Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHAMS:2000:AA7654

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak
19-10-2000
Datum publicatie
04-07-2001
Zaaknummer
683/99 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

ELRO-nummer: AA7654 Zaaknr: 683/99 KG

Bron: Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak: 19-10-2000

Soort zaak: civiel

Soort uitspraak: arrest

Rolnummer: 683/99 KG

19 oktober 2000

Bij vervroeging

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM

VIERDE MEERVOUDIGE BURGERLIJKE KAMER

ARREST

in de zaak van:

[appelant],

wonende te [woonplaats],

APPELLANT,

procureur: mr. G.J. Kemper,

t e g e n

1. [geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

2. de vereniging

VERENIGING TEGEN DE KWAKZALVERIJ,

gevestigd te Amsterdam,

GEÏNTIMEERDEN,

procureur: mr. W.D.T.D. Wiarda.

1. Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1. Appellant wordt [appellant] genoemd en geïntimeerden worden gezamenlijk aangeduid als [geïntimeerden] Geïntimeerde sub 1. wordt [geïntimeerde 1] genoemd en geïntimeerde sub 2. ook de Vereniging.

1.2. Bij exploit van 26 mei 1999 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de president van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam, dat onder rolnummer KG 99/1077 OdC is gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerden] als gedaagden en is uitgesproken op 12 mei 1999.

1.3. Bij memorie, met producties, heeft [appellant] vier grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, zijn eis verminderd en geconcludeerd dat het hof het vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de (gewijzigde) vordering alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.

1.4. [Geïntimeerden] heeft daarop bij memorie van antwoord, met producties, de juistheid van de grieven bestreden en geconcludeerd, kort gezegd, tot bekrachtiging van het vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van - naar het hof begrijpt - het geding in hoger beroep.

1.5. Beide partijen hebben vervolgens haar standpunten doen bepleiten ter terechtzitting van het hof van 22 september 2000, [appellant] door mr. H.P. Utermark, advocaat te ’s-Gravenhage, en [geïntimeerden] door mr. Th. J. Douma, advocaat te Haarlem, beiden aan de hand van nadien overgelegde pleitnotities. Bij die gelegenheid is van beide zijden een akte genomen waarbij producties in het geding zijn gebracht. [appellant] en [geïntimeerde 1] hebben ter terechtzitting vragen van het hof beantwoord.

1.6. Ten slotte hebben beide partijen de stukken van het geding in beide instanties aan het hof overgelegd voor arrest. De inhoud van deze stukken geldt als hier ingevoegd.

2. Grieven

Voor de inhoud van de vier grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

3. Feiten

De president heeft in rechtsoverweging 1. van het vonnis onder a. tot en met i. een aantal feiten als tussen partijen vaststaand aangenomen. Tegen de juistheid van deze vaststelling zijn geen grieven gericht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan.

4. Waar het in dit geding om gaat

4.1. Het hof neemt, mede op grond van hetgeen ook in hoger beroep is gesteld en niet of onvoldoende gemotiveerd is bestreden, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van overgelegde bescheiden, de volgende feiten tot uitgangspunt.

a. [Appellant] is medicus. Hij heeft de zogenoemde Niet-toxische Tumortherapie ontwikkeld, waarvan het ‘Dr. [x]dieet’ een onderdeel vormt.

b. [Appellant] is auteur van het boek ‘Niet-toxische Tumortherapie’, met de ondertitel: ‘Een aanvulling’, uitgegeven door Bohn Stafleu Van Loghum te Houten. De eerste oplage van de eerste druk verscheen in 1995. De vierde oplage van de eerste druk is in oktober 1997 verschenen. [appellant] betoogt in dit boek dat de genoemde therapie, in aanvulling op de klassieke behandelingsmethoden van kanker, bijdraagt aan de ook repressieve bestrijding van kanker.

Dit boek bevat een Ten Geleide van de hand van prof. dr. ir. D. Kromhout. Dit voorwoord houdt onder meer in (pagina VI/VII):

“(…) Hij ([appellant], Hof) pleit in dit boek voor een niet-toxische tumortherapie als aanvulling op de klassieke behandeling van kanker door middel van chirurgie, radiologie en chemotherapie. Behalve voor een aanvullende voedingstherapie pleit hij ook voor het versterken van de mentale steun aan de kankerpatiënt, omdat die bij de huidige sterk technologische benadering van de geneeskunde vaak het gevoel heeft in de kou te blijven staan.

[appellant] pleit voor een voedingstherapie die uit drie elementen bestaat. Allereerst beveelt hij een gezonde voeding aan zoals die is beschreven door de Voedingsraad in de Richtlijnen Goede Voeding. Daarnaast beveelt hij hoge doseringen aan van vitaminen, mineralen en spoorelementen en wil hij gebruik stimuleren van kankerremmende stoffen die vooral in groenten en fruit voorkomen. Doelstelling van deze therapie is de maligne cel te elimineren.

Of deze therapie zal helpen is niet bekend. Hiernaar zal onderzoek uitgevoerd moeten worden. De voorgestelde therapie is niet toxisch en kan naast biochemische effecten ook de weerstand van de patiënt verhogen. Hierdoor kan de patiënt zelf ook een bijdrage leveren aan de bestrijding van zijn ziekte. Dit is van groot psychologisch belang.

Dit boek is geschreven voor de kankerpatiënt en moet ook in deze context beschouwd worden. [Appellant] geeft een indrukwekkend overzicht van wat over het ontstaan van kanker en de rol van voeding daarbij bekend is. Ondanks al deze informatie is nog niet duidelijk welke rol de voeding precies speelt. Daarom kan de ideale aanvullende voedingstherapie nog niet worden samengesteld .(…)

[appellant], die jarenlange ervaring heeft als onderzoeker en als praktizerend internist op het terrein van voeding en chronische ziekten, maakt met dit boek duidelijk wat de mogelijke voordelen zijn van een aanvullende voedingstherapie.”

c. [Appellant] is mede-auteur van het boek ‘Het Dr. [x]dieet’, met als ondertitel: ‘Voeding als sterk wapen tegen kanker’, uitgegeven door de hierboven genoemde uitgeverij. De eerste oplage van de eerste druk van dit boek verscheen in september 1997. De vijfde oplage van de eerste druk is in maart 1999 verschenen.

