Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2014:2210

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
10-06-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
200.106.871-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:3627, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige publicatie. Aanduiding in perspublicatie van verdachte in strafzaak met naam en toenaam. Belangenafweging vrijheid van meningsuiting versus recht op eerbiediging persoonlijke levenssfeer (art. 7 Gw, 8 en 10 EVRM)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team 1

zaaknummer : 200.106.871/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : 497600 / HA ZA 11-2349

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 10 juni 2014

inzake

[APPELLANT] ,

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEARST MAGAZINES NETHERLANDS B.V. (voorheen genaamd

Hachette Filipacchi Media Netherlands B.V.),

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

2. [GEÏNTIMEERDE SUB 2],

wonende te Oegstgeest,

advocaat: M.Ch. Kaaks te Amsterdam,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

UITGEVERIJ PROMETHEUS B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

advocaat: mr. A.P. Groen te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDEN.

1 Het geding in hoger beroep

Appellant wordt hierna [appellant] genoemd, geïntimeerden zullen gezamenlijk als Hearst Magazines c.s. worden aangeduid en afzonderlijk Hearst Magazines, [geïntimeerde sub 2] en Prometheus worden genoemd.

[appellant] is bij dagvaarding van 12 april 2012 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 7 maart 2012, onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen hem, [appellant], als eiser en Hearst Magazines c.s. als gedaagden.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven, met producties;

- memorie van antwoord van Hearst Magazines en [geïntimeerde sub 2], met producties,

- memorie van antwoord van Prometheus.

Partijen hebben de zaak mondeling doen bepleiten, [appellant] door mr. J.F.T.A. van den Eijnden, advocaat te Rotterdam, en Hearst Magazines en [geïntimeerde sub 2] door mr. Kaaks en Prometheus door mr. Groen. De advocaten hebben gepleit aan de hand van aan het hof overgelegde pleitaantekeningen. Ter gelegenheid van de pleidooien zijn zowel door [appellant] als door Hearst Magazines en [geïntimeerde sub 2] producties in het geding gebracht, door [appellant] de producties 14 tot en met 17 en door Hearst Magazines en [geïntimeerde sub 2] de producties 17 en 18.

Ten slotte is arrest gevraagd.

[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de door hem in eerste aanleg ingestelde vorderingen bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest alsnog zal toewijzen, met veroordeling van Hearst Magazines c.s. in de kosten van het geding in beide instanties.

Hearst Magazines c.s. hebben, kort gezegd, geconcludeerd tot bekrachtiging, met veroordeling van [appellant] de kosten van - begrijpt het hof - het geding in hoger beroep.

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs van zijn stellingen aangeboden.

2 Feiten

Geen geschil bestaat omtrent de juistheid van de in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.10 opgesomde tussen partijen vaststaande feiten, zodat ook het hof deze feiten als vaststaand zal aannemen.

3 Beoordeling

3.1.

Deze zaak gaat over het volgende.

( i) De FIOD-ECD heeft [appellant], in het kader van een justitieel onderzoek naar J.A.J. [X] (hierna: [X]), in 2007 als getuige gehoord. [X] werd en wordt door het Openbaar Ministerie verdacht van onder meer faillissementsfraude. [appellant] was gedurende een deel van de periode waarbinnen de vermeende faillissementsfraude zich zou hebben afgespeeld werkzaam als financial controller voor het door [X] bestuurde RDM-concern waarbinnen deze fraude zou hebben plaatsgevonden.

(ii) Op 8 april 2008 heeft [appellant] van een opsporingsambtenaar van de FIOD-ECD vernomen dat de officier van justitie die dag heeft besloten hem als verdachte in het lopende justitiële onderzoek naar de vermeende faillissementsfraude aan te merken.

