Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2007:BY2123

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
21-03-2007
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
23-006660-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

belaging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

arrestnummer:

parketnummer: 23-006660-05

datum uitspraak: 21 maart 2007

TEGENSPRAAK

VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 15 december 2005 in de strafzaak onder parketnummer 13-457066-05 van het openbaar ministerie

tegen

[VERDACHTE],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg van 1 december 2005 en op de terechtzitting in hoger beroep van 7 maart 2007.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding. Van die dagvaarding is een kopie in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlastelegging wordt hier overgenomen.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest het hof deze verbeterd. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezengeachte

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat

Ten aanzien van het onder 1 telastegelegde:

zij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2003 tot 13 juli 2005 te Amsterdam, telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer1] en [slachtoffer2], telkens met het oogmerk die [slachtoffer1] en die [slachtoffer2] vrees aan te jagen door meermalen

- die [slachtoffer1] en die [slachtoffer2] op te bellen en

- bij de woning van die [slachtoffer1] en die [slachtoffer2] aan te bellen en op de deur te bonken en

- zich in de nabijheid van de woning van die [slachtoffer1] en die [slachtoffer2] op te houden en bij die woning te verschijnen en

- vloeistoffen tegen een deur van de woning van die [slachtoffer1] aan te gooien en

- die [slachtoffer1] sms-jes te sturen dat ze bang moest zijn voor haar, verdachte.

Ten aanzien van het onder 2 telastegelegde:

zij op tijdstippen in de periode van 30 april 2003 tot 13 juli 2005 te Amsterdam, telkens wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer3] en [slachtoffer4] en [slachtoffer5], telkens met het oogmerk om die [slachtoffer3] vrees aan te jagen, door telkens die [slachtoffer3] en [slachtoffer4] en [slachtoffer5] op te bellen en te bedreigen door onder andere opzettelijk dreigend en beledigend die [slachtoffer4] de woorden toe te voegen: “Als [X] het zo leuk vindt om negers te neuken, dan stuur ik wel een paar negers op haar af” en “Koop wat grafstenen voor je dochter, kankerhoer”, althans woorden van gelijke dreigende en/of beledigende strekking.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezengeachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Strafbaarheid van het bewezengeachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezengeachte levert op:

ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezengeachte

belaging, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Oplegging van straf en/of maatregel

De rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden met aftrek van de tijd van de door de verdachte reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd en heeft voorts gelast dat de verdachte ter beschikking gesteld zal worden, met bevel tot dwangverpleging.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft gedurende een lange periode haar (ex)partner en zijn moeder, stelselmatig lastig gevallen, door vele malen telefonisch contact te zoeken, zich bij hun woning op te houden, daar aan te bellen en op de deur te bonken, vloeistoffen tegen de deur van die woning te gooien en sms-jes te sturen dat de moeder bang voor haar moest zijn.

Tevens heeft de verdachte een jonge vrouw en diens ouders, van wie zij vermoedde dat zij een relatie had met haar (ex)-partner, op ernstige wijze beledigd en bedreigd.

De verdachte heeft door aldus te handelen een buitensporig grote inbreuk gemaakt op de privacy en geestelijke integriteit van de slachtoffers.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 7 maart 2007 erkend de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten, zoals bewezen verklaard door de rechtbank te Amsterdam, te hebben gepleegd.

Blijkens een rapportage van 5 maart 2007 van T.A. Wouters, psychiater en J.B. Seinen, psycholoog – vast gerechtelijk deskundigen van het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek te Utrecht – heeft een klinisch onderzoek plaatsgevonden naar de geestvermogens van de verdachte.

Deze rapportage houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

De verdachte heeft ten tijde van het plegen van de haar ten laste gelegde feiten weliswaar de ongeoorloofdheid hiervan kunnen inzien, doch is in mindere mate dan de gemiddeld normale mens in staat geweest haar wil in vrijheid – overeenkomstig een dergelijk besef – te bepalen. De verdachte was ten tijde van het plegen van de haar ten laste gelegde feiten lijdende aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling harer geestvermogens, dat deze feiten haar slechts in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Op descriptief niveau (classificatie volgens DSM IV-TR) is sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met afhankelijk-narcistische, ontwijkende, passief-agressieve en antisociale kenmerken.

In het contact met de verdachte valt zowel de vriendelijke en sociaal wenselijke kant in haar gedrag op, als een dwingend-claimende waaruit een onvermogen spreekt om haar woede en frustratie kort, bondig en gericht te uiten. De kernproblematiek bestaat eruit dat de verdachte structureel behoefte heeft aan het zoeken naar onvoorwaardelijke erkenning en aandacht, maar tegelijkertijd niet in staat is zich veilig te hechten in een relatie die haar dat ook zou kunnen bieden. Daarbij past dat zij sterk neigt tot conflictvermijdend en sociaal wenselijk opereren (om afwijzing te voorkomen), waarbij zij haar grenzen aanvankelijk te weinig bewaakt. Hierdoor heeft zij een laag zelfgevoel (ervaart weinig autonomie), dat zij evenwel als vanzelf (conform haar modus operandus van selffulfilling prophecies) telkens in een relatie opnieuw actief neigt te ondermijnen. Hierdoor ervaart zij opnieuw een sterk machteloos makend slachtofferschap. Al doende – overigens onbewust – bouwt de verdachte een toenemende agressiestuwing op, welke agressie op een gegeven moment – nadat een langere periode van passief-agressief uitageren (waaraan zij een gevoel van controle ervaart en door middel waarvan zij tevens de werkelijkheid probeert aan te passen aan een door haar gewenste realiteit) averechts heeft uitgepakt – reeds door kleine persoonlijke afwijzingen tot ontlading kan komen. Onder grote frustratiestress (agressiestuwing) staat de persoonlijkheidsorganisatie dusdanig onder druk dat het basaal wantrouwen toeneemt, evenals de neiging tot magisch denken en er soms ook sprake lijkt te zijn van wisselende realiteitsvertekening, hetgeen – reactief – bijdraagt aan de agressiestuwing (door projectie van de eigen agressie op de buitenwereld).

