Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2724

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
30-06-2015
Datum publicatie
01-09-2015
Zaaknummer
200.160.691-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2014:9298, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Reisovereenkomst. Valpartij reiziger in badkamer behorend bij hotelkamer na herhaalde lekkage. Schouderletsel. Reisovereenkomst beantwoordt niet aan verwachtingen die reiziger redelijkerwijs mocht hebben. Aansprakelijkheid reisorganisator voor schade als gevolg van val. Schade op te maken bij staat.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 507
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2015/106
NJF 2015/469
VR 2016/94
JA 2015/144
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.160.691/01

zaaknummer rechtbank (Noord-Holland) : C/15/210138 / HA ZA 14-21

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 30 juni 2015

inzake

CORENDON INTERNATIONAL TRAVEL B.V.,

gevestigd te Lijnden, gemeente Haarlemmermeer,

appellante,

advocaat: mr. J.G. Mahn te Amsterdam,

tegen

[naam X] ,

wonend te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat: mr. J.W. Janssens te Houten.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna Corendon en [X] genoemd.

Corendon is bij dagvaarding van 1 december 2014 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 8 oktober 2014, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen haar als gedaagde en [X] als eiser. Vervolgens heeft [X] aan Corendon een exploot zoals bedoeld in artikel 126 Rv doen uitbrengen, waarbij hij haar heeft aangezegd het hoger beroep te zullen aanbrengen tegen een vroegere datum dan in de dagvaarding vermeld.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 11 mei 2015 doen bepleiten door hun in de aanhef van dit arrest genoemde advocaten, beiden aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd. Bij deze gelegenheid is van weerszijden een nadere productie in het geding gebracht. Partijen hebben voorts enige vragen van het hof beantwoord.

Corendon heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [X] alsnog zal afwijzen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

[X] heeft geconcludeerd, kort gezegd, dat het hof het bestreden vonnis zal bekrachtigen, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

Corendon heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2, 2.1 tot en met 2.11, de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen.

Over de juistheid van die feiten bestaat geen geschil, zodat ook het hof van de aldus vastgestelde feiten zal uitgaan, met dien verstande dat bij de beoordeling van het hoger beroep ook enkele andere, hierna te noemen, feiten zullen worden betrokken die tussen partijen niet in geschil zijn.

Het hof gaat voorts ervan uit dat [X] tijdig heeft geklaagd over hetgeen hij Corendon in dit geding verwijt, aangezien Corendon het oordeel van de rechtbank dat [X] op tijd heeft geklaagd, in de memorie van grieven niet heeft bestreden en zij haar desbetreffende verweer bij pleidooi in hoger beroep uitdrukkelijk heeft prijsgegeven.

3 Beoordeling

3.1.

Partijen zijn in maart 2012 een reisovereenkomst aangegaan waarbij Corendon, als reisorganisator, zich heeft verbonden aan [X] en diens echtgenote, als reizigers, een reis te verschaffen bestaande uit luchtvervoer van Amsterdam naar Ohrid, Macedonië, en terug alsmede verblijf in een tweepersoonskamer in hotel Desaret te Pestani, Macedonië, met ontbijt, van 21 augustus 2012 tot 28 augustus 2012. De reissom bedroeg € 570,50. Partijen zijn daarnaast een annuleringsverzekering overeengekomen, uit hoofde waarvan [X] een premie van € 44,70 verschuldigd was. [X] , destijds 66 jaar oud, en zijn echtgenote hebben de genoemde reis gemaakt.

3.2.

Bij de hotelkamer die op 21 augustus 2012 aan [X] en zijn echtgenote ter beschikking is gesteld en waarin zij toen hun intrek hebben genomen, hoorde een badkamer. Deze was vanuit de hotelkamer toegankelijk door middel van een deur. De vloer van de badkamer was betegeld. In de badkamer bevond zich, onder andere, een recent geplaatste douchecel bestaande uit een douchebak en daarop aangebrachte douchewanden, met een schuifdeur. In de badkamer was geen rubberen antislip douchemat aanwezig. Wel bevond zich daarin een badstoffen doek, die voor de douchecel kon worden gelegd en die aldus kon dienen om druipwater op te vangen.