(iii) Op 25 september 2010 is onder redactie van financieel journalist [geïntimeerde sub 2] een artikel in NRC Handelsblad verschenen met als kop “Nieuwe verdachte in fraudezaak RDM”. In dit artikel is, voor zover hier relevant, de volgende passage opgenomen:

“[…] In dat dossier waren al twee medeverdachten bekend: [X] voormalige secretaresse [Y] en ex-directeur [Z] Naar nu blijkt, is er nog een vierde persoon als verdachte in deze zaak aangemerkt: [appellant], de voormalige controller van het concern.”

(iv) Op 12 oktober 2010 heeft [geïntimeerde sub 2], die bezig was met het schrijven van een biografie over [X], telefonisch contact opgenomen met [appellant]. [appellant] heeft in dit telefoongesprek tegenover [geïntimeerde sub 2], die zich voorstelde als journalist van NRC Handelsblad, ontkend dat hij de [appellant] was naar wie [geïntimeerde sub 2] op zoek was. Op 14, 15 en 20 oktober 2010 heeft [geïntimeerde sub 2] contact gezocht met de advocaat die [appellant] in de strafzaak bijstond. Deze advocaat heeft laten weten dat zij niet (inhoudelijk) op vragen van [geïntimeerde sub 2] wilde ingaan.

( v) In het decembernummer van 2010 van het door (toen nog) Hachette (thans: Hearst Magazines) uitgegeven maandblad Quote is van de hand van [geïntimeerde sub 2] een artikel met als titel “[X] BESMEURD HAVENGELD” verschenen waarin, voor zover hier relevant, de volgende passage is opgenomen:

“[…] In de loop van het strafrechtelijk onderzoek wordt ook nog een hulpje van [Z] als verdachte aangemerkt, controller [appellant]. […]

De verdachten

[…]

[appellant] (41) Ex-marinier en boekhouder. Werd in februari 2004 door [Z] bij RDM aangetrokken om te helpen met financieel puinruimen. De twee werkten ook al nauw samen bij Flex Group Nederland. Tijdens zijn verhoren als getuige in de faillissementsfraudezaak vond Justitie dat hij dermate veel had meegewerkt aan omstreden geldtransacties, dat men hem aanmerkte als verdachte. Tegenover de buitenwereld ontkent [appellant] bij de zaak betrokken te zijn, laat staan dat hij bij RDM gewerkt heeft. Hij is tegenwoordig in te huren als freelance controller en financieringsadviseur voor het mkb. [X] maakt nog altijd gebruik van zijn diensten voor een van zijn nog bestaande investeringsmaatschappijen.”

(vi) In de door [geïntimeerde sub 2] geschreven en door Prometheus uitgegeven biografie over [X] met de titel “[X]! Van held tot hoofdverdachte” (hierna: het boek) wordt [appellant] in vier passages met naam en toenaam genoemd. De betreffende passages luiden:

Op pagina 269:

“[…] De 35-jarige [appellant] schuift in februari 2004 aan om het achterstallig onderhoud in de administratie die [Z] heeft aangetroffen weg te werken. […]”

Op pagina 277:

“[…] Later in het onderzoek hoort het Openbaar Ministerie nog een medeverdachte in de zaak, de voormalige financieel controller van het RDM-concern [appellant]. […]”

Op pagina 286:

“[…] Saillant is dat dit document verzorgd en ingestuurd is door freelance boekhoudkantoor M2K4 Services uit Apeldoorn van voormalig RDM-controller [appellant], medeverdachte in de faillissementsfraudezaak. […]”

En op pagina 288:

“[…] Nonox bestaat nog steeds, maakt nog altijd verlies en heeft een negatief eigen vermogen – de boeken worden opgemaakt door dezelfde ex-controller van het RDM-concern, [appellant].[…]”

(vii) Bij brief van 15 februari 2011 heeft [appellant] tegen [geïntimeerde sub 2], Prometheus en de hoofdredacteuren van Quote een klacht ingediend bij de Raad voor de Journalistiek, omdat – kort gezegd – zijn privacy is geschonden door het vermelden van zijn volledige naam in de hiervoor onder (v) en (vi) geciteerde publicaties terwijl hij als verdachte is aangeduid.

