Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2299

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
16-06-2015
Datum publicatie
25-06-2015
Zaaknummer
200.043.353-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkgeversaansprakelijkheid. Art. 7:658 BW. Bekendheid t.t.v. blootstelling met de gevaren van mesothelioom bij het werken met wit asbest. Na deskundigenbericht acht het hof oorzakelijk verband tussen ziekte en asbestblootstelling aanwezig.Zie ook: ECLI:NL:GHAMS:2011:BP8854 en ECLI:NL:GHAMS:2011:3132.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2015/1202
AR 2015/1196
JA 2015/117 met annotatie van mr. P.J. klein Gunnewiek
AR-Updates.nl 2015-0594
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team II

zaaknummer : 200.043.353/01

zaaknummer rechtbank : 353366/CV EXPL 07-6559

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 16 juni 2015

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TATA STEEL IJMUIDEN B.V., als rechtsopvolgster van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Corus Staal B.V.,

gevestigd te IJmuiden,

appellante,

advocaat: mr. A. van Hees te Amsterdam,

tegen

de erven van [geïntimeerde], vertegenwoordigd door [X], in zijn hoedanigheid van opvolger onder algemene titel in de nalatenschap van [geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. R.F. Ruers te Utrecht.

1 Verder verloop van het geding

Partijen worden hierna Corus en (geïntimeerden gezamenlijk) [geïntimeerde] genoemd.

In deze zaak heeft het hof op 20 september 2011 een tussenarrest uitgesproken. Voor het verloop van het geding tot die datum wordt verwezen naar dat arrest.

Bij dat tussenarrest heeft het hof prof.dr.ir. D.J.J. Heederik en dr.ir. R. Houba tot deskundigen benoemd om het onderzoek naar aanleiding van de in dat arrest onder 1 t/m 5 geformuleerde vragen te verrichten.

Op 19 december 2013 is het deskundigenbericht ingekomen bij het hof.

Partijen hebben gelijktijdig een memorie na deskundigenbericht (met producties) genomen.

Bij brief van 17 maart 2014 hebben de deskundigen zich opnieuw tot het hof gewend en aanvullende informatie verstrekt.

Beide partijen hebben daarop bij gelijktijdig genomen akte gereageerd.

Vervolgens hebben partijen wederom arrest gevraagd.

2 Verdere beoordeling

2.1.

Het hof verenigt zich met de bevindingen van de deskundigen en zal dat hierna toelichten.

2.2.

De eerste vraag die het hof heeft gesteld, luidt als volgt: is [geïntimeerde] in de periode 1965-1976 bij en gedurende zijn werkzaamheden aan de hardingswalsen blootgesteld geweest aan wit asbest afkomstig van asbesthoudende onderdelen van de hardingswalsen en spantkranen in een mate die schadelijk kan zijn geweest voor zijn gezondheid?

2.3.

De deskundigen hebben hierop het volgende geantwoord: op grond van de beschikbare informatie moet blootstelling aan wit asbest voor de heer [geïntimeerde] plausibel worden geacht. Voor een onderbouwing daarvan wordt verwezen naar paragraaf 6 van dit deskundigenbericht. De mate waarin de blootstelling heeft plaatsgevonden wordt door ons gezondheidskundig zeker relevant geacht, zeker voor het gezondheidseindpunt mesothelioom. De beschikbare informatie laat een andere dan deze algemene uitspraak niet toe. Er is onvoldoende informatie over het niveau, de frequentie en de duur van de blootstelling om een eventuele kwantitatieve risico-analyse uit te voeren.

2.4.

