Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:577

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-02-2016
Datum publicatie
29-02-2016
Zaaknummer
15/2699 WWB e.v.
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:2020, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2015:1614, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvordering. Ontbreken informed consent geeft geen medewerkingsverplichting. Kanteling naar redelijke grond geeft wel strijd met medewerkingsverplichting. Geen verplichte intrekking/terugvordering. Hoogte toeslag bij kosten delen. Schadevergoeding na 1-7-13.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 53a
Algemene wet bestuursrecht
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/63
USZ 2016/103
PS-Updates.nl 2016-0393
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2699 WWB, 15/2825 WWB

Datum uitspraak: 23 februari 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 16 maart 2015, 14/6360 (aangevallen uitspraak 1), en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 maart 2015, 15/358 en 15/920 (aangevallen uitspraak 2) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van Orionis Walcheren (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.R. Kellermann, advocaat, hoger beroepen ingesteld. Appellante heeft voorts een verzoek om vergoeding van schade ingediend.

Het dagelijks bestuur heeft verweerschriften ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft in de gevoegde zaken plaatsgevonden op 1 december 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kellermann. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C. Vermeer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 augustus 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon. Zij woonde ten tijde hier van belang op het adres [adres] (uitkeringsadres).

1.2.1.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat [naam] (T) bij appellante verblijft, heeft de sociale recherche van Orionis Walcheren een onderzoek ingesteld naar de woonsituatie van appellante. In dat kader heeft een sociaal rechercheur waarnemingen verricht bij de woning van appellante en hebben twee sociaal rechercheurs vervolgens op 1 april 2014 een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres. In het rapport van de sociale recherche van 1 (lees: 7) april 2014 waarin de bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd (rapport), is over de waarnemingen opgenomen: “Gezien de melding [heb] ik rapp. een aantal waarnemingen verricht bij de woning van belanghebbende. Het gaat in dit geval om een woning op de eerste en tweede verdieping. De woning was altijd afgesloten middels gordijnen voor de ramen. Tijdens deze waarnemingen heb ik rapp. nimmer iemand in of uit de woning van belanghebbende zien komen.” Het huisbezoek op 1 april 2012 is volgens het rapport als volgt verlopen. Nadat appellante de voordeur van haar woning had geopend, deelden de sociaal rechercheurs appellante mee dat zij niet verplicht was medewerking te verlenen aan het huisbezoek. Vervolgens gaf appellante de sociaal rechercheurs toestemming haar woning te betreden en te bekijken. Desgevraagd gaf zij te kennen dat T niet in haar woning was. Tijdens het huisbezoek kwam T uit een kamer. Hij liet weten dat de sociaal rechercheurs de woning van appellante dienden te verlaten. Daarop zijn de sociaal rechercheurs weggegaan.

1.2.2.

Bij besluit van 2 april 2014 heeft het dagelijks bestuur het recht op bijstand van appellante met ingang van 1 april 2014 opgeschort op de grond dat de sociaal rechercheurs tijdens het huisbezoek op die datum de woning van appellante hadden moeten verlaten, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Appellante is hierbij in de gelegenheid gesteld om dit verzuim te herstellen door medewerking te verlenen aan een huisbezoek aan haar woning op 7 april 2014. In het besluit is voorts vermeld dat als zij geen medewerking verleent aan het huisbezoek op die datum, haar bijstand zal worden ingetrokken.

1.2.3.

In het rapport is over het huisbezoek op 7 april 2014 het volgende opgenomen:

“Nadat wij ons hadden gelegitimeerd en het doel van ons bezoek hadden meegedeeld werden wij op ons verzoek en met toestemming van belanghebbende in de woning gelaten. Belanghebbende deelde ons mee dat [T] in de woning aanwezig was op de bovenste verdieping. Belanghebbende gaf alleen toestemming om met haar in de woonkamer een gesprek te voeren. Wij kregen geen toestemming de woning verder te bekijken om het recht op bijstand vast te kunnen stellen.”

1.2.4.

In het gesprek dat tijdens het huisbezoek op 7 april 2014 in de woonkamer werd gevoerd, heeft appellante onder meer het volgende verklaard:

“Ik ben hoofdbewoner. [T] verblijft in mijn woning sinds ongeveer 1 januari 2014. Hij slaapt boven op een slaapkamer. Er ligt ook kleding van hem. Ik zou wel met hem willen trouwen. Dat is de reden dat hij hier bij mij is komen wonen. Ik zorg voor hem wat betreft het eten, zijn was enz. Hij betaalt niets aan mij. Ik betaal alle kosten, ook voor hem.”