(viii) In het aprilnummer van 2011 van Quote heeft Quote in de rubriek “tot mij wendde zich”, onder de kop “SCHANDE” en geïllustreerd met een foto van een huilende baby, als volgt op de tegen haar ingediende klacht gereageerd:

“KLACHT Advocate Alexandra van den Eijnden van pleitkantoor Lawton (Rotterdam) dient namens haar cliënt [appellant] een klacht in bij de Raad van de Journalistiek tegen Quote. In het verhaal ‘Besmeurd havengeld’(Quote december, p.70) over [X] heeft Quote de naam van de van fraude verdachte boekhouder van [X], de heer [appellant], voluit geschreven en hem daarmee besmeurd.

“Volgens de heer [appellant] hebben degenen tegen wie de klacht zich richt de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.”

NASCHRIFT Het spijt ons, meneer [appellant].”

(ix) Bij beslissing van 29 april 2011 heeft de Raad voor de Journalistiek de klacht van [appellant] gegrond geacht. Deze beslissing luidt, voor zover hier van belang:

[…] BEOORDELING VAN DE KLACHT […]

Een en ander leidt tot de slotsom dat met de vermelding van klagers naam diens privacy disproportioneel is aangetast. Verweerders hebben derhalve door klagers naam te vermelden de grenzen overschreden van hetgeen, gelet op de eisen van journalistieke verantwoordelijkheid, maatschappelijk aanvaardbaar is.”

Aan het in de beslissing van de Raad voor de Journalistiek opgenomen verzoek om de beslissing van de raad integraal of in samenvatting in Quote alsmede op de website van Prometheus te publiceren, is geen gevolg gegeven.

( x) Bij brief van 10 mei 2011 heeft [appellant] Hearst Magazines c.s. aansprakelijk gesteld voor de door hem als gevolg van de (in zijn visie) onrechtmatige handelwijze van Hearst Magazines c.s. geleden en nog te lijden schade.

(xi) De in de onderhavige zaak door [appellant] ingestelde vordering strekt tot de hoofdelijke veroordeling van Hearst Magazines c.s.:

- primair, tot betaling van EUR 95.288,- aan schadevergoeding, alsmede tot vergoeding van nog te lijden schade op te maken bij staat, vermeerderd met rente;

- subsidiair, tot betaling van een in goede justitie te bepalen bedrag aan schadevergoeding;

- primair en subsidiair, in de proceskosten.

Aan deze vordering legt [appellant] ten grondslag, verkort weergegeven, dat Hearst Magazines c.s. onrechtmatig jegens hem hebben gehandeld door in de hiervoor onder (v), (vi) en (viii) geciteerde publicaties (hierna: de publicaties) zijn volledige naam te vermelden en niet slechts zijn voorletters zoals in journalistieke kringen te doen gebruikelijk is bij publicaties over personen die onderwerp zijn van justitieel onderzoek. [appellant] stelt dat hij als gevolg van de handelwijze van Hearst Magazines c.s. materiële en immateriële schade ter hoogte van het door hem in hoofdsom gevorderde bedrag heeft geleden.

3.2.

In het vonnis waarvan beroep (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank de wederzijdse belangen (het belang van Hearst Magazines c.s. bij vrijheid van meningsuiting en het belang van [appellant] bij bescherming van zijn privéleven) tegen elkaar afgewogen en is tot het oordeel gekomen dat met betrekking tot de uitlatingen (v) en (vi) “niet kan worden gezegd dat de vermelding van diens (i.e. [appellant]’) volledige naam iedere redelijke grond ontbeert”. Ook heeft de rechtbank van belang geacht dat [appellant] zelf de mogelijkheid om bezwaar tegen de vermelding van zijn naam in de publicaties te maken heeft laten lopen doordat hij en zijn advocaat, ondanks een daartoe gedaan telefonisch verzoek, [geïntimeerde sub 2] niet te woord hebben willen staan.

