Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:91

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-01-2014
Datum publicatie
15-10-2014
Zaaknummer
200.126.599-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vennootschapsrecht: vernietiging van besluit van BV (art. 2:15 BW).

Betrokkene in de zin van art. 2:8 BW.

Verder afwikkeling van de schade.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 2
Burgerlijk Wetboek Boek 2 8
Burgerlijk Wetboek Boek 2 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JONDR 2014/679
JIN 2014/216 met annotatie van R.A. Wolf
JOR 2014/158 met annotatie van mr. R.G.J. Nowak
OR-Updates.nl 2014-0363
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.126.599/01

zaak- en rolnummer rechtbank Alkmaar : 132847/HA ZA 11-627

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 21 januari 2014

inzake

[APPELLANT],

wonend te [woonplaats],

appellant,

advocaat: mr. F.P. Klaver te Alkmaar,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid RBOC “FORT MARKENBINNEN” BV,

gevestigd te Markenbinnen, gemeente Graft-De Rijp,

2. de stichting STICHTING RBOC “FORT MARKENBINNEN”

gevestigd te Markenbinnen, gemeente Graft-De Rijp,

geïntimeerden,

advocaat: mr. R.F. Goemans te Amsterdam.

Partijen worden [appellant] en RBOC (geïntimeerden samen) dan wel de BV en de Stichting genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 16 januari 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Alkmaar van 31 oktober 2012, gewezen tussen [appellant] als eiser en RBOC als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met een productie.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en alsnog, uitvoerbaar bij voorraad, de gewijzigde vordering zal toewijzen met beslissing over de proceskosten.

RBOC heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, eventueel met verbetering van gronden, en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten in beide instanties met rente, uitvoerbaar bij voorraad.

Beide partijen hebben bewijs van hun stellingen aangeboden.

Partijen hebben de zaak ter zitting van 15 november 2013 door hun voornoemde advocaten doen bepleiten, ieder aan de hand van pleitnotities die zijn overgelegd.

Ten slotte is arrest gevraagd.

2 Feiten

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.11 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt.

3 Beoordeling

3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

3.1.1

Het voormalig Regionaal Opleidingscentrum Brandweer, waarbij [appellant] destijds werkzaam was, is enige tijd geleden geprivatiseerd; RBOC - zowel de Stichting als de BV - is in dat kader opgericht per 15 november 2002. Op het moment van oprichting is de Stichting enig aandeelhouder van de BV geworden. Bij de oprichting is in de statuten van de Stichting bepaald dat één van de minimaal drie bestuurders van de Stichting wordt benoemd door de directie van de BV. [appellant] heeft bij de Stichting en de BV diverse (bestuurs)taken vervuld.

3.1.2

In het kader van de voortzetting van de activiteiten van het RBOC heeft [appellant] (net als enige andere werknemers van het voormalige Regionaal Opleidingscentrum Brandweer) aan de Stichting twee leningen verstrekt. Lening 1 is inmiddels terugbetaald. De vergoeding voor lening 2 geschiedt, ingevolge het daartoe opgestelde Reglement winstcertificaten RBOC Fort Markenbinnen (hierna het Reglement of het WinstcertificatenReglement), door middel van Winstcertificaten, die recht geven op een deel van de te verdelen winst van de BV. Het WinstcertificatenReglement gaf [appellant] recht op deze uitkering tot 1 april 2015.

3.1.3

Tussen [appellant] en RBOC zijn diverse conflicten ontstaan, onder meer over de arbeidsovereenkomst van [appellant], de ontvlechting van de Stichting en de BV en wat daarmee samenhangt en de bewoning door [appellant] van een huurwoning op het fort. Bij gelegenheid van een kort gedingzitting op 7 april 2010 is, ter beslechting van (een deel van) die conflicten, tussen (onder meer) de partijen in de onderhavige procedure een vaststellingsovereenkomst gesloten, die voor zover van belang als volgt luidt: “(…) 4. Het bestaande WinstcertificatenReglement zal jegens [appellant] als medecertificaathouder door gedaagden (onder meer RBOC, opm. hof) worden gerespecteerd.(…)”

3.1.4

Ter vergadering van de houders van Winstcertificaten d.d. 14 maart 2011, alwaar [appellant] aanwezig was, is het voorgenomen besluit van het bestuur van de Stichting tot opheffing van het WinstcertificatenReglement besproken. Bij brief van 11 mei 2011 aan de participanten heeft de Stichting laten weten dat zij heeft besloten lening 2 terug te betalen en daarna het Reglement op te heffen.