1.3.

Bij besluit van 16 april 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 september 2014 (bestreden besluit 1), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van

1 januari 2014 ingetrokken en de over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 maart 2014 gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 2.702,31. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit 1 het volgende ten grondslag gelegd. Appellante heeft de op haar rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door niet aan het dagelijks bestuur te melden dat T sinds 1 januari 2014 in haar woning verblijft. Zij heeft voorts de op haar rustende wettelijke medewerkingsverplichting geschonden door onvoldoende medewerking te verlenen aan de huisbezoeken op 1 en 7 april 2014. Het was van cruciaal belang duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of sprake was van een inwoning, waarbij de kosten (kunnen) worden gedeeld, of dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Door onvoldoende mee te werken aan de huisbezoeken is deze duidelijkheid niet verkregen. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand van appellante niet worden vastgesteld.

1.4.

Appellante heeft zich op 26 augustus 2014 gemeld om opnieuw bijstand op grond van de WWB aan te vragen. Op 8 september 2014 heeft zij de daartoe strekkende aanvraag ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellante bij de vraag naar haar leefsituatie aangekruist: “Ik woon gezamenlijk met andere personen (kinderen of volwassenen anders dan uw partner)” en heeft zij T vermeld als degene die op haar adres woont. Zij heeft hierbij opgemerkt: “[T] verblijft bij mij maar ik ontvang niets van hem. Dit is bij u bekend.”

1.5.

Naar aanleiding van deze aanvraag hebben een sociaal rechercheur en een medewerker Handhaving van Orionis Walcheren op 10 september 2014 een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres om de woonsituatie van appellante te onderzoeken. De bevindingen van dit huisbezoek zijn neergelegd in een rapport van 1 oktober 2014. Onder het kopje ‘Conclusie’ is vermeld:

“Op grond van de bevindingen tijdens het huisbezoek concludeer ik dat: er geen sprake is van gewijzigde omstandigheden. Men kan nog steeds er vanuit gaan dat [T] nog steeds zijn hoofdverblijf heeft bij [appellante].”

En onder het kopje ‘Advies’: “belanghebbende voert een gezamenlijke huishouding met [T].”

1.6.

Bij besluit van 2 oktober 2014 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen op de grond dat appellante een gezamenlijke huishouding voert met T.

1.7.

Bij besluit van 10 december 2014 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 2 oktober 2014 gedeeltelijk gegrond verklaard en appellante met ingang van 26 augustus 2014 bijstand verleend naar de norm voor een alleenstaande, met een toeslag van 10% van het wettelijk minimumloon. Het dagelijks bestuur heeft aan het bestreden besluit 2 het volgende ten grondslag gelegd. Aannemelijk is gemaakt dat T zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres. Een gezamenlijke huishouding kan echter niet worden aangenomen, omdat niet is aangetoond dat is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg. De woonsituatie van appellante laat zich vergelijken met die van een alleenstaande die de kosten kan delen met een ander. T wordt gezien als een zelfstandig subject van bijstand en kan in beginsel aanspraak maken op aanvullende bijstand. Het feit dat appellante inwoning verleent aan T zonder daarvoor een financiële vergoeding te vragen, is een eigen verantwoordelijkheid van appellante, waarvan de gevolgen voor haar rekening komen.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

3.2.

Appellante heeft verder op de hierna te bespreken gronden verzocht om vergoeding van zowel materiële als immateriële schade die zij stelt te hebben geleden door de besluitvorming.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking en terugvordering (aangevallen uitspraak 1)

4.1.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 januari 2014 tot en met 16 april 2014, de datum van het intrekkingsbesluit.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.

4.3.

Appellante heeft onder meer aangevoerd dat voor het afleggen van de huisbezoeken op 1 en 7 april 2014 geen redelijke grond bestond, dat niet is voldaan aan de eis van “informed consent” en dat het niet noodzakelijk was om het huisbezoek op 7 april 2014 voort te zetten na de door haar in de woonkamer afgelegde verklaring. Gelet hierop moeten de huisbezoeken volgens appellante wegens strijd met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) als onrechtmatig worden aangemerkt. Voorts betwist appellante dat zij onvoldoende heeft meegewerkt aan de huisbezoeken op 1 en 7 april 2014.

4.4.