3.3.

Toen [X] voor de eerste maal van bovenbeschreven douche gebruik maakte, heeft zich een lekkage voorgedaan waarbij water afkomstig uit de douchecel, in de badkamer is gevloeid en op de badkamervloer is blijven staan. [X] heeft daarover geklaagd bij […] , hierna ‘ [de reisleider] ’, die destijds werkzaam was voor Fibula Air Travel, een plaatselijke reisagentuur van wier diensten Corendon gebruik maakte. [de reisleider] trad tijdens de reis op als reisleider voor Corendon. [X] heeft daarbij voorts, en later nogmaals, om een andere hotelkamer gevraagd. Deze is hem aanvankelijk geweigerd.

3.4.

Op 25 augustus 2012 is [X] , na te hebben gedoucht, in de eerder beschreven badkamer ten val gekomen. Hierbij heeft hij zijn rechterschouder bezeerd. Diezelfde dag is hem een andere kamer in het betrokken hotel ter beschikking gesteld. Naar aanleiding van de genoemde val heeft [X] op 25 en 27 augustus 2012 een ziekenhuis te Ohrid, Macedonië, bezocht. Na terugkeer in Nederland heeft hij in verband met aanhoudende schouderklachten zijn huisarts, een fysiotherapeut en een orthopedisch chirurg bezocht. Bij onderzoek aan de hand van een mri-scan is bij hem, onder andere, een zogeheten cuff-ruptuur in zijn rechterschouder vastgesteld. [X] is vervolgens aan die schouder geopereerd in een ziekenhuis te Hoogeveen. Naderhand heeft de betrokken orthopedisch chirurg nog het beeld van een ‘frozen shoulder’ waargenomen.

3.5.

De hierboven weergegeven feiten staan, als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet langer betwist, tussen partijen vast. Onder verwijzing naar die feiten stelt [X] dat Corendon is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de reisovereenkomst tussen partijen, door de onder 3.3 genoemde lekkage en het laten voortduren hiervan nadat hij erover had geklaagd. [X] stelt verder dat hij als gevolg van dit tekortschieten schade heeft geleden, door de onder 3.4 genoemde val en het hierdoor bij hem veroorzaakte schouderletsel. Op deze gronden vordert hij, kort gezegd, dat voor recht wordt verklaard dat Corendon aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade en dat Corendon wordt veroordeeld tot vergoeding van die schade, op te maken bij staat.

3.6.

Bij het bestreden vonnis zijn de vorderingen toegewezen. Tegen dit oordeel en de overwegingen waarop het berust, komt Corendon in hoger beroep op met vijf grieven. De grieven lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Daarbij staat voorop dat het antwoord op de vraag of Corendon in de nakoming van haar verplichtingen uit de reisovereenkomst is tekortgeschoten, zoals [X] stelt en Corendon betwist, afhankelijk is van de verwachtingen die [X] op grond van die overeenkomst redelijkerwijs mocht hebben. Een lekkage zoals onder 3.3 beschreven, waarbij na gebruik van een douchecel buiten die cel water blijft staan op een betegelde badkamervloer, vergroot het risico van een val door uitglijden na het douchen en dus ook het risico van letsel als gevolg van een dergelijke val. [X] mocht daarom redelijkerwijs verwachten dat de beschreven lekkage zou zijn uitgebleven of, in ieder geval, zou zijn verholpen binnen bekwame tijd nadat hij erover had geklaagd. Dit zou slechts anders zijn als in de badkamer toereikende veiligheidsvoorzieningen waren getroffen teneinde uitglijden op een natte vloer te voorkomen. De onder 3.2 genoemde badstoffen doek volstaat daartoe niet en omtrent eventuele andere veiligheidsvoorzieningen is niets gesteld of gebleken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat deze hebben ontbroken. Het bedoelde grotere risico vloeit voort uit de opgetreden lekkage als zodanig en niet uit de mate van gladheid van de badkamervloer afgezien daarvan, zodat de mate waarin die vloer zonder lekkage glad was, geen bespreking behoeft, temeer nu buiten kijf staat dat de vloer niet was voorzien van tegels met een antislipprofiel, die het risico van een val zouden hebben kunnen beperken.

