Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:2283

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-05-2015
Datum publicatie
05-08-2015
Zaaknummer
13/00734 T/M 13/00738
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNHO:2013:9215, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2016:81, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bijtelling privé-gebruik auto. Is sprake van terbeschikkingstelling? Inspecteur maakt aannemelijk dat de auto in ieder geval aan de dga ter beschikking stond. Belanghebbende slaagt vervolgens niet in het zware bewijs dat de auto voor niet meer dan 500 km op jaarbasis voor privédoeleinden is gebruikt.

Wetsverwijzingen
Wet op de loonbelasting 1964 13bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1742
FutD 2015-1984
NTFR 2015/2691 met annotatie van Rolleman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 13/00734 tot en met 13/00738

21 mei 2015

uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur,

tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 13/2274 tot en met AWB 13/2278 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank) in het geding tussen

[X] B.V. te [Z] belanghebbende,

gemachtigde: A.J. Nieuwenhout (Sprangers Van den Ende accountants en belastingadviseurs) te Den Haag,

en

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.1.

De inspecteur heeft met dagtekening 27 december 2012 aan belanghebbende voor het tijdvak 2007 een naheffingsaanslag loonheffingen (LB/PVV) opgelegd € 3.754.
Gelijktijdig heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 1.877 en € 608 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.2.

De inspecteur heeft met dagtekening 28 december 2012 aan belanghebbende voor het tijdvak 2008 een naheffingsaanslag loonheffingen (LB/PVV) opgelegd € 12.801.
Gelijktijdig heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 6.400 en € 1.416 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.3.

De inspecteur heeft met dagtekening 28 december 2012 aan belanghebbende voor het tijdvak 2009 een naheffingsaanslag loonheffingen (LB/PVV) opgelegd € 12.801.
Gelijktijdig heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 6.400 en € 979 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.4.

De inspecteur heeft met dagtekening 28 december 2012 aan belanghebbende voor het tijdvak 2010 een naheffingsaanslag loonheffingen (LB/PVV) opgelegd € 12.801.
Gelijktijdig heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 6.400 en € 659 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.1.5.

De inspecteur heeft met dagtekening 28 december 2012 aan belanghebbende voor het tijdvak 2011 een naheffingsaanslag loonheffingen (LB/PVV) opgelegd € 8.534.
Gelijktijdig heeft de inspecteur een vergrijpboete opgelegd van € 4.267 en € 210 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Na tegen voormelde naheffingsaanslagen gemaakt bezwaar heeft de inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken, gedagtekend 19 maart 2013, de naheffingsaanslagen en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.3.

Bij uitspraak van 21 oktober 2013 heeft de rechtbank de door belanghebbende ingestelde beroepen gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslagen, vergrijpboetes en beschikkingen heffingsrente vernietigd, de inspecteur veroordeeld in de (proces)kosten ten bedrage van € 2.121 en de inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 318 te vergoeden.

1.4.

Het tegen deze uitspraken ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 2 december 2013, aangevuld bij brief van 23 december 2013. De gemachtigde heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2015. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak de navolgende feiten vastgesteld. Belanghebbende wordt daarin aangeduid als ‘eiseres’, de inspecteur als ‘verweerder’.


“Eiseres is een houdstermaatschappij en staat aan het hoofd van een groep van vennootschappen die zich bezig houdt met beheer, bemiddeling, exploitatie, handel en ontwikkeling van vastgoed.

Op 15 juni 2012 is een onderzoek bij eiseres gestart naar de aanvaardbaarheid van de aangiften loonheffingen met betrekking tot de regeling privégebruik auto over het tijdvak januari 2007 tot en met december 2011. Tijdens het onderzoek waren bij de onderneming van eiseres drie werknemers in dienst.

In onderhavige jaren stond op naam van eiseres onder meer een auto [AUTOMERK], kenteken [12-34-56] (hierna: de auto) geregistreerd. De cataloguswaarde van de auto is € [aaa.aaa]. De auto is in onderhavige jaren zakelijk gebruikt. Met de auto is 79.714 kilometers gereden. Ter zake van de auto is geen privégebruik aangegeven.

Verweerder heeft vervolgens de naheffingsaanslagen en vergrijpboetes aan eiseres opgelegd.”


Nu partijen tegen deze feiten geen bezwaren hebben aangevoerd, zal ook het Hof van die feiten uitgaan. Daaraan voegt het Hof nog de volgende feiten toe.

2.2.