Artikel 8, eerste lid, van het EVRM bepaalt dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van “informed consent”. Dit houdt in dat de toestemming van de betrokkene berust op volledige en juiste informatie over de reden en het doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor de verlening van bijstand heeft. Welke gevolgen voor de bijstandsverlening zijn verbonden aan het weigeren van toestemming voor het binnentreden in de woning hangt af van de vraag of een redelijke grond voor het huisbezoek bestaat. Van een dergelijke grond is sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de betrokkene erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand. Ontbreekt een redelijke grond dan moet de betrokkene erop worden geattendeerd dat het weigeren van toestemming geen gevolgen heeft voor de bijstandsverlening. De bewijslast ten aanzien van het “informed consent” bij het binnentreden in de woning rust op het bijstandverlenend orgaan.

4.5.

Een met toestemming aangevangen huisbezoek kan niet rechtmatig worden voortgezet, indien tijdens dat huisbezoek die toestemming wordt ingetrokken. Evenmin kan dat huisbezoek rechtmatig worden voortgezet in ruimten van een woning die tijdens het huisbezoek worden uitgesloten. De vraag welke gevolgen het bijstandverlenend orgaan mag toekennen aan de weigering van toestemming voor voortzetting van een aangevangen huisbezoek, moet gelet op het belang dat is gemoeid met de bescherming van het huisrecht, op dezelfde manier worden beantwoord als bij de toestemming voorafgaande aan het huisbezoek.

4.6.1.

Noch de anonieme tip noch de bevindingen tijdens de - niet naar datum en tijd - gespecificeerde waarnemingen leveren een redelijke grond op in de in 4.4 bedoelde zin. De sociaal rechercheurs hebben appellante voorafgaand aan het huisbezoek op 1 april 2014 daarom terecht voorgehouden dat zij niet verplicht was om medewerking te verlenen aan dat huisbezoek. Voorts staat vast dat dit huisbezoek niet is voortgezet nadat T de sociaal rechercheurs had gesommeerd de woning van appellante te verlaten.

4.6.2.

In aanmerking genomen dat appellante had verklaard dat T niet in haar woning was, ontstond op het moment dat T uit een kamer kwam een redelijke grond in de in 4.4 bedoelde zin om door middel van voortzetting van het huisbezoek onderzoek te doen naar de woon- en leefsituatie van appellante. Van appellante kon daarom worden verlangd dat zij hieraan haar medewerking zou verlenen. Deze medewerking heeft zij - door tussenkomst van T - niet verleend. Wil het college dit gebrek aan verdere medewerking aan de voortzetting van het huisbezoek aan zijn besluitvorming ten grondslag leggen, dan moet het aannemelijk maken dat de sociaal rechercheurs aan appellante ondubbelzinnig duidelijk hebben gemaakt dat haar weigering verdere medewerking te verlenen aan voortzetting van het huisbezoek - anders dan bij aanvang daarvan - nu wel gevolgen zou kunnen hebben voor haar recht op bijstand. Vergelijk de uitspraak van 27 november 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BV0009. Het college heeft dit niet aannemelijk gemaakt. Uit de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder het rapport, blijkt niet dat de sociaal rechercheurs aan appellante een ondubbelzinnige mededeling hebben gedaan als hiervoor bedoeld op het moment dat T hen sommeerde de woning te verlaten. Gelet hierop kan appellante, anders dan het dagelijks bestuur meent, niet worden tegengeworpen dat zij tijdens dat huisbezoek de door haar aanvankelijk verleende toestemming om haar woning binnen te treden en te bekijken - door tussenkomst van T - weer heeft ingetrokken en dus ook niet dat zij niet heeft voldaan aan de op haar rustende medewerkingsverplichting.

4.7.1.

De redelijke grond die was ontstaan tijdens het huisbezoek op 1 april 2014, bestond ook nog op 7 april 2014. Van appellante kon daarom worden verlangd - volledige - medewerking te verlenen aan het huisbezoek op die datum. Zoals uit 1.2.2 blijkt, heeft het college in het opschortingsbesluit van 2 april 2014 duidelijk kenbaar gemaakt dat en welke gevolgen zijn verbonden aan het niet meewerken aan het huisbezoek op 7 april 2014. Voorts blijkt uit het rapport dat de sociaal rechercheurs zich voorafgaand aan dit huisbezoek hebben gelegitimeerd en appellante het doel van het huisbezoek hebben meegedeeld. Daarmee was voldaan aan de eis van informed consent.

4.7.2.

Appellante heeft gesteld dat zij tijdens het huisbezoek op 7 april 2014 alleen maar te kennen heeft gegeven dat zij liever niet had dat de sociaal rechercheurs het huisbezoek na het gesprek in de woonkamer zouden voortzetten. Uit deze mededeling, wat daar ook van zij, valt af te leiden dat de door appellante verleende toestemming om haar woning te mogen binnentreden beperkt was tot de woonkamer. Anders dan appellante stelt, is dit op te vatten als een weigering van toestemming tot voortzetting van het huisbezoek na het in de woonkamer gevoerde gesprek.