In paragraaf 6 van het rapport hebben de deskundigen tot uitgangspunt genomen dat het gebruik van asbest in de remmen en koppelingsplaten van kranen en walsen vast staat en dat niet is betwist dat deze (het hof begrijpt: remmen en koppelingsplaten) als diffuse bronnen van asbest in de walserij aanwezig zijn geweest. De kernvraag is volgens de deskundigen of deze diffuse bronnen tot blootstelling aan asbest kunnen hebben geleid bij werkzaamheden aan de wals. Op basis van twee interne notities van (destijds) Hoogovens achten de deskundigen overtuigend aangetoond dat als gevolg van slijtage van remmen van de kranen asbest aanwezig kan zijn in het stof dat neerslaat onder en in de omgeving van de kranen. De deskundigen hebben zich daarbij rekenschap ervan gegeven dat de interne onderzoeken niet allemaal betrekking hadden op de walserij waar [geïntimeerde] zijn werkzaamheden uitvoerde. De deskundigen hebben vervolgens op basis van eerdergenoemd onderzoek zeer plausibel geacht dat zich gezondheidsrelevante hoeveelheden asbest in de omgevingslucht rondom kranen kan hebben bevonden. Ook hierbij hebben zij zich rekenschap ervan gegeven dat het bedoelde onderzoek niet direct betrekking had op de walserij. De deskundigen zijn tot dezelfde bevindingen gekomen met betrekking tot de diverse toepassingen van asbest op de walsen. Zij hebben daarbij in het bijzonder verwezen naar het periodiek schoonspuiten van de motoren van de wals met perslucht, een activiteit met directe blootstelling aan asbest. De deskundigen hebben opgemerkt zich te realiseren dat er geen meetgegevens beschikbaar zijn op dit punt.

2.5.

Op grond van het deskundigenbericht beantwoordt het hof de eerste aan de deskundigen voorgelegde vraag bevestigend. De deskundigen hebben uitvoerig gemotiveerd op basis van welke uitgangspunten en gegevens zij tot hun oordeel zijn gekomen. Zij hebben daarbij ook toegelicht dat en waarom een aantal door hen gesignaleerde beperkingen niet afdoet aan hun conclusies. Het hof ziet geen aanleiding tot twijfel aan de geldigheid van de door de deskundigen gevolgde redeneringen en de daaruit door hen getrokken conclusies. Het hof verwerpt daarom de kanttekeningen die van de zijde van Corus zijn geplaatst bij het deskundigenbericht (in het bijzonder dat gebruik is gemaakt van meetgegevens afkomstig van andere afdelingen dan waar [geïntimeerde] werkzaam was, dat geen werkplekbezoek is gebracht, dat de gebezigde publicaties maar in beperkte mate van toepassing zijn en dat de invloed van diffuse bronnen in de walserij anders moet worden gewaardeerd dan de deskundigen hebben gedaan).

2.6.

De derde vraag die aan de deskundigen is voorgelegd - het hof laat de tweede vraag thans rusten -, houdt in: had Corus in de periode 1965-1976 bekend behoren te zijn met de gevaren van het werken met wit asbest? Zo ja, met welke gevaren (in het bijzonder: met de gevaren van asbestose, longkanker en mesothelioom)? Daarbij moet rekening worden gehouden met de maatschappelijke kring waartoe Corus in de genoemde periode behoorde: een (zeer) grote onderneming, waarbinnen interne notities circuleerden over de gevaren voor de gezondheid van het gebruik van asbest (vergelijk als eerste de notitie van 24 oktober 1972, productie 17 bij inleidende dagvaarding en verder onder meer de notitie van 11 april 1973, productie 5 bij memorie van grieven) en binnen welke onderneming bekend was dat gebruik gemaakt werd van, kort gezegd, asbesthoudende apparatuur en machines, niet ter productie of verwerking van asbest.

2.7.

Het antwoord in het deskundigenbericht op deze vraag luidt als volgt. Corus, in casu een bedrijfsarts bij Corus, had in de periode 1965-1976 op de hoogte moeten zijn van de risico’s die optreden bij werknemers door blootstelling aan asbest. Een internationaal georiënteerde bedrijfsarts had in 1965 zeker informatie uit het buitenland kunnen vinden waarin van het risico op mesothelioom melding werd gemaakt. Echter, het in Nederland ingezette beleid, neergelegd in P-blad 116, en dat in grote lijnen parallel liep met buitenlands beleid, beschermde niet voldoende tegen het risico op mesothelioom.

2.8.

De vierde aan de deskundigen voorgelegde vraag houdt in: mocht Corus in de periode 1965-1976 ervan uitgaan dat de blootstelling van haar werknemers in de walserij aan asbeststof, zoals die concreet heeft plaatsgevonden, gelet op de duur en intensiteit van die blootstelling, geen risico voor respectievelijk asbestose, longkanker en mesothelioom opleverde? Bestond voor Corus in genoemde periode redelijkerwijs aanleiding veiligheidsmaatregelen te treffen met het oog op deze (mogelijke) risico’s en wilt u hierbij betrekken de stelling van Corus dat geen sprake is geweest van blootstelling die in relevante mate uitstijgt boven de concentratie asbestvezels in de omgevingslucht (in de desbetreffende periode)?