In dit boek wordt onder de kop ‘De opvattingen van Dr. [appellant]’ onder meer vermeld (pagina 11/12):

“In de strijd tegen kanker staan twee groepen lijnrecht tegenover elkaar: de ‘oncologische’ groep, die de drie klassieke wapens hanteert: chirurgie, radiologie en chemotherapie, en de ‘alternatieve’ groep, die tracht met andere, niet-toxische methoden en middelen de kankercel te bestrijden; in de praktijk wordt deze laatste groep gekarakteriseerd door talloze individuele therapieën waarvan er vele ‘zwevend’ zijn Er is echter nog een derde, zeer kleine groep: de èn-èn-groep, die voorstander is van zowel chirurgie, radiologie en chemotherapie, als van alternatieve mogelijkheden, waaronder vooral voeding en voedingssupplementen vallen. Volgens de opvattingen van Dr. [appellant] moet bij de oncologische benadering het accent vooral liggen op chirurgische eliminatie van kwaadaardig tumorweefsel, en minder op radiologische behandeling.

(…)

De ‘alternatieve’ kant doet een beroep op de wil van de patiënt om actief aan zijn genezing te werken en dat betekent in de praktijk gelijktijdig gebruikmaken van vier verschillende mogelijkheden: 1 gerichte voeding, 2 toevoeging van vitaminen, mineralen en sporenelementen in een orthomoleculaire dosering, 3 geven van kankerremmende stoffen zonder bijwerkingen en 4 mentale steun.

(…)

De richtlijnen van dr. [appellant] zijn ook bij uitstek geschikt voor al diegenen die kiezen voor een zo optimaal mogelijk leven. Dr. [appellant], eens een kankerpatiënt voor wie de reguliere geneeskunde niets meer kon doen, wijdt zich sinds zeventien jaar aan de bevordering en de verspreiding van het laatstgenoemde aspect.”

d. De beide hierboven genoemde boeken bevatten een introductie. Deze luidt telkens als volgt:

“In de zomer van 1980 zag een arts een speldeknopgrote, helrode, pijnloze bobbel op zijn rechter onderbeen, met het aspect van een bloedblaar. Na enige dagen vertoonde deze blaar een vervorming en er ontstond een vurige, pijnloze uitloper. Een geconsulteerde dermatoloog raadde operatieve verwijdering aan, hetgeen door een plastisch chirurg even werd uitgevoerd terwijl de arts poli hield - een fluitje van een cent.

Enige dagen later echter werd de arts met spoed gebeld: de blaar bleek een melanoom met stadium III volgens Clark te zijn. Twee grote operaties volgden: een acht uur durende mosterdgasbehandeling en twee maanden later een totale verwijdering van de liesklieren rechts. Tijdens zijn opname in het ziekenhuis ontmoette de arts eenmaal de diëtiste, die de dag voor zijn verjaardag vroeg wat hij morgen wilde eten.

De arts ging weer aan het werk. Een jaar later kreeg hij pijn in de rechterzij; er werden bloed en donkere cellen in de urine gevonden. Uitvoerig onderzoek gaf het antwoord: uitzaaiingen van het melanoom in de rechternier. Er was geen verdere hulp meer mogelijk.

De arts, als diabetoloog vertrouwd met voedingsaspecten, bestudeerde de literatuur op andere mogelijkheden. Hij ontdekte publikaties van een tiental artsen waarin onverwachte genezingen van kanker waren beschreven. Hieruit distilleerde hij een therapie voor zichzelf: een alternatieve voeding, aangevuld met een grote hoeveelheid vitaminen en mineralen. Hij wist dat genezing mogelijk was en een jaar later bleek hij ook werkelijk genezen.

Tien jaar na de operatie werd hij door het oncologisch ziekenhuis uit de controles ontslagen. De hem onbekende dienstdoende chirurg was verbaasd: ‘Hoe is het mogelijk: genezen met een inoperabel stadium IV volgens Clark!’ Dit laatste was de arts wijselijk nooit meegedeeld. Hij besloot zich toen volledig te wijden aan het steunen van opgegeven kankerpatiënten.”

De in de tekst bedoelde arts is [appellant].

e. [Geïntimeerde 1] is voorzitter van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, welke zich ten doel stelt kwakzalverij op medisch en farmaceutisch gebied te bestrijden.

f. In het door onder andere de Vereniging uitgegeven ‘Actieblad tegen de Kwakzalverij’ van september 1997 is een artikel opgenomen van de hand van [geïntimeerde 1] onder de kop ‘[appellant]: rechtsdraaiende melkzuurkwa(r)k’. In dat artikel schrijft [geïntimeerde 1] onder meer:

“(…) Een grens wordt echter overschreden als zo iemand ([appellant], Hof), met de uitstraling van een oude wijze dokter, op de televisie en in kranten zijn wonderbaarlijke genezing verkondigt en zijn onrijpe ideeën publiekelijk gaat uitventen. Dat veroorzaakt onder de zeer talrijke kankerpatiënten, die moeten leven tussen hoop en vrees, een enorme onrust en dat is ook al gebleken. Dat is niet alternatief, additief of complementair: het is afschuwelijk en het is obsceen.”

In het Actieblad tegen de Kwakzalverij van februari 1998 is een ingezonden brief van [appellant] opgenomen, waarin deze reageert op het voormelde artikel van [geïntimeerde 1]. Bij deze brief is een Naschrift van [geïntimeerde 1] gepubliceerd. Dit naschrift houdt onder meer in:

“(…) Mijn aanval op [appellant]’s ideeën was inderdaad praktisch geheel gebaseerd op diens televisieoptreden en op interviews in provinciale kranten. Van zijn boekje had ik geen kennis genomen en dat vond ik ook niet nodig, omdat ik mij verplaatste in de ziel van de wanhopige kankerpatiënt of diens familielid en deze mensen zijn überhaupt niet in staat om het flodderwerkje van [appellant] te lezen. Dat het een flodderwerkje is, ondanks een voorwoord van een voedingsdeskundig hoogleraar uit Wageningen, leidde ik af uit het feit dat het geen enkele weerklank heeft gekregen bij de serieuze Nederlandse kankeronderzoekers en behandelaars (…). Voeding zal soms wel iets te maken hebben met het ontstaan van kanker, maar - wat het KWF daarover ook moge zeggen - veel vaststaande feiten zijn er nog niet. En niemand kan genezen van kanker met een dieet: dat kan beslist niet en iemand die dat beweert maakt zich schuldig aan grove kwakzalverij.”

g. In het dagblad De Telegraaf van 26 februari 1997 is onder de kop ‘Dit is je reinste volksverlakkerij’ een artikel geplaatst waarin [geïntimeerde 1] wordt geïnterviewd. In dit artikel wordt, voor zover thans van belang, [geïntimeerde 1] als volgt aangehaald:

“Neem nu die [appellant]! Die man is een echte oplichter en kwakzalver, dat mag u gerust uit mijn mond optekenen. Wat hij bedacht heeft, dat malle dieet van hem, doet helemaal niets tegen kanker. (…)”

h. In het dagblad Het Parool van 24 maart 1999 is in de rubriek ‘Meningen’ een artikel opgenomen van de hand van [geïntimeerde 1] en een andere auteur onder de titel: “Kwakzalvers bederven 50ste verjaardag van Kankerfonds”. In het artikel staat onder meer:

“(…) Wie schetste onze verbazing dat [appellant] daartoe uitgedaagd in een tv-uitzending met Sonja Barend op 22 maart 1999 zichzelf ontmaskerde en toegaf wat al veel mensen vermoedden, namelijk dat hij helemaal geen uitgezaaid melanoom had. Ter verdediging voerde hij aan dat hij jarenlang door zijn eigen artsen op het verkeerde been was gezet.