4.7.3.

De op appellante rustende medewerkingsverplichting bestond al bij aanvang van het huisbezoek op 7 april 2014 en is dus, anders dan bij het huisbezoek op 1 april 2014, niet ontstaan tijdens een aanvankelijk onverplicht aangevangen huisbezoek. Weliswaar heeft appellante tijdens het huisbezoek op 7 april 2014 in de woonkamer een verklaring afgelegd over, kort gezegd, het verblijf van T in haar woning en haar zorg voor hem, maar deze in 1.2.4 weergegeven - summiere - verklaring is op zichzelf ontoereikend om reeds op basis daarvan conclusies te trekken over de woon- en leefsituatie van appellante. In aanmerking genomen dat appellante tijdens het gesprek in de woonkamer niet alleen heeft verklaard over het verblijf van T in haar woning, maar ook dat T zich op dat moment in haar woning bevond, bestond de redelijke grond na dat gesprek nog steeds en was appellante dus gehouden haar medewerking te verlenen aan de voortzetting van het huisbezoek. Aangezien appellante, zoals volgt uit 4.7.2, geen toestemming heeft verleend om het huisbezoek voort te zetten na het gesprek in de woonkamer, heeft zij in zoverre de op haar rustende medewerkingsverplichting geschonden. De in 4.3 weergegeven beroepsgrond slaagt dus niet voor zover deze ziet op het huisbezoek op 7 april 2014.

4.7.4.

Doordat appellante onvoldoende heeft meegewerkt aan het huisbezoek op 7 april 2014, kon op die datum, anders dan zij stelt, geen duidelijkheid worden verkregen over haar

woon- en leefsituatie. Hieruit volgt dat als gevolg van de schending van de medewerkingsverplichting het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld vanaf 7 april 2014. Deze schending heeft echter, anders dan het college en de rechtbank hebben aangenomen, niet tot gevolg dat het recht op bijstand ook over de voorliggende periode niet kan worden vastgesteld.

4.8.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat het onderzoek van het college te beperkt en dus onzorgvuldig is geweest en dat de door haar op 7 april 2014 afgelegde verklaring ontoereikend is om de bijstand met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014 in te trekken.

4.9.

Deze beroepsgrond slaagt. Zoals al is overwogen in 4.7.3, is de - summiere - verklaring van appellante tijdens het huisbezoek op 7 april 2014 op zichzelf ontoereikend om reeds op basis daarvan conclusies te trekken over haar woon- en leefsituatie. Voor het overige is het onderzoek van de sociale recherche beperkt gebleven tot het verrichten van waarnemingen bij de woning van appellante. Aangezien deze waarnemingen niets hebben opgeleverd, had het, gelet op wat in 4.2 is overwogen, op de weg van het college gelegen om verder onderzoek te doen of te laten doen naar de woon- en leefsituatie van appellante. Het college heeft daarvan echter afgezien. Dit betekent dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 april 2014 en de terugvordering in zijn geheel, niet op een zorgvuldige wijze is voorbereid. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.10.

Gelet op 4.7.4 en 4.9 zal de aangevallen uitspraak 1 worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 april 2014 en de terugvordering in zijn geheel. Aangezien aan het besluit van 16 april 2014 in zoverre hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop en het latere onderzoek dat heeft geleid tot verlening van bijstand aan appellante per 26 augustus 2014, niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het besluit van 16 april 2014 te herroepen voor zover het betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 april 2014 en de terugvordering in zijn geheel.

4.11.

Uit 4.7.4 volgt dat het college bevoegd was om met toepassing van artikel 54, derde, lid, tweede volzin, van de WWB de bijstand met ingang van 7 april 2014 in te trekken. Gelet op de grondslag van de intrekking - schending van de medewerkingsverplichting, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld - kan niet worden gezegd dat, zoals appellante stelt, sprake is van verboden discriminatie wegens onderscheid naar woonsituatie/huishouding. De enkele stelling van appellante dat zij geen andere inkomsten van bestaan heeft, vormt voorts geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid tot intrekking van bijstand heeft kunnen besluiten.

Verlening bijstand per 26 augustus 2014: hoogte toeslag (aangevallen uitspraak 2)

5.1.