Ten aanzien van de uitlating onder (viii) heeft de rechtbank geoordeeld dat deze als ‘onnodig en pesterig’ kan worden beschouwd maar dat, omdat ten tijde van deze uitlating het kwaad al was geschied, uitsluitend op deze publicatie geen schadevergoedingsvordering kan worden gegrond.

De rechtbank heeft de vorderingen van [appellant] afgewezen met veroordeling van hem de proceskosten.

3.3.

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag gelegde motivering komt [appellant] met negen grieven op. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.4.

Het hof begrijpt dat de bezwaren van [appellant] geen betrekking hebben op de (geringe) feitelijke onjuistheden in de publicaties maar dat het hem erom gaat dat Hearst Magazines c.s., doordat zij op de onder ‘de feiten’ beschreven wijze zijn volledige naam hebben gebruikt, geopenbaard en bekendgemaakt terwijl hij verdachte was in het strafrechtelijk onderzoek, nodeloos zijn privacy hebben geschonden en hem daarmee hebben aangetast in zijn persoonlijke levenssfeer. Anders dan de rechtbank is [appellant] van mening dat de door Hearst Magazines c.s. gebezigde bewoordingen wel degelijk tendentieus en diskwalificerend zijn. [appellant] wijst in dit verband op het gegeven dat hij wordt gekwalificeerd als het ‘hulpje van [Z]’ (waarbij het woord ‘hulpje’ een denigrerend en diskwalificerend karakter heeft), op het gebruik van het woord ‘Saillant’ op pagina 286 van het boek (het woord saillant is bewust gebruikt om een negatieve stemming te creëren) en op de publicatie in de Quote van april 2011, waarin [appellant] wordt vergeleken met een huilende baby.

Het betoog van Hearst Magazines c.s. dat [appellant] de grondslag van zijn vorderingen ontoelaatbaar heeft uitgebreid, in die zin dat oorspronkelijk zijn bezwaren slechts betrekking had op het noemen van zijn naam en deze thans ook betrekking hebben op het tendentieus en diskwalificerend zijn van de publicaties, gaat niet op. Voor zover van aanvulling van de grondslag al sprake zou zijn, is dat [appellant] in de memorie van grieven in hoger beroep toegestaan.

De bezwaren van [appellant] tegen het vonnis zijn deels gericht tegen de factoren die de rechtbank in de belangenafweging heeft betrokken, tegen het gewicht dat de rechtbank daaraan heeft gegeven, tegen de uitkomst van de belangenafweging door de rechtbank en tegen de afwijzing van de door [appellant] ingestelde vorderingen en de veroordeling van hem in de proceskosten.

met betrekking tot geïntimeerde sub 3, uitgeverij Prometheus

3.5.1.

De vordering van [appellant] is gebaseerd op een door de drie geïntimeerden jegens hem gepleegde onrechtmatige daad. Zijn vordering strekt tot schadevergoeding.

Met betrekking tot Prometheus heeft [appellant] in eerste aanleg ter gelegenheid van de comparitie van partijen onder meer als volgt verklaard:

Ik kan de door mij geleden schade niet direct herleiden naar het boek van [geïntimeerde sub 2]. Op het boek ben ik door niemand aangesproken.

3.5.2.

In hoger beroep heeft Prometheus, mede onder verwijzing naar de uitlating van [appellant] tijdens de comparitie van partijen, zowel in de memorie van antwoord als ter gelegenheid van het pleidooi aangevoerd dat de vordering van [appellant] jegens haar niet voor toewijzing in aanmerking komen, reeds omdat [appellant] slechts schadevergoeding heeft gevorderd en heeft erkend geen schade te hebben geleden.

3.5.3.

