrek aan een wettelijke grondslag voor dat betoog. Tot slot heeft het hof bij zijn overwegingen betrokken dat de man gelet op de getroffen zorgregeling aanzienlijke zorgkosten zal hebben te betalen.

Gezien het voorgaande zal het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van een onderhoudsbijdrage bij gebrek aan draagkracht van de man worden afgewezen en zal de bestreden beschikking ook op dit punt worden bekrachtigd. De behoefte van [de minderjarige] behoeft daarmee geen verdere bespreking.

4.8.

Gelet op enerzijds hetgeen hiervoor ten aanzien van de draagkracht van de man is overwogen en het feit dat de man naast reiskosten ook andere met de zorgregeling verband houdende kosten heeft en anderzijds de onweersproken gebleven stelling van de vrouw dat zij in Argentinië een beperkt inkomen heeft, acht het hof het met de rechtbank redelijk dat de ouders beiden de helft van de reiskosten van [de minderjarige] dragen. Het verzoek van de vrouw te bepalen dat de reiskosten van haar voor rekening van de man alleen komen, wijst het hof daarom af. Het beroep van de vrouw op de levensstandaard van partijen leidt niet tot een ander oordeel.

4.9.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

5 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.V.T. de Bie, G.B.C.M. van der Reep en J.F.A.M. Graafland-Verhaegen in tegenwoordigheid van mr. B.J. Voerman als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 september 2015.