Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2015:105

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
20-01-2015
Datum publicatie
16-02-2015
Zaaknummer
200.089.046-01
Formele relaties
Prejudiciële vraag aan: ECLI:NL:HR:2015:3018
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2016:2291
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Prejudiciële vraag (art. 392 Rv), effectenleaseovereenkomst; kan de bevoegdheid tot buitengerechtelijke vernietiging van rechtshandelingen collectief gestuit worden?

De aan de Hoge Raad voorgelegde vragen zijn:

- strekt de stuitende werking op de voet van art. 3:316 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uit tot de verjaring van de buitengerechtelijke bevoegdheid tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW?;

en bij een bevestigend antwoord op die vraag,

- leidt alsdan een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring van voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken tot hetzelfde rechtsgevolg als het instellen van een nieuwe eis in de zin van die bepaling?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2015, afl. 3, p. 145
RF 2015/63
JONDR 2015/817

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.089.046/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam: 1097807 DX EXPL 09-422

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 20 januari 2015

inzake

[appellant] ,

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A, Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna wederom [appellant] en Dexia genoemd.

In deze zaak is op 4 november 2014 een tussenarrest gewezen. Voor het verloop van het geding tot dan toe wordt verwezen naar het tussenarrest.

Ter uitvoering van het tussenarrest hebben beide partijen gelijktijdig een akte genomen.

Vervolgens is wederom een datum voor arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

In het tussenarrest heeft het hof kennis gegeven van zijn voornemen om de in dat arrest in rov. 3.16 geformuleerde vragen op de voet van art. 392 Rv aan de Hoge Raad voor te leggen. Partijen hebben in hun onderscheiden aktes zich uitgelaten over dat voornemen, alsmede over de inhoud van de te stellen vra(a)g(en).

2.2

[appellant] stemt in met het voornemen van het hof en Dexia refereert zich. Geen van partijen heeft opmerkingen gemaakt over de inhoud van de voorgestelde vragen, met dien verstande dat [appellant] zich in zijn akte heeft afgevraagd of de tweede vraag ‘[w]ellicht (…) iets explicieter kan worden geformuleerd’. Nu het bij alleen deze vraagstelling is gebleven en het aan voorstellen voor een andere formulering ontbreekt, ziet het hof geen aanleiding de vraag te herformuleren.

2.3

Het hof heeft in het tussenarrest onder 3.15 uiteengezet waarom het antwoord op de vragen bij wijze van prejudiciële beslissing nodig is in de zin van artikel 392 lid 1 Rv. In het tussenarrest is partijen gevraagd om in aanvulling daarop - met het oog op het vereiste rechtstreekse belang als bedoeld in dat artikellid sub a. en/of b. - informatie te verstrekken over het aantal nog in behandeling zijnde zaken waarin, kort gezegd, dezelfde vraag zich voordoet, of alsnog kan worden opgebracht. Volgens Kostermans is dat aantal voor zover bij zijn advocaat bekend minstens 1.000 en volgens Dexia circa 2.200, waarbij Dexia heeft opgemerkt dat de beantwoording van de vraag voor nog meer gevallen van belang kan zijn.

2.4

Artikel 392 lid 3 Rv schrijft voor dat de beslissing waarbij de vraag wordt gesteld ook het onderwerp van geschil, de door de rechter vastgestelde feiten en de door partijen ingenomen standpunten vermeldt. Het hof meent daartoe te kunnen volstaan met een verwijzing naar de rov. 3.1 tot en met 3.14 van het tussenarrest.

2.5

Zoals artikel 392 lid 5 Rv voorschrijft, zal iedere verdere beslissing worden aangehouden totdat een afschrift van de beslissing van de Hoge Raad is ontvangen.

4 Beslissing

Het hof:

stelt de Hoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvragen:

- strekt de stuitende werking op de voet van art. 3:316 BW van een collectieve vordering in de zin van art. 3:305a BW zich uit tot de verjaring van de buitengerechtelijke bevoegdheid tot vernietiging van rechtshandelingen krachtens art. 1:89 BW?;

en bij een bevestigend antwoord op die vraag:

- leidt alsdan een buitengerechtelijke vernietigingsverklaring van voor het tijdstip waarop de in art. 3:316 lid 2 BW bedoelde termijn van zes maanden is verstreken tot hetzelfde rechtsgevolg als het instellen van een nieuwe eis in de zin van die bepaling?;

draagt de griffier op onverwijld een afschrift van dit arrest en van het tussenarrest aan de Hoge Raad te zenden;

draagt de griffier op afschriften van andere op het geding betrekking hebbende stukken op diens verzoek aan de griffier van de Hoge Raad te zenden;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.P. van Achterberg, A.S. Arnold en J.W. Hoekzema en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 20 januari 2015.