(…)

In feite betekent dit dat [appellant] jarenlang een verkeerde voorstelling van zaken heeft gegeven over zijn ziektegeschiedenis. Volgens de Dikke van Dale is een kwakzalver iemand die nutteloze middelen toepast ter genezing van een of andere kwaal. Aangezien [appellant] op geen enkele manier aannemelijk maakt dat zijn behandeling werkt, beoefent hij volgens deze definitie kwakzalverij. (…)”

i. In het dagblad het algemeen Dagblad van 26 maart 1999 is onder de kop: “Kwakzalver doet intrede in medisch poldermodel” een artikel opgenomen, waarin de Vereniging tegen de Kwakzalverij wordt geïnterviewd. De secretaris van de Vereniging, H. de Vries, zegt in dit artikel onder meer:

“(…) Dokter [appellant] wekt valse hoop met zijn bewering over de werkzaamheid van zijn dieet. Bovendien heeft hij gelogen dat hij uitzaaiingen had. (…)”

j. In het dagblad Trouw van 17 april 1999 is onder de kop: “Natuurlijk is het Westen superieur” een artikel geplaatst, waarin [geïntimeerde 1], als voorzitter van de Vereniging, wordt geïnterviewd en onder meer zegt:

“(…) Maar [appellant] is een ordinaire leugenaar. Dat blijkt alleen al uit het feit dat hij in zijn boekjes nog altijd niet vermeldt dat hij zijn eigen ziektegeschiedenis verkeerd heeft beoordeeld. (...)”

4.2. [Appellant] stelt zich op het standpunt dat de door [geïntimeerden] in het openbaar gedane uitlatingen zijn eer en goede naam aantasten. Hij heeft in eerste aanleg gevorderd, kort gezegd, dat [geïntimeerden] wordt bevolen een advertentie te plaatsen in de vermelde dagbladen, waarin de over [appellant] gedane uitlatingen worden gerectificeerd, en dat het [geïntimeerden] op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt verboden [appellant] aan te duiden als ‘kwakzalver’, ‘oplichter’ of ‘leugenaar’ en andere voor hem beledigende uitlatingen te doen. In hoger beroep heeft [appellant] zijn vordering beperkt tot een verbod de aanduidingen ‘kwakzalver’ en ‘leugenaar’ te bezigen en andere beledigende uitdrukkingen te gebruiken.

4.3. [Geïntimeerden] heeft de vorderingen bestreden. De president heeft de gevraagde voorzieningen geweigerd.

4.4. [Appellant] komt tegen het oordeel van de president op met vier grieven. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

5. Beoordeling

5.1. Algemeen

5.1.1. Het gaat in dit geding om publicaties van en interviews met [geïntimeerden] waarin [appellant] wordt aangeduid als ‘kwakzalver’ en ‘leugenaar’ (zie: rechtsoverweging 4.1. onder f. tot en met j.).

5.1.2. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van het gebruik van deze termen staan twee hoogwaardige belangen tegenover elkaar: het belang dat [appellant] niet lichtvaardig wordt blootgesteld aan publicaties die zijn eer, goede naam en persoonlijke integriteit aantasten en het belang van de Vereniging tegen de Kwakzalverij, waarvan [geïntimeerde 1] als voorzitter bij uitstek de representant is, dat misstanden die de samenleving raken niet, door gebrek aan bekendheid bij het grote publiek, kunnen blijven voortbestaan.

5.1.3. Bij de vereiste afweging van deze twee belangen zullen alle relevante omstandigheden van het geval in de beoordeling moeten worden betrokken. Allereerst zal worden onderzocht of het gebruik van de term ‘kwakzalver’ toelaatbaar geoordeeld moet worden. Daarna komt de aanduiding ‘leugenaar’ aan de orde.

5.2. Het gebruik van de term ‘kwakzalver’

5.2.1. [Appellant] is medicus en heeft in die hoedanigheid zijn non-toxische voedingstherapie ontwikkeld.

5.2.2. In het spraakgebruik heeft de aanduiding ‘kwakzalver’ een sterk negatieve betekenis. Een kwakzalver, zo blijkt bijvoorbeeld uit de omschrijvingen die in Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal worden gegeven, is iemand die nutteloze middelen toepast ter genezing van een of andere ziekte; een onbevoegd beoefenaar van de geneeskunst; iemand die het publiek wat op de mouw wil spelden, met als synoniemen: boerenbedrieger, oplichter, knoeier. Voor een arts als [appellant] vormt deze connotatie van malafide, onbevoegde, behandelaar en charlatan, die het publiek (opzettelijk) misleidt, onmiskenbaar een ernstige aantasting van zijn professionele en persoonlijke integriteit. Daaraan doet niet af dat [geïntimeerden] stelt de termen ‘kwakzalverij’ en ‘kwakzalver’ in dit geval te hebben gebruikt in de betekenis dat (ongeacht of [appellant], te goeder trouw, in de werking daarvan gelooft) niet wetenschappelijk is bewezen dat de therapie werkt. Het komt er immers op aan of het grote publiek deze termen ook en uitsluitend in die (meer beperkte en betrekkelijk neutrale) betekenis opvat. Feitelijke gegevens waaruit kan worden afgeleid dat dit zo is heeft [geïntimeerden] niet gesteld of aannemelijk gemaakt. Daarom acht het hof, waar de uitlatingen van [geïntimeerden] of hun context een dergelijke specifieke betekenis niet, althans niet voldoende duidelijk, inhouden, gelet op dit spraakgebruik niet aannemelijk dat het publiek aan het begrip ‘kwakzalver’ alleen die specifieke betekenis hecht.

5.2.3. De aanduiding ‘kwakzalver’ is meer dan de uiting van een (persoonlijk) waardeoordeel; het sluit immers een oordeel over gegevens van feitelijke aard in. Dat blijkt ook hieruit dat [geïntimeerden] uitvoerig feitelijke gegevens heeft aangevoerd ten betoge dat [appellant] zodanig onjuiste claims op tafel legt en zich zodanig gedraagt dat die feiten en omstandigheden de kwalificatie ‘kwakzalver’ rechtvaardigen.