Van het boekenonderzoek is een rapport opgemaakt, gedagtekend 26 november 2012, waarin onder meer het volgende is vermeld:


“De onderneming (…) is gevestigd op het adres [a-straat 1] (…) [te][P]. (…) De enige aandeelhouder van de onderneming is de heer [A]. (…)
Tijdens het onderzoek waren bij de onderneming 3 werknemers in dienst. (…)

Met betrekking tot de auto met het kenteken [12-34-56] verklaart de inhoudingsplichtige dat er geen privégebruik heeft [plaatsgevonden] en [dat deze] slechts als “tweede” auto gebruikt is voor boodschappen, koerierswerkzaamheden en chauffeur[s]diensten ten behoeve van de dire[c]tie.”

2.3.

Ter zitting van de rechtbank is door [A], enig bestuurder/aandeelhouder van belanghebbende, onder meer het volgende verklaard:


“De sleutel [van de auto] werd altijd bewaard in een sleutelkluis op kantoor (…). Iedereen op kantoor heeft (…) een eigen auto. (…) Eiseres vervoerde in verband met haar werkzaamheden in het vastgoed onder meer haar klanten van en naar bouwprojecten. Om die reden is de auto aangeschaft (…). Wat betreft de ongebruikelijke tijdstippen waarop de auto is waargenomen het volgende. Elke waarneming is uitgezocht en van een zakelijke verklaring voorzien. Eiseres heeft voor zakenrelaties de beschikking over zes stoelen in de Arena. Mijn vrouw houdt niet van voetbal en mijn zoon woont in het buitenland. Zakenrelaties werden meegenomen naar de grote wedstrijden (…). De relaties werden dan met de auto naar de wedstrijd vervoerd, er werd gegeten en naar het voetbal gekeken.”

2.4.

Ter zitting van het Hof is door [A] onder meer het volgende verklaard:


“In de onderhavige jaren waren er bij de holding drie of vier werknemers in dienst, waaronder mijn zoon en ik. Bij de dochtermaatschappijen was er nog een aantal werknemers. Er bestond een fiscale eenheid. De meeste vennootschappen waren in [P]gevestigd, aan de [a-straat 1] Sommige vennootschappen waren in het buitenland gevestigd.
De werknemers van de holding en de dochters zaten in het pand aan de [a-straat 1]

(…)

Het pand aan de [a-straat 1] had uitsluitend een kantoorbestemming. (…) Ik woonde destijds in Loenen aan de Vecht.

Op uw vraag wie gemachtigd was om over de sleutel van het hek te beschikken – welke sleutel op kantoor in een kluis lag – antwoord ik dat [B] een werknemer van een van de dochtermaatschappijen die eveneens in het pand aan de [a-straat 1] gevestigd was, de meeste controle over de sleutel had. U verwijst naar mijn positie als de bestuurder van belanghebbende. Als ik zou willen, kon ik ook over de sleutel beschikken.

De auto werd wel eens opgehaald om bijvoorbeeld zakelijke relaties naar een voetbalwedstrijd te rijden. Soms haalde ik de auto zelf op, soms een andere werknemer van de holding of een van de dochtermaatschappijen. (…) Alle werknemers hadden een eigen auto of een leaseauto.
Op uw vraag of ergens was vastgelegd dat de auto niet voor privédoeleinden gebruikt mocht worden, antwoord ik dat onze organisatie klein is en dat iedereen wist dat er een verbod bestond.”

3 Geschil in hoger beroep

3.1.

Evenals bij de rechtbank is bij het Hof in geschil of de [AUTO], kenteken [12-34-56], van belanghebbende (hierna: de auto) aan één of meer werknemers van belanghebbende ter beschikking is gesteld als bedoeld in artikel 13bis van de Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: de Wet).

3.2.

Nadat de inspecteur ter zitting van het Hof heeft verklaard dat hij de opgelegde vergrijpboetes laat vallen, zijn deze niet meer in geschil.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft ter zake van het materiële geschil het navolgende overwogen:


“2. Op grond van artikel 13bis van de Wet LB 1964 (tekst 2007 tot en met 2011) wordt op jaarbasis een percentage van de waarde van de auto als voordeel in aanmerking genomen indien aan een werknemer ook voor privé-doeleinden een auto ter beschikking is gesteld. De auto wordt in ieder geval geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld tenzij blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privé-doeleinden wordt gebruikt.