Het hof constateert dat [appellant] op de eerder door hem gedane mededeling niet is teruggekomen en ook anderszins op geen enkele wijze de mogelijkheid van schade aannemelijk heeft gemaakt. Dit zo zijnde kan het hof buiten beschouwing laten of het handelen van Prometheus jegens [appellant] onrechtmatig is geweest. Een actie uit onrechtmatige daad, strekkend tot veroordeling van schadeschadevergoeding op te maken bij staat, komt alleen voor toewijzing in aanmerking wanneer de mogelijkheid van schade is gesteld en aannemelijk gemaakt. Aan dit vereiste is niet voldaan. Ten aanzien van Prometheus zal het vonnis waarvan beroep daarom in het te dezen te wijzen eindarrest worden bekrachtigd, met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

met betrekking tot [geïntimeerde sub 2] en Quote

3.6.

Bij de beoordeling van de vraag of de beide andere geïntimeerden, [geïntimeerde sub 2] en Hearst Magazines, onrechtmatig jegens [appellant] hebben gehandeld, strekt het volgende tot uitgangspunt. [appellant] beroept zich op zijn recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, welk recht is geschonden doordat in de hiervoor onder 3.1 (v) en (viii) geciteerde publicaties (hierna: de publicaties) zijn volledige naam is vermeld en de wijze waarop dat is geschied. Daartegenover beroepen Hearst Magazines en [geïntimeerde sub 2] zich op het recht op vrijheid van meningsuiting. Terecht hebben partijen geen bezwaar gemaakt tegen de door de rechtbank in haar beoordeling gehanteerde maatstaf. Bij een botsing immers van enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting met anderzijds het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, moet het antwoord op de vraag welk van deze beide rechten in het concrete geval zwaarder weegt, worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. In het kader van het recht op vrijheid van meningsuiting komt daarbij aan de positie van de pers bijzondere betekenis toe, gelet op enerzijds de taak van de pers om informatie en ideeën van publiek belang te verspreiden en om zijn vitale rol van publieke waakhond te spelen en anderzijds het recht van het publiek informatie en ideeën te ontvangen. Bij de afweging komt in beginsel geen voorrang toe aan het door artikel 7 Gw. en artikel 10 EVRM gewaarborgde recht op vrijheid van meningsuiting. Ditzelfde geldt voor de door artikel 8 EVRM beschermde persoonlijke levenssfeer. Het voorgaande leidt ertoe dat de toetsing in één keer dient te geschieden waarbij het oordeel dat een van beide rechten, gelet op alle terzake dienende omstandigheden, zwaarder weegt dan het andere recht, meebrengt dat daarmee de inbreuk op het andere recht voldoet aan de noodzakelijkheidstoets van het tweede lid van artikel 10 EVRM dan wel het tweede lid van artikel 8 EVRM.

3.7.

Bij de beantwoording van de vraag of, zoals Hearst Magazines c.s. aanvoeren, de door [appellant] gevorderde schadevergoeding in de onderhavige zaak een te vergaande inperking vormt van het recht op vrijheid van meningsuiting, kent het hof aan de volgende feiten en omstandigheden betekenis toe:

- [appellant] is geen publieke figuur. Hij is pas in de loop van het onderzoek als verdachte aangemerkt;

- [appellant] heeft weliswaar een rol gespeeld in de door de publicaties onthulde misstand, maar deze rol is beperkt;

- de functie van [appellant], financial controller, is geen publieke functie. Daaraan doet niet af dat een financial controller ook wel wordt aangeduid als: “het financiële geweten van de onderneming”;

- dat [appellant] overigens betrokken zou zijn geweest bij het corruptieschandaal in de Rotterdamse haven dan wel bij het onttrekken van (publieke) overheidsgelden, is gesteld noch gebleken;

- ten tijde van de publicaties had [appellant] de status van verdachte in een strafzaak. Van een rechterlijke beoordeling van zijn handelen en van veroordeling door de strafrechter was nog geen sprake;