5.2.4. Bij de publieke uitingen van [geïntimeerden] over de door [appellant] ontwikkelde therapie zijn wezenlijke maatschappelijke belangen betrokken. Het gaat bij de Vereniging, voor zover thans van belang, om uit ideële overwegingen verstrekte informatie op het gebied van de volksgezondheid aan het grote publiek en betreft de preventie, behandeling en genezing van zeer ernstige ziekten, waarmee velen direct of indirect worden geconfronteerd. Een openbare stellingname van [geïntimeerden] wordt mede gerechtvaardigd doordat [appellant] zijn therapie heeft gepubliceerd en deze ook publiekelijk, bijvoorbeeld in televisieprogramma’s of op voor het publiek toegankelijke congressen, uitdraagt.

5.2.5. Aan [geïntimeerde 1], die zelf medicus is, en aan de Vereniging kan een bijzondere deskundigheid op medisch en farmaceutisch gebied worden toegeschreven. Dat betekent dat door het publiek aan hun uitlatingen terzake van kwakzalverij een zeker gezag wordt toegekend. Dit houdt ook in dat van [geïntimeerde 1] en de Vereniging mag worden gevergd dat, alvorens zij [appellant] een kwakzalver noemen, met zorgvuldigheid wordt onderzocht of de feiten waarop de bewering wordt gebaseerd juist zijn, ten einde te voorkomen dat lichtvaardig een term wordt gebruikt die voor [appellant] een zo negatieve betekenis heeft.

5.2.6. Het gevolg van de herhaalde publieke uitlatingen van [geïntimeerden] is geweest, dat [appellant], naar hij in dit kort geding voldoende aannemelijk heeft gemaakt, met zekere regelmaat in publicaties van derden over of in verband met ‘alternatieve’ geneeskunde op het gebied van kanker als kwakzalver wordt aangeduid.

5.2.7. [Geïntimeerden] heeft, zo blijkt uit de desbetreffende uitlatingen (in het bijzonder ook die vermeld in rechtsoverweging 4.1. onder g.) en de daarop in deze procedure gegeven toelichting, bij uitstek beoogd het publiek erop attent te maken dat het door [appellant] ontwikkelde dieet kanker niet geneest en niet kan genezen. [Geïntimeerden] heeft er daarbij op gewezen dat de genezende werking van dit dieet op geen enkele wijze is aangetoond met behulp van, naar algemeen aanvaard medisch inzicht verantwoord uitgevoerd, wetenschappelijk onderzoek.

5.2.8. Het belang dat in het publieke debat over ‘alternatieve’ geneeskundige methoden bij de behandeling van kanker wordt stelling genomen tegen een dieet dat ‘nutteloos’ is en ‘niet werkt’, in de daaraan klaarblijkelijk gehechte betekenis dat dit kanker niet geneest, is een zwaarwegend belang, dat [geïntimeerden] in beginsel kan behartigen door daartegen in krachtige bewoordingen en met het gebruik van de term ‘kwakzalverij’ stelling te nemen.

5.2.9. [Appellant] heeft gemotiveerd bestreden dat de door hem ontwikkelde therapie pretendeert dat door voeding, laat staan door voeding alléén, kanker wordt genezen. Hij heeft gewezen op de omstandigheid dat zijn therapie is bedoeld als aanvulling op de ‘reguliere’ behandeling van kanker, op de beoogde rol van het dieet bij de palliatieve behandeling van kankerpatiënten en op de samenhang van de verschillende onderdelen van zijn therapie, in het bijzonder ook op het gebruik van voeding met kankerremmende stoffen en de noodzaak van mentale steun. Hij heeft voorts gesteld zonder meer bereid te zijn de therapie aan wetenschappelijk toetsing te onderwerpen en ook meermalen te hebben getracht dergelijk onderzoek tot stand te doen komen.

5.2.10. Bij bestudering van de inhoud van de beide boeken (vermeld in rechtsoverweging 4.1. onder b. en c.) is niet gebleken dat de eigenlijke beschrijving van de therapie of van het dieet de claim bevat dat de non-toxische tumortherapie of het Dr. [x]dieet kanker geneest. In het voorwoord van Prof. Kromhout bij het boek ‘Niet-toxische Tumortherapie’ wordt ook uitdrukkelijk opgemerkt dat niet bekend is of de therapie helpt. Van de zijde van [geïntimeerden] zijn geen specifieke passages aangewezen waaruit die claim blijkt. Uit de bedoelde publicaties moet wel worden afgeleid dat de therapie een heilzame bijdrage stelt te leveren aan het genezingsproces van de kankerpatiënt. Dat is evenwel niet hetzelfde als hetgeen [geïntimeerden] bij uitstek als werking heeft beoogd te bestrijden.

5.2.11. Waar [geïmiteerden] de inhoud van het Dr. [x]dieet zodanig opvat dat het kankergenezende werking pretendeert berust dit niet op feitelijke gegevens die in de gepubliceerde beschrijvingen van het dieet worden verstrekt. Bij zorgvuldige kennisname van de beschrijving van het dieet en de therapie in de genoemde boeken had [geïntimeerden] dit kunnen en moeten onderkennen.

5.2.12. Voor zover [geïntimeerden] heeft bedoeld te stellen dat uit de beschrijvingen die [appellant] van zijn therapie of zijn dieet in interviews of andere publieke optredens geeft kon worden opgemaakt dat [appellant] niettemin daaraan een genezende werking toekent, is dit door [appellant] gemotiveerd weersproken. Daartegenover heeft [geïntimeerden] geen, voldoende verifieerbare, specifieke uitingen gesteld of aannemelijk gemaakt waaruit anders valt af te leiden. Uitlatingen als “ik bereik bij een kwart van mijn patiënten een significante levensverlenging”, “haaienkraakbeen helpt slechts bij 50% van de gevallen van prostaatkanker” of “mijn patiënten hebben minder chemo nodig” (Memorie van antwoord onder 27.) zijn, indien deze uitlatingen al zijn gedaan, niet voldoende om daaruit met voldoende duidelijkheid de pretentie van de vorenbedoelde genezende werking af te leiden. Er moet in dit kort geding dan ook van worden uitgegaan dat de therapie of het dieet als zodanig niet claimt kanker te genezen. Derhalve is in dit opzicht niet van belang dat, zoals [geïntimeerden] stelt, [appellant] niet wetenschappelijk heeft aangetoond dat zijn dieet niet ‘nutteloos’ is, dat is in dit verband: geen genezende werking heeft, omdat de pretentie van een genezende werking niet in de beschrijvingen van het dieet of de therapie is terug te vinden. Deze door [geïntimeerden] tot onderwerp genomen misstand is niet aannemelijk geworden; de claim dat het dieet kankergenezende werking heeft vindt vooralsnog geen steun in het feitenmateriaal waarover [geïntimeerden] ten tijde van de gewraakte uitlatingen beschikte of redelijkerwijze kon beschikken.

