Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2011:BV0991

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
14-12-2011
Datum publicatie
16-01-2012
Zaaknummer
23-000784-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belediging van een ambtenaar in functie. Het brengen van de hitlergroet aan een politieman is een ernstige vorm van belediging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

parketnummer: 23-000784-11

datum uitspraak: 14 december 2011

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 22 februari 2011 in de strafzaak onder parketnummer 13-857247-09 tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1969],

adres: [adres] B, [woonplaats].

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De verdachte is door de politierechter in de rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van

30 november 2011.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank toegelaten wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - dat:

feit 2:

hij op of omstreeks 28 oktober 2009 te Amsterdam opzettelijk beledigend (een) ambtena(a)r(en), te weten [verbalisant] (hoofdagent van politiekorps Amsterdam-Amstelland), gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten als beslisser van dienst, in diens/dier tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Sieg Heil" en/of (daarbij) één of meermalen een (zogenaamde) Hitlergroet naar en/of in de richting van die

[verbalisant] heeft gebracht, althans woorden en/of feitelijkheden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep - voor zover in hoger beroep nog aan de orde - kan niet in stand blijven, reeds omdat daarvan slechts ingevolge het bepaalde in artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering aantekening is gemaakt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 28 oktober 2009 te Amsterdam opzettelijk beledigend een ambtenaar, te weten

[verbalisant] (hoofdagent van politiekorps Amsterdam-Amstelland), gedurende en ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten als beslisser van dienst, in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Sieg Heil" en daarbij meermalen een zogenaamde Hitlergroet in de richting van die [verbalisant] heeft gebracht.

Hetgeen onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat hij ten tijde van het ten laste gelegde feit psychotisch was en daardoor geen besef had van wat hij deed, dan wel dat de politie hem in zijn verwarde toestand tot het ten laste gelegde handelen heeft uitgelokt. Het hof verstaat dit als een beroep op niet-toerekenbaarheid, waarop ontslag van alle rechtsvervolging zou moeten volgen.

Het hof verwerpt het verweer.

Het hof acht, mede gelet op het door de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde op hem betrekking hebbende behandelingsplan van 2 september 2011 van de forensisch Psychiatrische Polikliniek Amsterdam (waarin sprake is van een precair psychiatrisch toestandsbeeld dat zich in 2009 openbaarde, met klachten over depressieve stemmingen, angstklachten en dwanghandelingen), aannemelijk dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit (ernstige) psychische problemen had. Uit het behandelingsplan komt niet naar voren dat de verdachte bekend is of was met psychotische verschijnselen.

Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat bij de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde feit van een zodanige psychische druk sprake is geweest dat zijn wilsvrijheid was aangetast of dat van hem redelijkerwijs niet gevergd kon worden dat hij weerstand bood aan de innerlijke druk die hij voelde. In de verklaring die de verdachte na zijn aanhouding heeft afgelegd bij de politie zijn geen aanknopingspunten te vinden voor de conclusie dat de verdachte verward was, mogelijk op grond van waandenkbeelden handelde of anderszins niet precies wist wat hij deed, integendeel. Uit deze verklaring leidt het hof af dat hij zijn beledigingen doelbewust op één van de politieambtenaren heeft gericht, namelijk op "die lange agent". Hij heeft verklaard dat deze agent hem zo boos had gemaakt dat hij hem de Hitlergroet heeft gebracht. Hij voelde zich namelijk, zo heeft hij verklaard, als een jood uit de Amsterdamse Jodenbuurt die voor niets werd aangehouden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte nog eens herhaald dat hij uit boosheid heeft gehandeld.

Het feit kan de verdachte op grond van het vorenstaande worden toegerekend.

Voor het standpunt dat de politie het gedrag van de verdachte moedwillig heeft uitgelokt, vindt het hof verder geen aanknopingspunten.

Ook overigens is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straffen

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van EUR 150,-, subsidiair 3 dagen hechtenis.

Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 16 uren, subsidiair 8 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft in een politiebureau in het bijzijn van andere politieambtenaren aan een dienstdoende politieambtenaar de Hitlergroet gebracht en daarbij "Sieg Heil" gezegd. Dit is een zeer ernstige belediging die de waardigheid van een politieman volstrekt miskent en uiterst kwetsend is voor de persoon waartegen dit is gericht.

De verdachte heeft door op deze wijze uiting te geven aan zijn boosheid ten opzichte van de politie de grenzen van het toelaatbare ver overschreden. Ter terechtzitting in hoger beroep is het hof voorts gebleken dat de verdachte het laakbare van zijn handelen nog steeds niet inziet. Hij blijft van mening dat het voorval geheel aan het gedrag van de politie is te wijten en miskent zijn eigen rol daarin.

Het hof ziet daarom reden om, anders dan de politierechter en de advocaat-generaal, te komen tot de oplegging van een gecombineerde straf, bestaande uit na te melden geldboete en een voorwaardelijke werkstraf. De werkstraf wordt slechts in voorwaardelijke vorm opgelegd omdat het hof daarmee wil bewerkstelligen dat de verdachte in de toekomst zijn boosheid voldoende beteugelt. Daarbij heeft het hof er rekening mee gehouden dat de verdachte destijds al aanzienlijke psychische problemen had die nu nog voortduren.

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 14 november 2011 is de verdachte eerder veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende, een geldboete van na te melden hoogte en een voorwaardelijke werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 63, 266 en 267 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen het onder 1 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover in hoger beroep aan de orde - en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van EUR 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte tot een werkstraf voor de duur van 16 (zestien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 8 (acht) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de werkstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren werkstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door de elfde meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.L. Bruinsma, mr. P.C. Kortenhorst en mr. P.H.M. Kuster, in tegenwoordigheid van mr. N. van Dijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

14 december 2011.

Mr. J.L. Bruinsma en mr. P.H.M. Kuster zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.