3.1.5

Bij besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA) van de BV d.d. 1 november 2010 is de jaarrekening voor 2009 vastgesteld; daarin is een voorziening voor dubieuze debiteuren ad € 42.563,= opgenomen.

3.1.6

Op 4 januari 2011 en 19 mei 2011 zijn de statuten van de Stichting gewijzigd; met de wijziging van de tekst per 4 januari 2011 is het mogelijk gemaakt dat de besluitvorming door het Stichtingsbestuur ook kan plaatsvinden als in het Stichtingsbestuur een vacature bestaat.

3.2

In eerste aanleg vorderde [appellant], kort samengevat, na wijziging van eis en voor zover nu nog van belang, onder i vernietiging van het onder 3.1.5 bedoelde besluit, onder ii nietigverklaring dan wel vernietiging van het onder 3.1.4 bedoelde besluit en onder iii onder meer veroordeling van RBOC tot betaling aan [appellant] van een winstuitkering conform het Reglement over de jaren vanaf 2006 en tot verhoging van de jaarwinst over 2009 met € 42.563,=, een en ander op straffe van een dwangsom.

De rechtbank heeft alle vorderingen afgewezen. Daartegen komt [appellant] met acht grieven op. Hij stelt dat de rechtbank vrijwel geheel aan de vaststellingsovereenkomst waarvan [appellant] nakoming vraagt voorbij is gegaan (grief I). De grieven II tot en met V zien, daarop voortbouwend, in het bijzonder op het afschaffen van het Reglement, grief VI ziet op de vaststelling van de jaarrekening 2009, grief VII op het besluit tot wijziging van de statuten d.d. 4 januari 2011 en grief VIII op de schade.

Het hof zal grief VI eerst behandelen.

Jaarrekening 2009

3.3.

De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] het benodigde belang bij zijn vordering op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd en daarom dit deel van de vordering afgewezen.

[appellant] stelt dat de jaarrekening een post dubieuze debiteuren bevatte die daarin ten onrechte is opgenomen. Het betreft hier, naar tussen partijen vast staat, een voorziening ter grootte van € 42.563,=. Niet alleen betrof het hier een debiteur - Regio BHV Nederland - met wie RBOC al jaren zaken deed en die haar verplichtingen altijd was nagekomen, maar bovendien waren de nota’s tot het genoemd bedrag dat openstond op 31 december 2009, ten tijde van het vaststellen van de jaarrekening al voldaan. Er bestond geen (goede) reden de genoemde voorziening te treffen, aldus [appellant].

Dat alle facturen ten tijde van het opstellen van de jaarrekening waren voldaan, is erkend, maar RBOC, althans de BV, verweert zich met de stelling dat Regio BHV Nederland destijds een feitelijke betalingstermijn van 120 dagen in plaats van de afgesproken 14 dagen hanteerde; de opname van de reservering door het bestuur is tegen die achtergrond gerechtvaardigd, terwijl voorts de AVA de jaarrekening heeft goedgekeurd in overeenstemming met alle wettelijke en statutaire regels.

3.4

Het gaat hier om vernietiging van een besluit van de AVA als orgaan van de BV als bedoeld in art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. Vereist is dus, dat [appellant] aangemerkt kan worden als een betrokkene bij de organisatie van de BV als bedoeld in art. 2:8 lid 1 BW. RBOC bestrijdt dat aan die eis is voldaan, doch tevergeefs, gelet op het volgende.