3.7.

[X] heeft gesteld dat nadat hij over de beschreven lekkage had geklaagd bij [de reisleider] , die lekkage niet is verholpen, dat deze zich heeft herhaald bij een volgende keer dat hij van de douche gebruik maakte en dat ook op 25 augustus 2012 na het douchen water op de badkamervloer is blijven staan. Corendon betwist deze stellingen en heeft daartoe in hoger beroep gewezen op een schriftelijke verklaring van [de reisleider] . Die houdt in, voor zover van belang, dat [de reisleider] de klacht van [X] terstond bij de receptie van het hotel heeft gemeld, dat de klacht vervolgens aan de huismeester is doorgegeven en dat deze, na naar de lekkage te hebben gekeken, meteen actie heeft ondernomen. De verklaring van [de reisleider] vermeldt niet waaruit die ‘actie’ heeft bestaan en evenmin dat de lekkage, waarover [de reisleider] heeft verklaard dat hij deze zelf had gezien, daadwerkelijk is verholpen. Corendon heeft haar stelling dat dit laatste wel is gebeurd, niet anderszins onderbouwd, bijvoorbeeld aan de hand van verklaringen van de zijde van het hotel of van haar plaatselijke agent Fibula Air Travel, waaruit dat volgt. Evenmin heeft Corendon toegelicht wat de reden is geweest om aan [X] op 25 augustus 2012, na zijn val en ofschoon hem dit eerder was geweigerd, een andere kamer in het betrokken hotel ter beschikking te stellen. Zij heeft niet aangevoerd dat hiervoor een andere reden heeft bestaan dan de door [X] gestelde herhaalde lekkage. Het voorgaande brengt mee dat Corendon evenals in eerste aanleg, in hoger beroep niet voldoende heeft betwist dat ook op 25 augustus 2012 sprake is geweest van een lekkage zoals onder 3.3 beschreven, zodat dit als vaststaand moet worden aangemerkt. In samenhang met het hierboven overwogene volgt hieruit dat Corendon is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de reisovereenkomst tussen partijen.

3.8.

Anders dan Corendon meent, volgt uit niets dat bovenbedoeld tekortschieten niet aan haar of aan degenen van wier hulp zij bij de uitvoering van de reisovereenkomst gebruik heeft gemaakt, kan worden toegerekend op een grond genoemd in artikel 7:507, tweede lid, BW. Nu vast staat dat de beschreven lekkage zich opnieuw heeft voorgedaan nadat [X] daarover had geklaagd en dus in weerwil van diens klacht niet is verholpen, terwijl zijn verzoek om een andere hotelkamer aanvankelijk niet is ingewilligd, kan Corendon voorts niet worden gevolgd in haar stelling dat zij aan [X] de hulp en bijstand heeft verleend waartoe zij op grond van het bepaalde in artikel 7:507, derde lid, BW was gehouden.

3.9.

[X] heeft gesteld dat zijn onder 3.4 beschreven val het gevolg was van de lekkage die op 25 augustus 2012 is opgetreden, doordat hij na te hebben gedoucht op de natte badkamervloer is uitgegleden en op zijn zijde is gevallen, waarbij door hem voor het douchen op die vloer neergelegde handdoeken zijn weggegleden toen hij, komende uit de douchecel, daarop ging staan. Corendon betwist dat de val het gevolg is geweest van de lekkage op 25 augustus 2012, aangenomen dat deze heeft plaatsgevonden. Zij heeft die betwisting onderbouwd door te wijzen op de mogelijkheid dat de val is veroorzaakt doordat [X] bij het verlaten van de douchecel met zijn voet achter de rand van de douchebak is blijven haken. Aanwijzingen waaruit volgt dat deze mogelijkheid zich heeft verwezenlijkt, ontbreken echter geheel. Ontoereikend daarvoor is de stelling van Corendon dat [X] bij het door hem gestelde uitglijden niet voorover, maar achterover zou zijn gevallen en dat het door Corendon genoemde blijven haken wel strookt met een val naar voren, welke val naar voren Corendon afleidt uit de door [X] in eerste aanleg beschreven toedracht. De desbetreffende stelling houdt wederom niet meer in dan een mogelijkheid, waarbij niet valt in te zien dat het door [X] gestelde uitglijden noodzakelijkerwijs tot een val achterover zou hebben geleid, daargelaten nog dat [X] heeft gesteld op zijn zijde, dus zijwaarts, te zijn gevallen en dit strookt met het optreden van pijnklachten aan zijn rechterschouder.