2.9.

Het antwoord in het deskundigenrapport op deze vraag luidt als volgt. Corus had op basis van wetenschappelijke informatie, adviezen in arbeidsgeneeskundige handboeken en publicaties voor bedrijfsartsen en door P-bladen van de overheid inzicht in informatie over risico’s van blootstelling aan asbest voor de gezondheid. In de jaren 1965-1976 bestond geen goed kwantitatief inzicht in welke blootstellingniveaus geassocieerd waren met het risico op het ontstaan van mesothelioom. Vanuit het asbestbeleid zoals dat in 1971 in P-blad 116 is neergelegd mag worden verwacht dat maatregelen werden genomen om blootstelling aan asbest te beperken. Dit betreft een breder pakket van maatregelen waarin ook aandacht is voor de achtergrondblootstelling, het vrijhouden van ruimten en machines van asbeststof, en aandacht voor adequate schoonmaakmethoden. Strikte toepassing zou ook hebben moeten leiden tot maatregelen bij bijvoorbeeld de schoonmaak van de walsen met perslucht. Echter zoals de literatuur over blootstelling in autogarages laat zien, zijn geen niveaus te verwachten van asbest in de lucht, structureel hoger dan 2 vezel/milliliter lucht, hoewel incidenteel hogere niveaus niet zijn uit te sluiten. De waarde van 2 vezel/milliliter lucht moet praktisch gezien als MAC-waarde worden beschouwd voor die tijd. Als die waarde als uitgangspunt wordt genomen is het denkbaar dat de blootstelling in de walserij als relatief laag is beschouwd. Tegelijkertijd moet worden opgemerkt dat in de periode waarin [geïntimeerde] was blootgesteld, ook in meerdere publicaties erop is gewezen dat een zo laag mogelijke blootstelling zou moeten worden gerealiseerd. Dit geeft aan dat er destijds al de nodige twijfel bestond over het beschermend effect van voorgestelde grenswaarden (MAC-waarden), maar dat dit nog niet werd vertaald in lagere grenswaarden. De vraag hiermee is dus vooral of gegeven de praktische mogelijkheden is gepoogd een zo laag mogelijke blootstelling te realiseren. Het feit dat in de uitgevoerde onderzoeken sprake was van contaminatie van de omgeving en ophoping van stof onder kranen in de walserij, suggereert dat bronnen niet direct en adequaat werden geëlimineerd. Ook het gebruik van perslucht is geen adequate maatregel om blootstelling te vermijden. Daarmee bestaat er twijfel of Corus bij de werkzaamheden in de walshal de werkzaamheden heeft uitgevoerd volgens de inzichten en instructies die destijds als stand der kennis konden worden beschouwd.

2.10.