3. Wat betreft de vraag op wie de bewijslast rust dat de auto ter beschikking is gesteld, heeft de Hoge Raad in zijn uitspraak van 13 augustus 2010 nr. 08.03782, LJN: BN3831 het volgende overwogen:

“(…)

De inspecteur dient aannemelijk te maken dat de auto aan de betrokken belastingplichtige ter beschikking was gesteld. Indien de inspecteur daarin slaagt, geldt ingevolge artikel 3.145, lid 1, Wet IB het vermoeden dat die auto ook voor privédoeleinden ter beschikking stond. Dit vermoeden houdt stand tenzij de belastingplichtige doet blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 km voor privédoeleinden is aangewend. (…)”

Deze bewijslastverdeling heeft eveneens te gelden bij artikel 13bis Wet LB 1964, dat artikel 3.145, eerste lid, van de Wet IB 2001 (vervallen) heeft vervangen. Anders dan verweerder kennelijk veronderstelt, staat de vraag of een auto ter beschikking is gesteld los van de (vervolg)vraag of een auto wel of niet als een onder artikel 13bis, vijfde lid, van de wet LB 1964 genoemde bestelauto kan worden aangemerkt.

4. Niet in geschil is dat de auto door de werknemers van eiseres is gebruikt voor werkzaamheden die verband hielden met de onderneming van eiseres. Anders dan verweerder betoogt is de rechtbank van oordeel dat de enkele constatering van zakelijk gebruik van de auto door de werknemers van eiseres op zichzelf nog niet met zich brengt dat de auto door eiseres aan die werknemers ter beschikking is gesteld. De omstandigheid dat eiseres, als zijnde rechtspersoon, niet in die hoedanigheid gebruik kan maken van de auto, rechtvaardigt die conclusie niet. Uit het weergegeven arrest volgt slechts dat, indien de inspecteur erin slaagt te bewijzen dat de auto aan de betrokkenen ter beschikking is gesteld, het vermoeden geldt dat die auto ook voor privédoeleinden ter beschikking stond.

5. Verweerder heeft met hetgeen hij in dit verband heeft aangevoerd niet aannemelijk gemaakt dat eiseres de auto aan haar werknemers ter beschikking heeft gesteld. Vooropgesteld moet worden dat – nu de stellingen van eiseres op dit punt niet dan wel onvoldoende zijn weersproken door verweerder – de auto nimmer door werknemers van eiseres voor woon-werkverkeer is gebruikt, dat de auto bij het kantoor van eiseres achter een afgesloten hek stond geparkeerd en dat de sleutels van de auto in een kluisje op kantoor werden bewaard bij de sleutels van (bouw)projecten van eiseres. Verweerder heeft erop gewezen dat de auto in de onderhavige jaren in totaal 12 keer in weekeinden dan wel op ongebruikelijk late tijdstippen op de weg is gesignaleerd. Eiseres heeft voor elke signalering aangeven dat de auto werd gebruikt in het kader van haar onderneming. Uit genoemde signaleringen in weekenden en op ongebruikelijke tijdstippen volgt niet dat de auto aan de werknemers van eiseres ter beschikking is gesteld.”

4.2.

In hoger beroep heeft de inspecteur gesteld dat hij – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – wel aannemelijk heeft gemaakt dat de auto aan het personeel van belanghebbende ter beschikking is gesteld. In dit verband verwijst de inspecteur naar de wetsgeschiedenis van artikel 3.145 (oud) Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB). Volgens de inspecteur heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de enkele constatering van zakelijk gebruik van de auto door werknemers van belanghebbende op zichzelf niet met zich brengt dat de auto door belanghebbende aan die werknemers ter beschikking is gesteld.
De rechtbank is volgens de inspecteur ten onrechte voorbij gegaan aan de in artikel 13bis, eerste lid (slotzin), van de Wet opgenomen fictie dat de auto geacht wordt mede voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld. Dat belanghebbende bewijs kan leveren dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt, staat volgens de inspecteur los van de vraag of die auto ter beschikking is gesteld.

4.3.

Belanghebbende stelt ook in hoger beroep dat de inspecteur de terbeschikkingstelling van de auto niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook belanghebbende verwijst naar de wetsgeschiedenis van artikel 3.145 (oud) Wet IB. Daaruit leidt belanghebbende af dat in het kader van artikel 13bis van de Wet onder terbeschikkingstelling moet worden verstaan dat de auto mag worden gebruikt voor zakelijke doeleinden (inclusief woon-werkverkeer) en privé-doeleinden. Van terbeschikkingstelling is volgens belanghebbende voorts eerst sprake indien een werknemer zelf - met uitsluiting van anderen - de beschikkingsmacht krijgt over de auto en die werknemer dan zelf kan bepalen of en zo ja welke rit hij daarmee wil maken. Daarvan uitgaande stelt belanghebbende dat de auto uitsluitend voor door haar te bepalen zakelijke doeleinden is bestemd en dat het de werknemers niet was toegestaan om de auto voor privédoeleinden te gebruiken. Daaraan zou de sanctie van ontslag zijn verbonden. Voorts heeft volgens belanghebbende niemand van de directie en/of de (overige) werknemers van belanghebbende ooit zèlf over de auto kunnen beschikken.