Tussen partijen staat vast dat tussen de Stichting en de BV sprake was van een vergaande mate van verwevenheid. De Stichting hield tot voor kort 100% van de aandelen in de BV. Het Reglement voorzag, voor de nu nog relevante lening 2, in een lening aan de Stichting, waarvan de omvang afhing van het arbeidsverleden van de participanten. Iedere participant verkreeg een certificaat, dat recht gaf op betaling van een deel van de winst van de BV. Die winst werd uitgekeerd aan de Stichting als enige aandeelhouder van de BV. De statuten van de Stichting voorzagen in een (tenminste) driekoppig bestuur, waarvan bestuurder A werd benoemd door de vergadering van houders van Winstcertificaten, bestuurder B door de directie van de BV, en bestuurder C door de andere bestuurders tezamen.

Dat [appellant] (financieel) belang heeft bij vernietiging van dit besluit vloeit rechtstreeks voort uit de regeling aangaande de uitkering. Het Reglement bepaalt immers in art. 5 onder 5 dat de participanten gerechtigd zijn tot het gedeelte van de winst van de BV dat voor verdeling over de participanten in aanmerking komt. De AVA heeft de jaarrekening vastgesteld en daaruit volgt hoe groot de winst is. Als – naar [appellant] stelt – ten onrechte ten laste van de winst een voorziening is getroffen voor dubieuze debiteuren, dan raakt dat direct het financiële belang van [appellant].

In die omstandigheden moet [appellant] als houder van een winstcertificaat naar het oordeel van het hof worden beschouwd als betrokkene bij de BV in de zin van art. 2:8 BW.

3.5

De betreffende jaarrekening waartegen [appellant] zich keert, is niet volledig in de procedure overgelegd. Het hof begrijpt echter dat ten laste van de winst een voorziening is gevormd van € 42.563,=, in de winst- en verliesrekening. Ter onderbouwing van het vormen van deze voorziening heeft de BV verwezen naar de Richtlijnen voor de jaarverslaglegging, editie 2009. Daaruit volgt volgens de BV dat bij de aanwezigheid van “objectieve aanwijzingen voor bijzondere waardeverminderingen” de omvang van het verlies moet worden bepaald en in de winst- en verliesrekening moet worden verwerkt. Als gevolg van de slechte financiële situatie van Regio BHV Nederland B.V. en de toegenomen betalingstermijn was sprake van een aanwijzing van waardevermindering die deze voorziening ter grootte van de volledige omvang van de openstaande factuur rechtvaardigde, aldus de BV.


Met het risico van oninbaarheid van vorderingen kan rekening worden gehouden als feiten en omstandigheden dit risico voldoende aannemelijk maken. De rechtspersoon heeft daarbij een zekere beoordelingsvrijheid. Die vrijheid is echter niet onbeperkt.

Het gaat in dit geval om een grote debiteur waarmee de BV een duurverhouding heeft. Uit de door de BV gegeven onderbouwing blijkt naar het oordeel van het hof onvoldoende van objectieve aanwijzingen die de oninbaarheid aannemelijk maken. Het enkel oplopen van de betalingstermijn is daartoe onvoldoende. De gestelde “slechte financiële situatie” van de debiteur is verder niet door de BV toegelicht. Dit brengt mee dat de BV de voorziening ten onrechte heeft getroffen. Het besluit tot goedkeuring van de jaarrekening kan daarmee niet in stand blijven.

3.6

Dit kan weliswaar tot toewijzing van de vordering onder i leiden, maar niet tot toewijzing van de vordering onder iii, omdat weliswaar het besluit in kwestie vernietigd dient te worden, maar daarmee nog niet vast staat dat, zoals [appellant] in het slot van zijn vordering sub iii veronderstelt, de jaarwinst over 2009 met dat bedrag toeneemt. Er zal immers opnieuw een besluit moeten worden genomen tot vaststelling van de jaarrekening over het jaar 2009. Op een alternatieve mogelijkheid (tot schadevergoeding) wordt hierna onder 3.12 teruggekomen.