5.2.13. Overigens moet worden vastgesteld dat de stelling van [geïntimeerden] dat de genezende werking van de therapie en het dieet niet wetenschappelijk is bewezen juist is. Het is door [appellant] ook niet bestreden. Voorts moet worden aangenomen dat de therapie en het dieet wel een heilzame werking op het verloop van het kankerproces pretenderen. Dat volgt reeds uit de beschrijving daarvan. In dit verband behoeft niet nader te worden onderzocht of de in rechtsoverweging 5.2.12. vermelde citaten, waarvan [appellant] bij gelegenheid van de pleidooien in hoger beroep de juistheid leek te betwisten, dit nog eens onderstrepen.

5.2.14. Uit de desbetreffende uitlatingen van [geïntimeerden] en hetgeen dienaangaande van die zijde in deze procedure nog is aangevoerd moet worden afgeleid dat [geïntimeerden] zich daarbij mede heeft laten leiden door de vrees dat de gemiddelde lezer van de boeken van [appellant] (en in het bijzonder degene die reeds kankerpatiënt is en zijn omgeving) het dieet daadwerkelijk genezende werking zouden toedichten en daaraan valse hoop zouden ontlenen op genezing. [Geïntimeerden] heeft daarbij in het bijzonder gewezen op de eigen ziektegeschiedenis van [appellant], zoals deze nadrukkelijk in de introductie van de beide boeken is opgenomen (zie: rechtsoverweging 4.1. onder d.). [Geïntimeerden] heeft voorts aangevoerd dat deze ziektegeschiedenis onwaar is.

5.2.15. [Appellant] heeft gesteld dat zijn ziektegeschiedenis voor hem de aanleiding is geweest zich intensief bezig te houden met het effect van voeding op de preventie, behandeling en genezing van kanker en dat hij deze te goeder trouw heeft weergegeven, totdat hij er eind december 1997 achterkwam dat er geen uitzaaiingen van het eerdere melanoom geweest waren. Hij heeft toen begin 1998 zijn uitgever van de werkelijke gang van zaken op de hoogte gesteld (hetgeen inmiddels heeft geleid tot een correctie door middel van een inlegvel in het boek Non-toxische Tumortherapie) en daarvan ook in interviews eigener beweging melding gemaakt. Het betoog van [appellant] komt er voorts op neer dat hij door de weergave van deze ziektegeschiedenis zijn geloof in de bijdrage van voeding aan de genezing van kanker tot uitdrukking heeft willen brengen.

5.2.16. De bedoelde, oorspronkelijke, weergave van deze ziektegeschiedenis heeft onmiskenbaar een aanprijzende werking. Van die ziektegeschiedenis gaat even onmiskenbaar de suggestie uit dat [appellant] zelf het levende bewijs is dat kanker, ook als deze door de reguliere geneeskunde niet kan worden behandeld, door voeding is te genezen. In dat opzicht is deze uitdrukkelijke verwijzing naar zijn eigen genezing in beginsel geschikt om de indruk te wekken dat de in het vervolg van het boek beschreven therapie of het dieet beoogt en in staat is evenzo kanker te genezen. In zoverre is de vrees van [geïntimeerden], dat degenen die van deze ziektegeschiedenis kennis nemen zullen kunnen menen dat het Dr. [X]dieet kanker geneest, begrijpelijk.

5.2.17. Geconstateerd moet worden dat deze suggestie, zoals hierboven is overwogen, in de daadwerkelijke beschrijvingen van therapie en dieet niet valt terug te vinden en in het voorwoord van Prof. Kromhout (rechtsoverweging 4.1. onder b.) met zoveel woorden van de hand wordt gewezen.

5.2.18. De vraag is of de vrees die [geïntimeerde 1] c.s uit de ziektegeschiedenis afleidt gegrond is. Feitelijke gegevens dat het publiek het dieet op grond van enkel de ziektegeschiedenis van [appellant] daadwerkelijk genezende werking toedicht ontbreken. Bij lezing van de inhoud van het dieet of de therapie en van het voorwoord van Prof. Kromhout moet het publiek bij enig nadenken de betekenis van de ziektegeschiedenis voldoende kunnen relativeren en kunnen begrijpen dat deze als een, in zoverre bepaald minder gelukkige, ‘blikvanger’ fungeert en in overwegende mate de strekking heeft geloof te belijden in de bijdrage van voeding aan de genezing van kanker. [Geïntimeerde 1] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard in het algemeen terughoudend te zijn met het gebruik van de aanduiding ‘kwakzalver’, maar hiertoe in dit geval vooral te zijn gekomen doordat bleek dat de ziektegeschiedenis onwaar was en hij dit als leugenachtig beschouwde. Een eventuele leugenachtig-heid impliceert nog niet dat het publiek op grond van de ziektegeschiedenis ook daadwerkelijk een valse opvatting heeft omtrent de genezende werking van het Dr. [x]dieet. In dit kort geding kan dan ook niet méér worden vastgesteld, dan dat de mogelijkheid bestaat dat het publiek uitsluitend afgaat op de ziektegeschiedenis en enkel op die grond ten onrechte genezende werking toekent aan het dieet. De mate waarin die vrees reëel of gegrond is is speculatief gebleven.

5.2.19. [Geïntimeerden] heeft gesteld in de veronderstelling te hebben verkeerd dat [appellant] die ziektegeschiedenis bewust in strijd met de waarheid heeft weergegeven, mede ter misleiding van het publiek omtrent de genezende werking van zijn therapie.

5.2.20. [Appellant] heeft gesteld dat hij de ziektegeschiedenis te goeder trouw heeft weergegeven en, zodra hij erachter kwam dat deze weergave niet juist was, vrijwel onmiddellijk eigener beweging stappen heeft ondernomen ter correctie daarvan, zowel door zijn uitgever te benaderen als door in interviews van de werkelijke gang van zaken melding te maken. Het is, aldus [appellant], niet aan hem te wijten dat zijn uitgever niet onmiddellijk een correctie heeft doorgevoerd en dat de desbetreffende interviews eerst (veel) later zijn gepubliceerd. Hij heeft voorts gesteld door middel van deze ziektegeschiedenis niet te hebben beoogd het publiek te misleiden omtrent de werking en betekenis van zijn therapie.