4.4.1.

In de wetsgeschiedenis van artikel 3.145 Wet IB (in het wetsvoorstel van die wet als artikel 3.10.2 opgenomen), welke bepaling een voorloper is van artikel 13bis van de Wet, is onder meer het volgende vermeld:


“ Onder het ter beschikking gesteld hebben gekregen, wordt verstaan het mogen gebruiken van een auto voor zakelijke (inclusief woon-werkverkeer) en privé-doeleinden, waarbij normaliter alle kosten, lasten en afschrijvingen voor rekening komen van degene die de auto ter beschikking stelt. Ook wordt onder ter beschikking staan begrepen het bestemd zijn als bedoeld in het arrest van 26 april 1995, nr. 30293, BNB 1995/192, en de situatie dat de belastingplichtige alle autokosten, eventueel verminderd met een bedrag voor privé-gebruik, vergoed krijgt.

Voortbordurend op de onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 gegroeide praktijk die de belastingplichtige de mogelijkheid gaf te laten blijken dat de ter beschikking gestelde auto in het geheel niet voor privé-ritten werd gebruikt, is in de wet opgenomen dat de belastingplichtige kan laten blijken dat de auto niet of nauwelijks voor privédoeleinden

wordt gebruikt. In dat geval heeft geen bijtelling plaats. Deze situatie doet zich bijvoorbeeld
voor als de belastingplichtige de auto wel voor privé-doeleinden mag gebruiken, maar laat
blijken dat hij na de zuiver zakelijke ritten (voor het verrichten van de werkzaamheden) de
auto bij de werkgever achterlaat en dat hij het woon-werkverkeer en de privé-ritten
bijvoorbeeld per openbaar vervoer, per fiets of per eigen auto aflegt. Een ander voorbeeld is
de situatie dat contractueel en met reële sancties is vastgelegd dat buiten zakelijk en woon-
werkverkeer de auto niet voor privé-doeleinden mag worden gebruikt. Wel ligt de bewijslast

duidelijk bij de belastingplichtige: de auto wordt geacht ook voor privé-doeleinden ter beschikking te zijn gesteld, tenzij de belastingplichtige laat blijken dat de auto op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor die doeleinden wordt gebruikt.”, Kamerstukken II 1998/99, 26.727, nr. 3, blz. 185.

4.4.2.

Belanghebbende beroept zich op de eerste zin van het hiervoor opgenomen citaat, omdat daarin is vermeld dat onder 'ter beschikking gesteld hebben gekregen' het mogen gebruiken van een auto voor zakelijke doeleinden en privédoeleinden wordt verstaan.
De inspecteur ontleent daarentegen argumenten voor zijn standpunt aan – in het bijzonder – de laatste twee volzinnen van het onder 4.4.1 opgenomen citaat.

4.4.3.

Naar het oordeel van het Hof is de opvatting van belanghebbende dat eerst van terbeschikkingstelling in de zin van artikel 13bis van de Wet sprake is, indien aannemelijk is gemaakt dat de auto ook voor privé-doeleinden mag worden gebruikt, niet juist. De in artikel 13bis, eerste lid, laatste volzin, van de Wet opgenomen fictie dat de auto geacht wordt voor privédoeleinden ter beschikking te zijn gesteld, laat zich niet verenigen met de uitleg die belanghebbende aan artikel 13bis, eerste lid, van de Wet geeft. Het op grond van die fictie vooronderstelde privégebruik komt ook tot uiting in de laatste zin van het onder 4.4.1 opgenomen citaat, welke – voor zover nodig – als een clausulering van de eerste volzin van dat citaat kan worden beschouwd. Bovendien is de opvatting van belanghebbende niet te rijmen met het arrest HR 13 augustus 2010, 08/03782, ECLI:NL:HR:2010:BN3831, BNB 2010/312, omdat in rechtsoverweging 3.2 van dat arrest is overwogen dat de opvatting dat op de inspecteur bij de toepassing van artikel 3.145, eerste lid, Wet IB – in welke bepaling dezelfde gebruiksfictie is opgenomen als in artikel 13bis, eerste lid, van de Wet – de bewijslast rust van terbeschikkingstelling van de auto voor privé-doeleinden, onjuist is.

4.4.4.