3.10.

Corendon heeft voorts aangevoerd dat de door [X] neergelegde handdoeken eveneens zouden zijn weggegleden als de badkamervloer droog zou zijn geweest, zodat de beschreven val ook hierom niet als een gevolg van de opgetreden lekkage kan worden aangemerkt. Deze stelling miskent dat sprake is geweest van een lekkage en dat de vloer daardoor in werkelijkheid níet droog was. Corendon gaat bovendien eraan voorbij dat de handdoeken op de badkamervloer waren neergelegd juist wegens de eerdere lekkage, teneinde weglekkend douchewater op te vangen, en dat die doeken op de natte vloer zijn weggegleden nadat zij door weggelekt water waren verzadigd. Gelet op deze omstandigheden wettigt de genoemde stelling van Corendon niet de gevolgtrekking dat de beschreven val ook zou hebben plaatsgevonden zonder de opgetreden lekkage. Het voorgaande brengt mee dat Corendon evenals in eerste aanleg, in hoger beroep niet voldoende heeft betwist dat [X] niet zou zijn gevallen zonder de lekkage, zodat als vaststaand moet worden aangemerkt dat diens val een gevolg is geweest van de lekkage op 25 augustus 2012. In samenhang met het onder 3.7 overwogene volgt hieruit dat Corendon aansprakelijk is voor de schade van [X] als gevolg van de val.

3.11.

Vast staat dat [X] naar aanleiding van de val in Macedonië onder behandeling in een ziekenhuis is geweest, dat hij naderhand ook in Nederland medische bijstand heeft gehad in verband met schouderklachten en dat daarbij in zijn rechterschouder een cuff-ruptuur is vastgesteld, waaraan hij is geopereerd, een en ander zoals onder 3.4 beschreven. Op grond van deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de mogelijkheid dat [X] als gevolg van de val schade heeft geleden, in het bijzonder schouderletsel en hieruit voortvloeiende schade, aannemelijk. Begroting van die schade in dit geding is, bij gebreke van voldoende concrete aanknopingspunten daarvoor, niet mogelijk. Een veroordeling van Corendon tot vergoeding van schade op te maken bij staat, zoals bij het bestreden vonnis uitgesproken, is daarom op zijn plaats. Anders dan Corendon kennelijk meent, is voor een zodanige veroordeling niet vereist dat reeds vast staat dat, en in welk opzicht of welke opzichten, [X] schade heeft geleden. In de schadestaatprocedure zal de omvang van de schade moeten worden vastgesteld. Daarbij zal tevens aan de orde kunnen komen welke schade Corendon als een gevolg van de val kan worden toegerekend, mede rekening houdend met de leeftijd van [X] , en of sprake is van een grond voor vermindering van de vergoedingsplicht van Corendon, zoals bedoeld in artikel 6:101 BW.

3.12.

De slotsom uit het bovenstaande is dat de grieven tevergeefs zijn voorgesteld en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Corendon heeft geen feiten gesteld en te bewijzen aangeboden die, indien bewezen, kunnen leiden tot andere oordelen dan hierboven gegeven. Haar bewijsaanbiedingen in de memorie van grieven worden daarom, als niet ter zake dienend, gepasseerd. Corendon zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

4 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Corendon in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [X] begroot op € 401,80 aan verschotten en € 2.682,- voor salaris advocaat en op € 131,- voor nasalaris van de advocaat, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de zojuist genoemde kostenveroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden alsmede, als betaling binnen veertien dagen uitblijft, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het verstrijken van de genoemde termijn tot aan de dag van voldoening;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.H.F.M. Cortenraad, J.E. Molenaar en W.F.R. Rinzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015.