5.2.21. [Geïntimeerden] heeft daartegenover aangevoerd dat [appellant] niet heeft aangetoond dat de oorspronkelijke weergave van de ziektegeschiedenis strookte met de werkelijke medische gegevens en dat eerst na de gewraakte uitlatingen waar het in dit geding om gaat (rechtsoverweging 4.1. onder i. en j.) kennis kon worden genomen van publieke uitlatingen van [appellant] waaruit die correctie zou kunnen blijken.

5.2.22. Wat van een en ander ook zij, in dit geding is vooralsnog niet aannemelijk geworden dat [appellant] welbewust onwaarheid heeft gesproken over zijn ziektegeschiedenis. Hoezeer de ziekte-geschiedenis, ook volgens [appellant] zelf, merkwaardig mag zijn, dat enkele feit rechtvaardigt nog niet de veronderstelling dat deze gelogen is. Niet is gesteld of gebleken dat [geïntimeerden] bij [appellant] daaromtrent tevoren navraag heeft gedaan of hem in de gelegenheid heeft gesteld zich uit te laten over het, kennelijk bij [geïntimeerden] gerezen, vermoeden dat de ziektegeschiedenis niet waar was. Waar [appellant] ontkent bewust in strijd met de waarheid te hebben gehandeld en in dit kort geding in ieder geval aannemelijk is dat hij eigener beweging met een andere lezing naar buiten is getreden, is er geen aanknopingspunt om van de kwade trouw van [appellant] uit te gaan. Reeds daarom is er geen aanleiding van [appellant] te vergen dat hij had dienen aan te tonen dat zijn oorspronkelijke weergave in overeenstemming was met zijn medische gegevens.

5.2.23. Hiervan uitgaande is er ook onvoldoende grond om aan te nemen dat [appellant] welbewust een onware ziektegeschiedenis heeft weergeven teneinde het publiek in de waan te brengen dat aan de therapie of het dieet wèl genezende werking toekomt.

5.2.24. Voor zover [geïntimeerden] heeft betoogd dat de therapie ‘nutteloos’ is en ‘niet werkt’ vanwege het feit dat [appellant] niet wetenschappelijk heeft aangetoond dat de therapie geen schadelijke stoffen bevat of schadelijke bijwerkingen heeft, dan wel dat [appellant] een reeks van preparaten propageert waarvan de veiligheid niet vast staat, geldt het volgende.

5.2.25. [appellant] heeft gesteld en met verwijzingen naar overgelegde wetenschappelijke publicaties onderbouwd dat zijn therapie niet-toxisch is, dat hij geen schadelijke of onveilige middelen propageert en dat er uit voedingskundig oogpunt tegen zijn dieet geen bezwaren bestaan. Hij heeft daarbij onder meer gewezen op het voorwoord van de voedingsdeskundige prof. Kromhout (rechtsoverweging 4.1. onder b.), waarin is vermeld dat de voedingstherapie niet toxisch is, op het artikel van P.A. van den Brandt e.a. in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde 1999 3 juli;143 (27) p. 1414 e.v. (productie XI bij memorie van grieven), waarin wordt gesteld (p. 1418) dat uit voedingskundig oogpunt tegen het Dr. [x]dieet “weinig bezwaren” bestaan en op het overgelegde, recent verschenen, boek van David Heber e.a., Nutritional Oncology, dat, naar [geïntimeerden] niet, althans onvoldoende gemotiveerd, hebben bestreden, een gezaghebbend werk op dit gebied is, waaruit eveneens zou blijken dat het dieet niet op wetenschappelijke bezwaren stuit.

5.2.26. Daartegenover heeft [geïntimeerden] onvoldoende concrete feiten en omstandigheden gesteld waaruit voorshands kan worden afgeleid dat de door [appellant] ontwikkelde therapie uit voedingskundig oogpunt daadwerkelijk schadelijk of onveilig is of moet zijn. Weliswaar heeft [geïntimeerden] specifiek gewezen op het middel Tardolyt, dat aristolochiazuur bevat, ten bewijze dat [appellant] onveilige middelen propageert, maar [appellant] heeft gemotiveerd betwist dat hij dit middel propageert en uit de enkele vermelding van het middel in het boek Het Dr. [x]dieet (pagina 183 onder nr. 27b) in een als bijlage bij dit boek gevoegd overzicht van (door de reguliere geneeskunde) veelgebruikte kanker-bestrijdende middelen, kan niet worden afgeleid dat dit middel, als daarvan al de veiligheid niet zou vaststaan, door [appellant] als onderdeel van zijn therapie wordt gepropageerd. De enkele omstandigheid dat de rol van speciale diëten bij de palliatieve behandeling van kankerpatiënten nog omstreden is, mede omdat systematisch klinisch onderzoek naar de effectiviteit van (elementen van) het Dr. [x]dieet ontbreekt, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat hier sprake is van een uit haar aard of in het algemeen (zeer) schadelijke of onveilige therapie. Het bestaan van zodanige ernstige misstand is in dit kort geding niet voldoende aannemelijk gemaakt. Evenmin doet zich hier het geval voor waarin wordt beweerd dat wetenschappelijk is aangetoond dat de therapie helpt; reeds in het voorwoord van Prof. Kromhout staat anders vermeld. Ook in dat opzicht is van een dergelijke ernstige misstand geen sprake.

5.2.27. Het feit dat niet wetenschappelijk is aangetoond dat (al) de in de therapie van [appellant] genoemde voedingsmiddelen niet schadelijk zijn, is door [appellant] niet voldoende gemotiveerd bestreden In zoverre is deze constatering van [geïntimeerden] voor juist te houden.

5.2.28. [Geïntimeerden] heeft bij memorie van antwoord nog aangevoerd dat [appellant], in strijd met de voor artsen geldende gedragsregels, therapeutische adviezen geeft zonder de patiënt gezien te hebben en zonder overleg te plegen met behandelend artsen. [appellant] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat patiënten vaak via de huisarts of soms via de behandelend specialist naar hem worden verwezen, dat hij medicijnen uitsluitend via de huisarts voorschrijft en dat het ook wel voorkomt dat hij schriftelijk adviseert over het gebruik van voeding aan patiënten die hij niet heeft gezien. In dit kort geding is een en ander feitelijk niet voldoende uit de verf gekomen. Reeds daarom kan er niet op voorhand van worden uitgegaan dat de door [geïntimeerden] geponeerde stelling juist is. In ieder geval kan uit hetgeen [geïntimeerden] heeft gesteld niet worden afgeleid dat [appellant] de geneeskunst onbevoegd uitoefent.