Bestuur onbevoegd

3.7

Op 14 maart 2011 en op 11 mei 2011, toen het Reglement werd opgeheven dan wel die opheffing werd bevestigd -of het besluit op 14 maart dan wel 11 mei 2011 of nog een ander moment werd genomen kan, als zonder belang voor de in dit geding te nemen beslissing in het midden blijven- was er een vacature in het bestuur van de Stichting. Met grief VII stelt [appellant] aan de orde dat de oorspronkelijke statuten in de weg stonden aan besluitvorming als er een vacature in het bestuur van de Stichting bestaat. Art. 11 lid 1 van de oorspronkelijke tekst luidde ”Het bestuur is bevoegd deze statuten te wijzigen. Een dergelijk besluit moet genomen worden met algemene stemmen in een vergadering, waarin alle bestuursleden aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zonder dat in het bestuur enige vacature bestaat.” Art. 9 lid 3 van de statuten van de Stichting gaf het bestuur de bevoegdheid om het Reglement op te heffen; artikel 11 lid 1 was op een dergelijk besluit van toepassing.

Op 4 januari 2011 is artikel 11 van de statuten van de Stichting gewijzigd, zodat ook tot wijziging van de statuten en het Reglement kan worden besloten als er een vacature in het bestuur bestaat. Partijen twisten over de vraag of [appellant] nog kan opkomen tegen deze wijziging.

De rechtbank heeft voor zover van belang en kort samengevat beslist, dat uit de omstandigheid dat de statutenwijziging per 11 januari 2011 kenbaar was uit het Handelsregister voortvloeit, dat de termijn voor vernietiging ex art. 2:15 lid 5 BW eindigde in januari 2012. Nu [appellant] pas op 11 april 2012 vernietiging van het besluit van 4 januari 2011 heeft gevorderd was dat na het einde van de vervaltermijn en dus te laat.

3.8

Het hof is van oordeel dat deze beslissing van de rechtbank juist is. De betreffende vervaltermijn is kort omdat de rechtszekerheid eronder zou lijden als de status van besluiten gedurende lange tijd ongewis zou zijn.

De omstandigheid dat [appellant] op de vergadering van 11 mei 2011 op dit punt een vraag heeft gesteld -kan een besluit tot opheffing van het Reglement genomen worden als er een vacature in het bestuur bestaat?- en de omstandigheid dat het bestuur heeft medegedeeld te menen van wel, maar ook heeft toegezegd daarop nog terug te komen, maken niet dat een beroep op de openbaarmaking van de wijziging die dit mogelijk maakte door vermelding in het Handelsregister naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Niet alleen is bekendmaking op die wijze in het algemeen genoegzaam, maar deze was dat ook in dit geval. Aan [appellant], die immers zelf bestuursposities had bekleed, was bekend of had bekend moeten zijn dat het Handelsregister gegevens op dit punt bevatte. Er is dan ook geen reden om de Stichting haar beroep op het verstreken zijn van de vervaltermijn te ontzeggen.

Met dit oordeel is de aan strijd met de statuten ontleende grief van [appellant] tegen de (op formele gronden) gebrekkige totstandkoming van het besluit van 14 maart 2011/ 11 mei 2011 verworpen. Dit betekent dat ook de stelling van [appellant] dat “het besluit tot opheffing van de winstcerficatenregeling alsnog niet ex artikel 2:14 BW wegens strijd met de statuten”, niet opgaat.

Het hof gaat hierna in op de materiële bezwaren tegen dat besluit.

De vaststellingsovereenkomst en het WinstcertificatenReglement

3.9

De tussen alle partijen in dit geding gesloten vaststellingsovereenkomst houdt in, dat het bestaande Reglement jegens [appellant] zal worden gerespecteerd. RBOC meent, dat met die zinsnede niet meer of anders is bedoeld dan dat [appellant] geen afstand deed van zijn rechten en dat [appellant] niet anders behandeld zou worden dan de andere certificaathouders.

Deze uitleg verwerpt het hof.