Op grond van het deskundigenrapport neemt het hof als vaststaand aan dat Corus destijds, in de jaren waarin [geïntimeerde] werkzaam was voor haar, bekend had behoren te zijn met de gevaren van mesothelioom bij het werken met wit asbest en dat Corus toen niet ervan mocht uitgaan dat de blootstelling van haar werknemers in de walserij aan asbeststof, zoals die concreet heeft plaatsgevonden geen risico voor mesothelioom opleverde. Dat de blootstelling waarschijnlijk onder de MAC-waarde van twee vezel/milliliter lucht bleef, zoals Corus naar voren heeft gebracht, leidt niet tot een ander oordeel. De deskundigen hebben weliswaar opgemerkt (zowel in hun antwoord op de vierde vraag als in hun antwoord op de tweede vraag) dat deze MAC-waarde destijds als de relevante wettelijke veiligheidsnorm moest worden beschouwd, maar zij hebben eveneens naar voren gebracht dat in het Asbestbesluit van 1977 specifiek wordt benoemd dat het op dat moment niet bekend was in hoeverre deze grenswaarde bescherming kon bieden tegen het ontstaan van mesothelioom en dat daarom de concentratie van asbeststof in de inademingslucht zo laag mogelijk – zo laag mogelijk beneden de MAC-waarde – moest worden gehouden. Zij hebben daaraan toegevoegd dat het Asbestbesluit weliswaar dateert van vlak na de periode dat [geïntimeerde] op de walserijen heeft gewerkt, maar dat de inhoudelijke discussie hierover natuurlijk wel in de jaren voorafgaand aan het Asbestbesluit heeft plaatsgevonden. Op grond hiervan is het hof van oordeel dat Corus ter bevrijding van haar aansprakelijkheid geen beroep toekomt op de genoemde MAC-waarde. De deskundigen spreken in hun antwoord op de vierde vraag van “twijfel” of, kort gezegd, de werkzaamheden in de walshal werden uitgevoerd volgens de inzichten die destijds als stand der kennis konden worden beschouwd, maar uit hetgeen aan deze passage voorafgaat volgt genoegzaam dat als vaststaand kan worden aangenomen dat Corus geen adequate maatregelen heeft getroffen om de blootstelling aan asbeststof bij het werk aan de hardingswalsen zo gering mogelijk te doen zijn. Het hof verwijst in dit verband ook naar hetgeen bij tussenarrest van 22 maart 2011 onder 5.6 is overwogen: er kan van worden uitgegaan dat het uitvoeren van de daar beschreven werkzaamheden – herstel van asbesthoudende onderdelen van de hardingswalsen en spantkranen, al dan niet bestaande uit vervanging van het asbesthoudende frictiemateriaal, zoals remvoeringen – werd gedaan tijdens het productieproces, dat wil zeggen op althans rondom het tijdstip dat [geïntimeerde] aanwezig was in verband met de uitvoering van zijn reguliere werkzaamheden bij de wals. En voorts: aangenomen kan worden dat [geïntimeerde] zeer regelmatig bij het schoonmaken het stof van de motoren met lucht afspoot (het hof begrijpt: zonder beschermingsmiddelen) en dat het stof dan alle kanten op dwarrelde. Beide voorbeelden maken voldoende duidelijk dat Corus geen maatregelen heeft getroffen die, ook bezien met de kennis van voor 1976, de blootstelling aan asbeststof zo gering mogelijk deden zijn.

2.11.

De deskundigen hebben twee slotopmerkingen gemaakt naar aanleiding van het betoog van Corus dat, kort gezegd, het niet waarschijnlijk is dat de achtergrondconcentratie aan asbestvezels op de werkvloer nabij de wals substantieel anders was dan buiten de hal en dat de milieublootstelling waarschijnlijk veel relevanter is geweest dan de blootstelling ten tijde van de werkzaamheden in de walserij. Het hof verenigt zich met de beschouwingen van de deskundigen dienaangaande.

2.12.

Corus heeft in haar memorie na deskundigenbericht ten slotte aangevoerd dat nog geen wetenschappelijke consensus bestond over de risico’s op mesothelioom, maar ook dit verweer kan haar niet baten. De zorgplicht van de werkgever brengt mee dat gegeven de mogelijke risico’s niet kan worden gewacht met het treffen van preventieve maatregelen totdat de effectiviteit daarvan wetenschappelijk is bewezen.

2.13.

De voorgaande overwegingen voeren tot de conclusie dat moet worden aangenomen dat [geïntimeerde] in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Corus in relevante mate is blootgesteld aan asbest en dat Corus in de op haar rustende zorgplicht ter voorkoming van die blootstelling is tekortgeschoten. Bij deze stand van zaken dient het oorzakelijk verband tussen de bij [geïntimeerde] geconstateerde ziekte en de werkzaamheden van [geïntimeerde] bij Corus te worden aangenomen. Ook als [geïntimeerde], zoals Corus stelt, tijdens een eerdere werkkring in aanraking is gekomen met asbest, ontslaat dat haar niet van aansprakelijkheid.

2.14.

Op de voorgaande overwegingen stuiten de grieven I t/m III af. Grief IV mist zelfstandige betekenis en behoeft daarom geen afzonderlijke bespreking.

2.15.

Nu de grieven niet tot vernietiging van de bestreden vonnissen kunnen leiden, zullen deze vonnissen worden bekrachtigd. Corus zal bij deze uitkomst in de kosten van het hoger beroep worden verwezen.

3 Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden vonnissen;

veroordeelt Corus in de kosten van het hoger beroep en begroot deze aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 8.127,- wegens verschotten en € 7.339,50 wegens salaris;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.F. Thiessen, S.F. Schütz en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 16 juni 2015.