- [appellant] heeft de publiciteit op geen enkele wijze gezocht. Onweersproken is dat hij met het Openbaar Ministerie had afgesproken dat hij buiten de publiciteit zou blijven. Uit het enkele gegeven dat hij, gebeld door [geïntimeerde sub 2], geen enkele mededeling heeft willen doen en ontkend heeft bij (kort gezegd) de kwestie [X] betrokken te zijn, kan – en mocht - niet de conclusie worden getrokken dat hij ermee heeft ingestemd c.q. het risico heeft aanvaard dat hij met naam en toenaam vermeld zou worden. Hiervoor bestond te minder reden omdat [appellant] onweersproken heeft gesteld dat [geïntimeerde sub 2] zich in het begin van het telefoongesprek heeft gemeld als journalist van NRC Handelsblad en dat [appellant], omdat hij in de eerdere publicatie in dit dagblad (slechts) als [appellant] was aangeduid, (juist) geen reden had om te vermoeden dat [geïntimeerde sub 2] hem in een volgende publicatie met zijn volledige namen zou aanduiden;

- ook doet zich niet voor dat [appellant] zich in de (kort gezegd) kwestie rond [X] op een of andere wijze, zoals in de berichtgeving daarover, heeft geprofileerd;

- [geïntimeerde sub 2] en Quote hebben aangevoerd dat de berichtgeving feitelijk juist was (in welke stelling zij kunnen worden gevolgd) en dat deze in neutrale bewoordingen is geschied. Voor zover dit voor het aansprakelijkheidsoordeel van belang zou zijn moet worden geconstateerd dat laatstgenoemde stelling niet opgaat. Het hof deelt de onder 3.4 weergegeven zienswijze van [appellant]: het gebruik van de woorden “hulpje” en “Saillant” heeft zonder meer een negatieve en suggestieve connotatie. (Aan de publicatie genoemd in 3.1. (viii) zal onder 3.12 een aparte overweging worden gewijd);

- een bij de beoordeling van de (on) rechtmatigheid van het handelen van [geïntimeerde sub 2] en Quote mee te wegen factor is dat in een klacht van [appellant] tegen [geïntimeerde sub 2] en de hoofdredacteuren van Quote, welke klacht slechts betrekking had op de onder 3.1 (v) en (vi) vermelde publicaties (de tweede publicatie in Quote, onder de kop “Schande”, is niet tijdig voorafgaand aan de zitting van de raad ingediend en daarom slechts als informatie behorend bij de oorspronkelijke klacht betrokken), de Raad voor de Journalistiek heeft geoordeeld dat door de vermelding van [appellant]’ naam sprake is van overschrijding van de grenzen van zorgvuldige journalistiek en dat de privacy van [appellant] door deze publicaties disproportioneel is aangetast. In dit verband kan nog worden opgemerkt dat de stelling van [geïntimeerde sub 2] en Quote, inhoudende dat het Financieele Dagblad verdachten van economische delicten, waaronder faillissementsfraude, veelvuldig bij de volledige naam noemt, door [appellant] gemotiveerd is betwist door overlegging van een e-mail van een bij het Financieele Dagblad werkzame onderzoeksjournalist die schrijft dat het beleid van het Financieele Dagblad is dat verdachten altijd met voornaam en “achterletter” worden aangeduid tenzij de verdachte zelf de publiciteit al heeft gezocht of kenbaar heeft gemaakt geen bezwaar tegen vermelding van de complete naam te hebben;

- juist is de stelling van [geïntimeerde sub 2] en Quote dat een factor die in de beoordeling betrokken moet worden is dat de berichtgeving over [appellant] in de publicaties beperkt is tot zijn professionele handelen als financial controller bij het RDM-concern en geen betrekking heeft op privé-omstandigheden. Dit enkele gegeven leidt er evenwel nog niet toe dat volledige naamsvermelding van een verdachte in alle gevallen rechtmatig is;