Men moet beducht zijn voor de rol die kinderen voor de verdachte hebben als “need satisfying object”. Vanuit haar problematiek zullen haar kinderen – onbewust – worden verwacht voor haar een belangrijke rol te spelen in haar eigen psychologische behoeften. De verdachte verwacht in wezen van (afhankelijke) kinderen impliciet dankbaarheid voor de geboden zorg. In een weerbarstiger praktijk zou een dergelijk contact het punt van de laagste weerstand kunnen zijn, waarover de agressiestuwing zich ontlaadt.

Mede omdat de verdachte geen enkel zicht lijkt te hebben op deze problematiek en de noodzaak van behandeling niet inziet, is het onderzoekend team van mening te moeten adviseren om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen, met bevel tot verpleging van overheidswege.

De raadsman heeft erop gewezen dat uit hoofde van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling een periode van vier jaren niet te boven zou mogen gaan. De advocaat-generaal heeft het standpunt van de raadsman onderschreven. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat, gelet op de te verwachten termijn waarop daadwerkelijk een aanvang zal kunnen worden gemaakt met de behandeling van de verdachte in samenhang met deze maximale termijn, te verwachten is dat een te korte periode van behandeling zal resteren en dat reeds om die reden de maatregel van terbeschikkingstelling niet passend is.

Het hof neemt de conclusie van bovengenoemde rapportage over en maakt deze tot de zijne. Over de verdachte zijn meerdere deskundigenrapporten opgemaakt. In het dossier bevinden zich onder meer een rapport van de psycholoog B. van Giessen van 11 oktober 2005 en een rapport van de psychiater J.M.J.F. Offermans van 17 oktober 2005. Beide deskundigen adviseren tot, kort gezegd, terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De door deze deskundigen gestelde diagnose (classificatie volgens DSM IV-TR) wijkt af van de diagnose die is opgenomen in het (recente) rapport van het Pieter Baan Centrum. Zoals gezegd, neemt het hof de conclusie van het PBC-rapport over, alsmede de gronden waarop die conclusie is gebaseerd.

Het Pieter Baan Centrum heeft, in tegenstelling tot de deskundigen Van Giessen en Offermans, gedurende een klinische opname van de verdachte, gegevens over de verdachte kunnen vergaren. Ook de bevindingen van de genoemde deskundigen zijn gedurende de opname van de verdachte getoetst kunnen worden. Kortom, het instrumentarium dat het Pieter Baan Centrum ter beschikking heeft gestaan om tot een gedegen oordeel te komen, acht het hof van zodanig gewicht dat het hof het rapport van het Pieter Baan Centrum tot uitgangspunt neemt.

Voorts volgt het hof het advies van de deskundigen op om aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen met bevel tot verpleging van overheidswege.

Belaging is een misdrijf omschreven in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, een delict waarvoor op grond van het in artikel 37a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bepaalde, een last tot terbeschikkingstelling mogelijk is. Daarenboven is het hof van oordeel dat de veiligheid van anderen eist dat de verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Met name het gevaar voor recidive maakt het nemen van voormelde maatregel onontkoombaar. Het hof acht de op te leggen maatregel ook proportioneel. Het hof is met de raadsman en de advocaat-generaal van oordeel dat, uit hoofde van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, de totale duur van de maatregel van terbeschikkingstelling gemaximaliseerd dient te worden tot een periode van vier jaren. Naar het oordeel van het hof is bepaald niet op voorhand komen vast te staan dat de periode van de daadwerkelijke behandeling van de verdachte te kort zou zijn en dat daarom van het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege, zou moeten worden afgezien.

Gelet op de feiten en persoonlijke omstandigheden van de verdachte, alsmede in het belang van het welzijn van haar kinderen, acht het hof het dringend gewenst dat de verdachte zo spoedig mogelijk in een behandelkliniek zal worden opgenomen.

Bij dit alles heeft het hof mede in aanmerking genomen dat de verdachte bij vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 1 december 2000 is veroordeeld voor de moord op haar dochter [dochter], zo blijkt uit een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 31 januari 2007.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 37a, 37b, 57 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften worden toegepast zoals geldend ten tijde van het bewezengeachte.

Beslissing

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewezengeachte omschreven.

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 en 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden.

Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege wordt verpleegd.

Dit arrest is gewezen door de 3e meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.H.A. Scholten, mr. D.J.M.W. Paridaens en mr. H.P. Wooldrik, in tegenwoordigheid van mr. C. Phillips, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 maart 2007.

Mr. H.P. Wooldrik is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.