Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:6144

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2014
Datum publicatie
06-10-2015
Zaaknummer
200.132.509/01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2014:2336
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Effectenlease Dexia (zaaknummer 200.132.509/01). Echtgenoot heeft nietigheid van leaseovereenkomst ingeroepen. Dexia beroept zich op verjaring van de rechtsvordering van de echtgenoot tot vernietiging. Kantonrechter ontleent ten gunste van Dexia bewijsvermoeden aan het feit dat betalingen werden verricht vanaf en/of rekening. Het hof is, anders dan de kantonrechter, van oordeel dat het bewijsvermoeden is weerlegd. Het hof vernietigt het bestreden vonnis. Het dictum van het arrest is hersteld bij herstelarrest van 17 juni 2014.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

arrest

___________________________________________________________________ _ _

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.132.509/01

zaak-/rolnummer rechtbank Amsterdam : 1262493 DX EXPL 11-237

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 8 april 2014

inzake

[APPELLANTE],

wonend te [woonplaats] ,

appellante,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DEXIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellante] en Dexia genoemd.

[appellante] is bij dagvaarding van 13 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de kantonrechter), van 14 november 2012, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen haar als eiseres in conventie, tevens verweerster in reconventie en Dexia als gedaagde in conventie, tevens eiseres in reconventie.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord, met producties;

- akte uitlating van [appellante] ;

- antwoordakte van Dexia.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellante] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en – uitvoerbaar bij voorraad – haar vorderingen zoals geformuleerd in de memorie van grieven zal toewijzen, met beslissing over de proceskosten.

Dexia heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met – uitvoerbaar bij voorraad – beslissing over de proceskosten.

[appellante] heeft in hoger beroep bewijs van haar stellingen aangeboden.

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 23 mei 2012 onder 2 de feiten vastgesteld die hij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

3 Beoordeling

3.1.

Bij beschikking van 25 januari 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7033) heeft dit hof op de voet van artikel 7:907, eerste lid BW een overeenkomst tussen Dexia en anderen verbindend verklaard voor de kring van gerechtigden als bedoeld in artikel 2 van de WCAM-overeenkomst. [appellante] heeft tijdig een opt-out verklaring uitgebracht, zodat de WCAM-overeenkomst haar niet bindt.

3.2.

Deze procedure ziet op de door [appellante] met Dexia gesloten leaseovereenkomsten waarvan de echtgenoot van [appellante] de nietigheid heeft ingeroepen. Dexia beroept zich op verjaring van de rechtsvordering van de echtgenoot van [appellante] tot vernietiging daarvan.

3.3.

De leaseovereenkomsten moeten worden aangemerkt als overeenkomsten van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van artikel 1:88, eerste lid aanhef en onder d BW. De echtgenoot van [appellante] heeft op grond van artikel 1:89, eerste lid BW het recht de leaseovereenkomsten te vernietigen, omdat hij voor het aangaan daarvan door [appellante] geen schriftelijke toestemming heeft gegeven.

3.4.

Uit artikel 3:52, eerste lid aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89, eerste lid, BW volgt dat de bevoegdheid tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenoot van wie de toestemming was vereist, ten dienste is komen te staan.

3.5.

De kantonrechter heeft ten gunste van Dexia een bewijsvermoeden ontleend aan het feit dat de betalingen op grond van de leaseovereenkomsten werden verricht vanaf een en/of-rekening. [appellante] is tot het leveren van tegenbewijs toegelaten. De kantonrechter heeft de echtelieden als getuigen gehoord en is tot het oordeel gekomen dat met de getuigenverklaringen het bewijsvermoeden niet is weerlegd. De kantonrechter heeft vervolgens geconcludeerd dat Dexia is geslaagd in het bewijs dat de echtgenoot van [appellante] eerder dan drie jaren voor de vernietigingsbrief op de hoogte was van het bestaan van de leaseovereenkomsten. Om die reden zijn de vorderingen van [appellante] afgewezen en die van Dexia toegewezen.

3.6.

Tegen laatstgenoemde beslissingen en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellante] met haar grieven op.

3.7.

Anders dan de kantonrechter is het hof van oordeel dat het bewijsvermoeden dat is ontleend aan de en/of-rekening met de door [appellante] en haar echtgenoot afgelegde getuigenverklaringen is ontzenuwd. De getuigenverklaringen zijn op de relevante onderdelen met elkaar in overeenstemming en zij komen het hof niet ongeloofwaardig voor. De kantonrechter heeft in zoverre niet anders overwogen.

3.8.

Op grond van de getuigenverklaringen en de in het geding gebrachte stukken kan, ook in onderling verband en samenhang bezien, niet worden vastgesteld dat de echtgenoot van [appellante] eerder dan drie jaren voor de vernietigingsbrief daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de leaseovereenkomsten. De omstandigheid dat de echtgenoot van [appellante] heeft verklaard dat hij van meet af aan ervan op de hoogte was dat [appellante] spaarrekeningen voor de kinderen had geregeld met het oog op toekomstige studiekosten, betekent niet dat hij wist dat zij in dat verband, mede op zijn naam, leaseovereenkomsten had gesloten. De kantonrechter heeft zich bij zijn andersluidende oordeel slechts gebaseerd op (on)aannemelijkheden.

3.9.

Grief 3 slaagt derhalve.

3.10.

Dexia heeft in eerste aanleg en in hoger beroep ter onderbouwing van de door haar gestelde bekendheid van de echtgenoot van [appellante] voor het overige gewezen op verschillende omstandigheden, maar deze argumenten betreffen vooral veronderstellingen en aannemelijkheden. Hetgeen Dexia heeft gesteld, is niet voldoende om te kunnen concluderen dat de echtgenoot van [appellante] eerder dan drie jaren voor de vernietigingsbrief daadwerkelijk op de hoogte was van het bestaan van de leaseovereenkomsten. Voor bewijslevering door Dexia bestaat dan ook geen grond.

3.11.

De conclusie is dat het hoger beroep succes heeft. De overige grieven en stellingen van partijen behoeven bij deze stand van zaken geen bespreking. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. De in hoger beroep ingestelde vordering van [appellante] zal worden toegewezen en de in eerste aanleg door Dexia in reconventie ingestelde vordering zal alsnog worden afgewezen. Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in beide instanties. In eerste aanleg in reconventie zullen de kosten op nihil worden begroot, omdat het debat in reconventie nagenoeg geheel is samengevallen met dat in conventie.

4 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat de door partijen gesloten leaseovereenkomsten genaamd “Spaarleasen” met contractnummers 36012036, 36012037 en 36012038 rechtsgeldig op grond van de artikelen 1:88 en 1:89 BW zijn vernietigd en veroordeelt Dexia aan [appellante] te voldoen al hetgeen door [appellante] aan Dexia op grond van deze leaseovereenkomsten is voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van betaling aan Dexia tot de dag van algehele betaling door Dexia;

wijst de in eerste aanleg door Dexia in reconventie ingestelde vordering alsnog af;

veroordeelt Dexia in de kosten van het geding in beide instanties, in eerste aanleg in conventie aan de zijde van [appellante] begroot op € 196,81 aan verschotten en € 1.200,00 voor salaris en in reconventie op nihil en in hoger beroep tot op heden op € 391,82 aan verschotten en € 1.341,00 voor salaris en op € 205,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,00 voor nasalaris en met de kosten van het betekeningsexploot, ingeval niet binnen veertien dagen is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling(en) en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W.M. Tromp, C. Uriot en D.J. Oranje en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 8 april 2014.