Het hiervoor overwogene houdt in dat de inspecteur heeft kunnen volstaan met het aannemelijk maken dat de auto aan één of meer werknemers van belanghebbende ter beschikking is gesteld. Het Hof acht de inspecteur in dit bewijs geslaagd, nu niet in geschil is dat de auto – onder meer – door [A] kon worden gebruikt ten behoeve van het verrichten van werkzaamheden van belanghebbende en daarvoor ook werd gebruikt. Vaststaat voorts dat [A] – naar deze ter zitting heeft bevestigd en het Hof ook overigens aannemelijk acht, uit hoofde van zijn positie als enig bestuurder/aandeelhouder – kon beschikken over de sleutel van het kluisje op het bedrijfsadres aan [a-straat 1] te [P] waarin de sleutel van de auto werd bewaard. Tot bewijs van het beschikken over de auto dient mede de verklaring van belanghebbende over het gebruik van de auto ten behoeve van bezoeken aan voetbalwedstrijden.
Voor zover van belang voor de aanwezigheid van terbeschikkingstelling, wijst het Hof (ten overvloede) erop dat in het bezoeken van voetbalwedstrijden een element van privé-gebruik is te onderkennen (hetgeen bevestiging lijkt te vinden in de verklaring van [A] voor de rechtbank).

4.4.5.

Gelet op het hiervoor overwogene, doet aan het oordeel dat de inspecteur erin is geslaagd de in artikel 13bis van de Wet bedoelde terbeschikkingstelling aannemelijk te maken niet af dat, naar belanghebbende heeft gesteld, gebruik voor privédoeleinden door haar niet was toegestaan. In de eerste plaats, omdat niet aannemelijk is geworden dat dat niet-toestaan contractueel is vastgelegd. In dit opzicht onderscheidt de situatie van belanghebbende zich van het voorbeeld dat is vermeld in de voorlaatste zin van het onder 4.4.1 opgenomen citaat, terwijl bovendien dat voorbeeld – en daarmee ook het door belanghebbende gestelde verbod op gebruik voor privédoeleinden – niet van belang is voor het bewijs van terbeschikkingstelling, maar voor het, uitgaande van terbeschikkingstelling, door belanghebbende te leveren, verzwaarde bewijs dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.

4.4.6.

Voor zover belanghebbende heeft bedoeld te stellen dat de auto in de jaren 2007 – 2011 voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt, acht het Hof belanghebbende niet in dat bewijs geslaagd, omdat er geen kilometeradministratie is overge-legd en omdat het binnen de onderneming van belanghebbende geldende verbod op gebruik van de auto voor privédoeleinden in dit verband niet toereikend is, nu dit verbod niet is vastgelegd en niet zonder meer aannemelijk is te achten dat dat verbod feitelijk ook ten aanzien van bestuurder/enig aandeelhouder [A] zou gelden of effect zou hebben.

Slotsom

4.5.

De slotsom is dat het beroep gegrond is, omdat de inspecteur in het gelijk wordt gesteld waar het betreft de toepassing van artikel 13bis van de Wet.

5
5. Kosten

5.1.

Nu belanghebbende zich heeft moeten verweren tegen het standpunt van de inspecteur met betrekking tot de vergrijpboeten en deze boeten komen te vervallen, acht het Hof termen aanwezig voor een kostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn opgenomen in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit).

Voor het onderhavige geval zijn dat de in onderdeel a vermelde kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep en de in onderdeel c vermelde reiskosten.

5.2.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit stelt het Hof het bedrag van deze kosten overeenkomstig het in de bijlage bij het Besluit opgenomen tarief vast op: 2 (indienen verweerschrift en verschijnen ter zitting) x € 490 x 1,5 (wegingsfactor) = € 1.470.

5.3.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel c, van het Besluit wordt het bedrag van de in onderdeel c van artikel 1 bedoelde kosten vastgesteld op de voor het bijwonen van het onderzoek ter zitting gemaakte reiskosten per openbaar vervoer tweede klasse ad € 17.

6 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing ter zake van de
vergrijpboetes, de vergoeding van proceskosten en het griffierecht;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, behoudens de beslissingen betreffende de
naheffingsaanslagen en de heffingsrente, en

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten ten bedrage van (€ 1.470 + € 17 =) € 1.487.

De uitspraak is gedaan door mrs. E.A.G. van der Ouderaa, voorzitter, J. den Boer en E.F. Faase, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.G. Detweiler-Cox als griffier. De beslissing is op 21 mei 2015 in het openbaar uitgesproken. De voorzitter is verhinderd de uitspraak mede te ondertekenen.

(oudste raadsheer)

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.