De overeenkomst is gesloten in het kader van een geschil tussen partijen. De overeenkomst is duidelijk bedoeld als een compromis, waarbij de belangen van [appellant] -het blijven wonen in de huurwoning, het blijven genieten van de uitkeringen uit het Reglement- en de belangen van de BV en de Stichting - het met onmiddellijke ingang definitief beëindigen van het dienstverband met en het commissariaat van [appellant] en aanverwante kwesties - zoveel mogelijk gediend zijn. Andere certificaathouders waren bij het met deze vaststellingsovereenkomst geregelde geschil niet betrokken, zodat gelijke behandeling tussen de certificaathouders in die context niet aan de orde was. Dat [appellant] geen afstand deed van zijn Winstcertificaten was duidelijk, maar de betreffende bepaling is geformuleerd als een verplichting van RBOC. Daarmee moet dus meer bedoeld zijn dat het niet doen van afstand door [appellant].

Het hof is van oordeel dat die bepaling zo moet worden uitgelegd dat de status quo op het moment van het sluiten van die overeenkomst wat betreft het Reglement gehandhaafd blijft; dat betekent dus dat het Reglement blijft bestaan en [appellant] zijn rechten daaronder op dezelfde wijze als tot dat moment zou kunnen uitoefenen. Deze uitleg mocht [appellant] verwachten toen deze overeenkomst werd getekend en dat moeten de Stichting en de BV in redelijkheid ook hebben begrepen.

Dat RBOC pas na het sluiten van de overeenkomst kennis heeft kunnen nemen van de gevolgen van het Reglement, zoals RBOC stelt, is onbegrijpelijk. Het Reglement bestond al geruime tijd en werd ook nageleefd. Alle partijen wisten hoe hun situatie ten opzichte van elkaar was; zij waren alle, de Stichting en de BV deugdelijk vertegenwoordigd, aanwezig bij het sluiten van die overeenkomst en hebben zich daaraan onvoorwaardelijk gecommitteerd. Zij zijn dan ook jegens elkaar aan deze overeenkomst gebonden. Voor zover RBOC bedoelt dat zij de gevolgen daarvan toen onvoldoende heeft overzien komt dat voor haar rekening.

3.10

Dat betekent, dat partijen die overeenkomst dienden na te komen. Daarmee verdroeg zich in beginsel niet dat het Reglement werd opgeheven. Bijzondere bijkomende omstandigheden die dit anders zouden kunnen maken, zijn niet gesteld of gebleken. Dat betekent, dat de vaststellingsovereenkomst van doorslaggevend belang diende te zijn in de afweging, waarbij ook hier (op mutatis mutandis dezelfde gronden als hiervoor) geldt, dat [appellant] betrokkene was in de zin van art. 2:8 lid 1 BW. Dat bij de gemaakte afweging het bestaan van de vaststellingsovereenkomst is betrokken, blijkt echter nergens uit.

RBOC stelt, dat het besluit tot opheffing is genomen in het kader van de ontvlechting van de Stichting en de BV, met name omdat deelname aan het reglement niet of nauwelijks openstond voor nieuwe participanten, het Reglement niet paste in een modern arbeidsvoorwaardenpakket, de toepassing van het Reglement erg ondoorzichtig en ingewikkeld was, de uitkering met name aan [appellant] ten goede kwam (omdat hij de meeste Winstcertificaten had) en voorts vanaf 2006 niet of nauwelijks uitkering was gedaan, lening I al was afgelost, de leningen en certificaten niet opeisbaar respectievelijk overdraagbaar waren en RBOC (mede) als gevolg van de uitkeringen de doelstellingen van de Stichting en de BV niet kon nastreven.

Wat er van deze redenen zij, zij waren alle reeds bekend ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst. Mede in aanmerking nemend dat [appellant] in 2010 met pensioen zou gaan en zijn rechten uit het reglement slechts tot 5 jaar daarna, april 2015, geldend zou kunnen maken, kunnen deze argumenten niet worden aangemerkt als voldoende zwaarwegend. De Stichting (en de BV) had(den) zich als rechtsperso(o)n(en) te houden aan haar (hun) verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst; daaruit vloeit voort, dat het haar (hen) niet vrij stond om besluiten te nemen die strijdig waren met het nakomen van die verplichtingen.

In die situatie was het besluit tot opheffing van het Reglement in strijd met de jegens [appellant] in acht te nemen redelijkheid en billijkheid. De vordering tot vernietiging van dit besluit op grond van art. 15 lid 1, aanhef en sub b BW is dan ook toewijsbaar.