5.2.29. Voor zover [geïntimeerden] heeft aangevoerd dat [appellant] in strijd handelt met de voor artsen geldende gedragsregels door geneeswijzen toe te passen met voorbijgaan aan methoden ter behandeling welke algemeen in de medische wereld zijn aanvaard, geldt het volgende. [appellant] heeft gemotiveerd betwist dat hij de gedragsregels overtreedt. In dit kort geding kan in verband daarmee in ieder geval, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, samengevat het volgende worden vastgesteld. De therapie, inclusief het dieet, waaraan door [appellant] heilzame werking wordt toegekend, is een medische behandeling waarvan niet wetenschappelijk is aangetoond dat deze genezende werking heeft en waarvan niet wetenschappelijk is bewezen dat deze niet schadelijk is. [Appellant] heeft door de oorspronkelijke vermelding van zijn ziekte-geschiedenis, maar ook anderszins, een heilzame werking bij de behandeling van kanker aangeprezen. In dit kort geding is evenwel niet aannemelijk geworden dat een en ander betekent dat [appellant], zoals één van de betekenissen van ‘kwakzalver’ is, de geneeskunst onbevoegd uitoefent.

5.2.30. Al het vorenstaande overziende moet worden beoordeeld of de kwalificatie ‘kwakzalver’ in de specifieke omstandigheden van dit geval toelaatbaar is.

5.2.31. Die omstandigheden komen, samengevat, op het volgende neer.

5.2.32. Het begrip ‘kwakzalver’ wordt door het publiek niet slechts opgevat in de door [geïntimeerden] voorgestane (beperkte en meer neutrale) betekenis van een persoon die een geneeswijze toepast of propageert waarvan de werking niet wetenschappelijk is bewezen, maar heeft een veel negatievere lading. Het houdt mede een vorm van oplichting en (opzettelijke) misleiding in en duidt ook op iemand die onbevoegd de geneeskunst uitoefent. De uitlatingen en de context waarin deze term is gebruikt maken niet (voldoende) duidelijk dat aan dat begrip uitsluitend de genoemde beperkte betekenis wordt toegekend. Aan [geïntimeerden] komt bij uitlatingen op het gebied van de kwakzalverij een zeker gezag toe. Voor een arts als [appellant] is de kwalificatie ‘kwakzalver’ zeer defamerend.

5.2.33. De kern van het aan [appellant] gemaakte, zeer ernstige, verwijt, dat de therapie of het dieet claimt kanker te genezen, blijkt niet voldoende op kenbare feiten te berusten. Niet aannemelijk is geworden dat [appellant] deze werking daaraan toeschrijft. De beschuldiging van [geïntimeerden] berust in dit opzicht niet op onderzoek dat aan de vereiste mate van zorgvuldigheid voldoet. Wel bestaat de mogelijkheid dat het publiek dat van de oorspronkelijke ziektegeschiedenis van [appellant] kennis neemt ten onrechte genezende werking aan de therapie of het dieet zal toedichten. Niet kan worden gezegd dat [appellant] over die ziektegeschiedenis heeft gelogen of deze welbewust ter misleiding van het publiek omtrent de genezende werking van zijn therapie in zijn boeken heeft opgenomen.

5.2.34. Vast staat dat de genezende werking en de niet-schadelijkheid van de therapie wetenschappelijk niet is aangetoond. Niet voldoende aannemelijk is geworden dat de therapie daadwerkelijk schadelijk moet worden geacht. Vast staat voorts dat deze therapie een heilzame werking bij de behandeling van kanker pretendeert en dat [appellant] zijn therapie adviseert aan patiënten. Van onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst kan niet worden gesproken.

5.2.35. Gelet op al hetgeen aannemelijk is geworden, enerzijds, omtrent de inhoud en betekenis van de therapie en de handelwijze van [appellant] en, anderzijds, omtrent het gezag van [geïntimeerden], de onvoldoende zorgvuldigheid van het onderzoek waarop [geïntimeerden] de uitlatingen heeft gebaseerd, de context waarin de uitlatingen zijn gedaan, de betekenis die het publiek aan het begrip ‘kwakzalver’ hecht en het zeer defamerende karakter van die kwalificatie voor [appellant], acht het hof in dit geval, alles afwegende, die term uiteindelijk te lichtvaardig geuit en, gezien de ernst van de gevolgen voor [appellant], niet in proportie tot de ernst van de misstanden die [geïntimeerden] aan de kaak wenst te stellen.

5.2.36. [Geïntimeerden] had de aanduiding ‘kwakzalver’ dan ook in de gegeven omstandigheden niet mogen gebruiken. [Geïntimeerden] heeft dusdoende jegens [appellant] onrechtmatig gehandeld.

5.3. Het gebruik van de term ‘leugenaar’

5.3.1. Tussen partijen is niet in geschil dat ‘leugenaar’ een defamerende term is, waarmee wordt aangeduid dat de betrokkene welbewust onwaarheid spreekt. Dat wordt nog versterkt wanneer gesproken wordt van ‘ordinaire leugenaar’. Deze aanduiding vormt een ernstige aantasting van de persoonlijke integriteit van [appellant].

5.3.2. De onder 5.2. opgesomde feiten en omstandigheden worden hier overgenomen. In het bijzonder geldt ook hier dat aan [geïntimeerden] een zeker gezag toekomt, waardoor de uitlatingen een groter gewicht hebben, en dat aan [geïntimeerden] een ruime mate van vrijheid moet worden gelaten zich te uiten omtrent voor de volksgezondheid van belang zijnde aangelegenheden.

5.3.3. [Geïntimeerden] heeft, naar van die zijde is gesteld, [appellant] ‘leugenaar’ genoemd in verband met de eigen ziektegeschiedenis van [appellant] (rechtsoverweging 4.1. onder d.). Daaromtrent is hierboven (rechtsoverwegingen 5.2.19-5.2.23) reeds het nodige overwogen. De conclusie is dat in dit kort geding niet aannemelijk is dat [appellant] bewust onwaarheid heeft gesproken over zijn oorspronkelijke ziektegeschiedenis.

5.3.4. Bij deze stand van zaken hadden Renckens en de Vereniging, die naar hun vermoeden dat [appellant] leugens vertelde over zijn ziektegeschiedenis geen onderzoek hadden ingesteld of daarover bij [appellant] navraag hadden gedaan, niet voldoende feitelijke grond om te kunnen beweren dat [appellant] loog over zijn ziektegeschiedenis.

5.3.5 Bij gebreke van voldoende steun in de feiten heeft [geïntimeerden] de term ‘leugenaar’ te lichtvaardig geuit.

5.3.6. Alle omstandigheden in aanmerking genomen, in het bijzonder ook het gebrek aan zorgvuldig onderzoek, had [geïntimeerden] [appellant] geen leugenaar mogen noemen. [Geïntimeerden] heeft aldus onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld.