- onjuist is de (impliciete) stelling van [geïntimeerde sub 2] en Quote (memorie van antwoord, 17) dat de consequenties van de naamsvermelding van [appellant] voor hen niet voorzienbaar zouden zijn geweest. Het moet [geïntimeerde sub 2] en Quote duidelijk zijn geweest dat de bekendheid onder (huidige en potentieel toekomstige) opdrachtgevers van [appellant] als financial controller met zijn betrokkenheid bij faillissementsfraude en/of valsheid in geschrifte vérstrekkende gevolgen zou kunnen hebben omdat deze opdrachtgevers hun imago bij voorkeur niet verbonden willen zien met een persoon die zich aan deze strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Ook moet voorzienbaar zijn geweest dat de publicaties (de beschuldiging van ernstige strafbare feiten) nadelige gevolgen zouden hebben voor [appellant] privésfeer;

- [geïntimeerde sub 2] en Quote hebben gewezen op de in hun ogen zeer hoge schadevordering die [appellant] heeft ingesteld. Het hof ziet het gevaar dat het in artikel 10 EVRM gegeven recht op vrije meningsuiting in het gedrang kan komen wanneer een journalist door het noemen van de volledige naam van een van een strafbaar feit verdachte persoon, het risico loopt aansprakelijk te worden voor zeer hoge schadeclaims. Anderzijds heeft ook te gelden dat een journalist, (juist) wanneer in het desbetreffende geval de naamsvermelding zeer grote schade teweeg kan brengen, extra behoedzaamheid zal dienen te betrachten. In hoeverre de schadevordering van [appellant], ingesteld voor een bedrag van rond € 100.000,- met een vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure, voor algehele toewijzing in aanmerking zal komen, staat overigens nog geenszins vast, zodat daarvan in het onderhavige geschil niet op voorhand kan worden uitgegaan.

3.8.

Deze omstandigheden in aanmerking genomen komt het hof tot de volgende slotsom.

3.9.

De omvangrijke faillissementsfraude bij RDM en de daarmee verbonden corruptie-affaire in de Rotterdamse haven en de rol die onder meer [X] daarin heeft gespeeld, vormen zonder meer een kwestie bij het openbaar bekendmaken waarvan een groot publiek belang bestond. Dit is tussen partijen ook niet in geschil. Waar het om gaat is of het publiek belang in deze zaak rechtvaardigde dat in de daarop betrekking hebbende publicaties [appellant], die in deze zaak door het Openbaar Ministerie als verdachte van faillissementsfraude en valsheid in geschrifte was aangemerkt, met naam en toenaam werd aangeduid.

3.10.

Het hof beantwoordt deze vraag ontkennend. Waar het noemen van de functie van [appellant], financial controller van het concern van [X], (stellig) nog als functioneel kan worden aangemerkt omdat daarmee de (mogelijke) betrokkenheid van een financial controller bij de (mogelijke) onderhavige faillissementsfraude en het Rotterdamse havenschandaal als misstand (en de daardoor ontstane aanzienlijke economische en maatschappelijke schade) aan de kaak zou worden gesteld, bestond in het kader van de openbaarmaking van de onderhavige kwestie in het publieke belang, mede in aanmerking genomen de daardoor te verwachten schade voor de reputatie van [appellant], geen zodanige reden voor het noemen van zijn volledige naam dat het bekendmaken van die volledige naam daardoor gerechtvaardigd was. Anders gezegd: het noemen van [appellant] met naam en toenaam was voor het openbaar maken van de misstand onvoldoende noodzakelijk en diende daarom, gelet op de schade die voor [appellant] daardoor zou kunnen ontstaan, geen redelijk belang. In de woorden van de Raad voor de Journalistiek: de vermelding van de naam van [appellant] was een disproportionele aantasting van diens privacy.

3.11.

Het door Hearst Magazines c.s. aangevoerde gegeven dat [appellant] ook tijdens de publicatie nog steeds een bijzondere relatie onderhield met de hoofdverdachte [X] en nog steeds met hem een zakelijke band had, maakt dit niet anders.