Dat betekent, dat de grieven I tot en met V slagen.

3.11

De vordering sub iii tot winstuitkering conform het Reglement is daarmee echter nog niet toewijsbaar. Er zullen immers, uitgaande van het in stand blijven van het Reglement, nieuwe besluiten genomen kunnen/moeten worden, volgens de geldende regels en met inachtneming van de vereiste belangenafweging.

De vordering van [appellant] tot betaling

3.12

In de samenvatting van de gewijzigde vordering in 3.1 van het bestreden vonnis komt enige vordering tot schadevergoeding in eigenlijke zin niet voor. Tegen dat deel van het vonnis is geen grief gericht en [appellant] heeft in hoger beroep zijn eis ook niet gewijzigd, zodat het hof ervan moet uitgaan dat de vordering aldus juist is weergegeven. De schade waarvan in het partijdebat sprake is ziet echter kennelijk, blijkens grief VIII, op de winst die aan [appellant], in zijn visie ten onrechte, niet is uitgekeerd ten gevolge van de aangevochten besluiten; die winst vordert [appellant] onder iii, waar hij meer in het bijzonder vordert om RBOC te veroordelen tot betaling van een winstuitkering conform het Reglement op basis van de resultaten vanaf 2006.

Zoals reeds ter zitting aan de orde kwam, kan de verdere afwikkeling van het geschil tussen partijen op verschillende manieren verlopen. De gekozen processuele weg (tot bewandeling waarvan [appellant] meent gehouden te zijn) is deze, dat de besluiten nu worden vernietigd, dat nieuwe besluiten worden genomen en dat [appellant] te zijner tijd, als die nieuwe besluiten zijn genomen, zo nodig een nieuwe procedure aanhangig maakt waarin hij de schade becijfert en onderbouwt op basis van de situatie zoals die dan blijkt te zijn.

Een alternatief zou echter kunnen zijn dat reeds thans, in deze procedure, een vergelijking wordt gemaakt tussen de situatie die zou hebben bestaan als de besluiten niet waren genomen en de rechten van [appellant] onder het WinstcertificatenReglement waren gerespecteerd tot het einde van die regeling enerzijds en de (huidige) situatie, waarin het WinstcertificatenReglement tot een voortijdig einde is gekomen anderzijds. Dat zou het nemen van nieuwe besluiten en het entameren van een nieuwe procedure in dit opzicht, naar het zich laat aanzien, overbodig maken. Weliswaar zou dan uitgegaan moeten worden van een inschatting van de besluiten die gelet op voormelde oordelen genomen moeten worden (dan wel zouden zijn genomen als het voorgaande destijds bekend was geweest), maar omdat alle (cijfermatige) gegevens kennelijk bekend zijn lijkt een verantwoorde berekening het hof op het eerste gezicht mogelijk.

Nu daarover ter zitting weliswaar is gesproken, maar partijen zich daarop toen niet hadden geprepareerd en daarom ook geen weloverwogen standpunt in konden nemen ziet het hof aanleiding hen in de gelegenheid te stellen zich daaromtrent, bij akte, alsnog uit te laten.

3.13

Het hof verwijst de zaak naar de rol voor uitlating als bedoeld in 3.6 en 3.12. Wel zal, bij wijze van deelbeslissing, reeds thans de vernietiging van het onder 3.6 bedoelde besluit van de AVA van de BV tot vaststelling van de jaarrekening en van het bestuur van de Stichting tot opheffing van het Reglement worden uitgesproken.

3.14

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

vernietigt het besluit van de AVA van de BV tot vaststelling van de jaarrekening over het jaar 2009 d.d. 1 november 2010;

vernietigt het besluit van het bestuur van de Stichting tot opheffing van het WinstcertificatenReglement, blijkende uit de brief van 11 mei 2011;

en

alvorens verder te beslissen:

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 25 februari 2014 voor akte aan de zijde van RBOC tot het hiervoor onder 3.12 omschreven doel, waarna [appellant] mag reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. Hoekzema, J.W.M. Tromp en P.F.G.T. Hofmeijer-Rutten en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 21 januari 2014.