5.4. Het gevorderde verbod

5.4.1. Uit de voorgaande beoordeling van de, in de gewraakte uitlatingen ook wel tezamen gebezigde, kwalificaties ‘kwakzalver’ en ‘leugenaar’ volgt, dat [geïntimeerden] onrechtmatig heeft gehandeld door [appellant] als zodanig aan te duiden. Toewijzing van het gevorderde verbod is een bij de wet voorziene sanctie als bedoeld in artikel 10, tweede lid, EVRM. Deze vordering berust op en voldoet aan de vereisten die in het Nederlandse recht, in het bijzonder ook in de jurisprudentie, zijn ontwikkeld en strekt ter bescherming van de eer en goede naam en de persoonlijke levenssfeer van [appellant]. Door [geïntimeerden] is op zichzelf ook niet bestreden dat, indien de uitlatingen onrechtmatig worden geoordeeld, aan deze in artikel 10, tweede lid, EVRM gestelde voorwaarde voor inmenging is voldaan.

5.4.2. De vraag dient te worden beantwoord of een verbod, zoals gevorderd, in een democratische samenleving noodzakelijk is ter bescherming van de rechten van [appellant]. Partijen hebben zich over dit punt niet specifiek uitgelaten. Het hof begrijpt het betoog van [geïntimeerden] evenwel ook aldus, dat het grote publieke belang dat is gemoeid met de bestrijding van kwakzalverij zich tegen een verbod verzet.

5.4.3. Het komt er in dit verband dan ook op aan of in de gegeven omstandigheden het recht op vrijheid van meningsuiting van [geïntimeerden] zwaarder weegt dan de rechten van [appellant] om niet in zijn goede naam te worden aangetast. Uit al hetgeen onder 5.2. en 5.3. is overwogen volgt dat er in de gegeven omstandigheden onvoldoende klemmende redenen van publiek belang zijn die aan een verbod in de weg zouden staan. Het gaat hier immers niet om een zodanig ernstige misstand - kort gezegd: het gaat hier niet om een therapie die genezende werking pretendeert - dat het gebruik van de zeer defamerende termen ‘kwakzalver’ en ‘leugenaar’ (die, tezamen gebruikt, elkaar ook nog eens negatief versterken) gerechtvaardigd is. Daarbij komt dat [geïntimeerden] die terminologie heeft gebezigd op basis van onvoldoende zorgvuldig onderzoek. Gebleken is dat [geïntimeerden] [appellant] juist ook daarom ‘kwakzalver’ heeft genoemd, omdat [appellant] zou hebben gelogen omtrent zijn ziektegeschiedenis; waar [geïntimeerden] de aanduiding ‘leugenaar’ in ieder geval niet zonder onderzoek heeft kunnen en mogen bezigen, kan niet worden gezegd dat in die veronderstelde leugen een misstand is gelegen die publieke bestrijding verdiende door middel van het gebruik van de term ‘kwakzalver’. Niet is gesteld of aannemelijk geworden dat [geïntimeerde 1] en de Vereniging niet ook in zeer krachtige termen hun opvattingen over de therapie en het dieet van [appellant] kunnen uiteenzetten zonder het gebruik van deze termen of met een meer genuanceerd gebruik van de term ‘kwakzalver’. Hun uitlatingen zijn niet van dien aard dat daarin de door hen bedoelde meer beperkte en meer neutrale betekenis van het begrip ‘kwakzalver’ tot uitdrukking komt en vormen mede daardoor een ernstige aantasting van de rechten van [appellant]. Evenmin is aannemelijk geworden dat de rechten van [appellant] op een andere, minder ingrijpende, wijze dan door een verbod effectief kunnen worden beschermd. In het bijzonder is door [geïntimeerden] niet gesteld - en is ook niet aannemelijk geworden - dat met een andere, minder ver gaande sanctie, had kunnen of moeten worden volstaan.

5.4.4. Voldoende aannemelijk is geworden dat [geïntimeerden] ook na de onderhavige uitlatingen [appellant] met deze termen is blijven aanduiden, zonder dat zich nieuwe feiten en omstandigheden hebben voorgedaan die dit gebruik alsnog zouden kunnen rechtvaardigen.

5.4.5. Het hof acht, alle omstandigheden afwegende, een verbod toelaatbaar.

5.4.6. Aantekening verdient dat in het vorenstaande is geoordeeld dat de gewraakte uitlatingen, zoals zij zijn gedaan, onrechtmatig zijn. Dat betekent dat het hof vanzelfsprekend niet kan overzien of in de toekomst, op grond van nieuwe feiten en omstandigheden, tot eenzelfde oordeel wordt gekomen. Het verbod behoort zich dan ook alleen uit te strekken tot publieke uitlatingen van [geïntimeerden] die worden gedaan onder gelijke omstandigheden of berusten op gelijke feiten en omstandigheden als in dit geding aan de orde zijn geweest. Deze clausulering dient ertoe dat het verbod geen verdere inperking van de vrijheid van meningsuiting oplevert dan strict noodzakelijk is.

5.4.7. [Appellant] heeft tevens gevorderd [geïntimeerden] te verbieden anderszins beledigende uitlatingen te doen. Deze vordering is te onbepaald om te kunnen worden toegewezen. Niet op voorhand en in abstracto kan worden vastgesteld of uitlatingen beledigend zijn en of zij in de omstandigheden van het geval toelaatbaar zijn en een verbod rechtvaardigen.

6. Slotsom

6.1. [Geïntimeerden] heeft in de gegeven omstandigheden onrechtmatig gehandeld door [appellant] een ‘kwakzalver’ en een ‘leugenaar’ te noemen.

6.2. De grieven slagen. Het vonnis moet worden vernietigd. Het verbod [appellant] als zodanig aan te duiden moet, op de wijze als in de beslissing geformuleerd, alsnog worden toegewezen. Het verbod zal worden versterkt met een dwangsom, als in de beslissing te vermelden en te maximeren.

6.3. De vordering [geïntimeerden] te verbieden anderszins voor [appellant] beledigende uitlatingen te doen moet worden afgewezen.

6.4. [Geïntimeerden] zal, als in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van het geding in beide instanties worden veroordeeld.

7. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verbiedt [geïntimeerden], zonder dat de ten processe bedoelde maatgevende feiten en omstandigheden zijn gewijzigd, [appellant] in openbare uitlatingen aan te duiden als ‘kwakzalver’ of ‘leugenaar’, op straffe van verbeurte van een dwangsom van ƒ 10.000,-- voor elke overtreding van dit verbod, met een maximum van ƒ 100.000,--;

veroordeelt [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties, tot op heden aan de zijde van [appellant] begroot op in eerste aanleg ƒ 2.089,-- en in hoger beroep ƒ 5.700,67;

verklaart dit arrest voor zover het vorenstaande veroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. Tjittes, Van Schendel en Hondius en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2000.