3.12.

Met betrekking tot Quote merkt het hof ten slotte het volgende op. Quote neemt in deze aansprakelijkheidsprocedure een aparte positie in. Waar met betrekking tot de vermelding van [appellant] als verdachte, met naam en toenaam, in het bericht zoals weergegeven onder 3.1.(v) nog, zij het ten onrechte, gemeend had kunnen worden dat deze vermelding toelaatbaar was in verband met het onthullen door een journalist van een belangrijke misstand, bestaat voor de publicatie zoals weergegeven onder 3.1.(viii) geen enkele rechtvaardigingsgrond. In deze publicatie wordt niet alleen herhaald dat [appellant] verdacht is van faillissementsfraude maar wordt benadrukt dat [appellant] de persoon in kwestie is, waardoor de aandacht van het publiek extra op hem wordt gevestigd. Terecht heeft de rechtbank deze publicatie als “onnodig en pesterig” aangemerkt. Zonder twijfel heeft deze publicatie voor [appellant] tot extra schade geleid, waarvoor (alleen) Quote aansprakelijk is.

3.13.

De grieven slagen. [geïntimeerde sub 2] en Quote hebben jegens [appellant] in strijd met artikel 6:162 BW - een wettelijke beperking als genoemd in artikel 10, lid 2, EVRM - en mitsdien onrechtmatig gehandeld. Het vonnis waarvan beroep kan ten aanzien van hen niet in stand kunnen blijven.

De verdere behandeling van het hoger beroep

3.14.

Voor de schade ontstaan door de publicatie zoals weergegeven onder 3.1.(v) zijn [geïntimeerde sub 2] en Quote hoofdelijk aansprakelijk, voor de (extra)schade ontstaan door de publicatie zoals weergegeven onder 3.1.(viii) is alleen Quote aansprakelijk.

3.15.

Het debat omtrent de schade is, doordat de aandacht vooral op de aansprakelijkheid gericht is geweest, nog onvoldragen. Bij deze stand van zaken zal het hof de zaak naar de rolzitting verwijzen voor uitlating partijen. Het hof geeft partijen in overweging in overleg tot een minnelijke regeling te komen. Indien partijen hierin niet slagen zullen zij in een door hen te nemen akte een gezamenlijk verzoek kunnen doen tot het bepalen van een comparitie van partijen met het doel om, mede aan de hand van nadere door partijen te verstrekken gegevens omtrent de schade, onder leiding van een raadsheercommissaris een schikking te beproeven. Partijen zullen ook om een eindarrest kunnen verzoeken, waarvan - tenzij alsnog anders wordt beslist - het gevolg zal zijn dat de zaak, al dan niet met toewijzing van een bedrag ten aanzien waarvan als voldoende vaststaand kan worden aangenomen dat [appellant] daarvoor schade heeft geleden, wordt verwezen naar de schadestaatprocedure.

3.16.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3.17.

Het hof ziet reden om te bepalen dat cassatie tegen dit tussenarrest open staat.

4 Beslissing

Het hof:

verwijst de zaak naar de rolzitting van dit hof van 1 juli 2014 voor uitlating van partijen zoals beschreven onder 3.15;

benoemt, in het geval partijen een gezamenlijk verzoek doen tot het houden van een comparitie, mr. G.J. Visser tot raadsheercommissaris en bepaalt dat de comparitie zal worden gehouden in het Paleis van Justitie, IJdok 20 te Amsterdam, op een nader vast te stellen dag en uur;

verzoekt partijen om, indien zij zich ter gelegenheid van deze comparitie willen beroepen op nadere stukken met betrekking tot de door [appellant] gestelde schade, deze stukken tenminste één week voor de comparitie toe te zenden aan de raadsheercommissaris, met een afschrift aan de wederpartij;

stelt cassatie tegen dit tussenarrest open;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.E. van Tuyll van Serooskerken-Röell, G.J. Visser en J.H. Huijzer en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2014.