Appellante heeft aangevoerd dat de toeslag 20% moet bedragen, omdat zij niets van T ontvangt en T financieel niet in staat is de noodzakelijke bestaanskosten te delen. De uitspraak van de Raad van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3884, waarop het dagelijks bestuur zich beroept, is niet van toepassing op het geval van appellante, omdat het in die uitspraak ging om een inwonend kind. De redenering dat T, evenals het meerderjarig inwonend kind in het geval van de hiervoor genoemde uitspraak, dan maar een bijstandsuitkering moet vragen, gaat hier niet op, omdat hij tijdelijk in Nederland verblijft.

5.2.

In artikel 25, eerste lid, van de WWB is bepaald dat het college de norm, bedoeld in artikel 21, onderdelen a en b, verhoogt met een toeslag voor zover de belanghebbende hogere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet, als gevolg van het niet of niet geheel kunnen delen van deze kosten met een ander.

5.3.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012 (Toeslagenverordening) bedraagt de toeslag als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de WWB 20% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder in wiens woning geen ander zijn hoofdverblijf heeft. Ingevolge het tweede lid bedraagt de toeslag 10% van de gehuwdennorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder die de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan geheel of gedeeltelijk kan delen met een ander die zijn hoofdverblijf heeft in dezelfde woning.

5.4.

De memorie van toelichting bij artikel 25 van de WWB luidt als volgt (Kamerstukken II 2002/03, 28 870, nr. 3, p. 52/53):

“De hoogte van de noodzakelijke bestaanskosten wordt mede bepaald door de mate waarin de belanghebbende de kosten met een ander kan delen. De woonsituatie is hierbij van doorslaggevende betekenis. Dit laat onverlet dat ook alle andere uitgaven in aanmerking dienen te worden genomen waarbij partners schaalvoordeel hebben door het gezamenlijk opbrengen van alle kosten van huisvesting en huishouding. Bij de relatief hogere kosten waarmee alleenstaanden in beginsel worden geconfronteerd kan met name worden gedacht aan duurzame gebruiksgoederen, zoals woninginrichting en huishoudelijke apparatuur, maar ook aan vaste lasten, zoals abonnementen en diverse andere kosten. Bij de beoordeling of de belanghebbende inderdaad hogere bestaanskosten heeft is in voorkomende gevallen niet bepalend of deze ook feitelijk deze kosten met een ander deelt. Beoordeeld dient te worden of het redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld. Daartoe wordt in dit artikel gesproken van het ‘kunnen delen’ van de kosten.”

5.5.

Gelet op deze passage is voor het vaststellen van de hoogte van de toeslag niet van belang, zoals appellante stelt, of zij feitelijk de noodzakelijke bestaanskosten heeft gedeeld met T, maar uitsluitend of zij deze kosten met T zou kunnen delen. Vergelijk de uitspraak van 9 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1789. Anders dan appellante veronderstelt, betekent dit dat niet alleen van belang is of T in de te beoordelen periode beschikte over een zodanig inkomen dat appellante de noodzakelijke bestaanskosten met T zou kunnen delen, maar ook, zoals de Raad tot uitdrukking heeft gebracht in zijn uitspraak van 25 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3884, of T daarover redelijkerwijs kon beschikken. Het enkele feit dat het in het geval van die uitspraak ging om een inwonend kind, brengt niet mee dat voor andere medebewoners uitsluitend zou moeten worden gekeken naar de middelen waarover de medebewoner feitelijk beschikt. In ieder geval biedt de tekst van artikel 25, eerste lid, van de WWB, noch de memorie van toelichting bij deze bepaling daarvoor aanknopingspunten.

5.6.

In dit geval had T, indien hij niet beschikte over voldoende inkomen en geen relevant vermogen had, bijstand kunnen aanvragen. Gelet op het feit dat T tot 10 oktober 2013 bijstand had ontvangen, lijkt het aannemelijk dat hij over de te beoordelen periode recht op bijstand zou hebben gehad. T heeft echter om hem moverende redenen ervan afgezien om bij het dagelijks bestuur een aanvraag om bijstand in te dienen. Dat T, naar appellante stelt, slechts tijdelijk in Nederland verblijft, vormde geen beletsel voor het indienen van een bijstandsaanvraag, nog daargelaten of dat het geval was. Onder deze omstandigheden is hier sprake van de situatie dat appellante in de te beoordelen periode de noodzakelijke bestaanskosten met T zou kunnen delen.

5.7.

Gelet op 5.5 en 5.6 slagen de in 5.1 weergegeven beroepsgronden niet.

5.8.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij als persoon met een partner zonder inkomsten en vermogen, wat de hoogte van de toeslag betreft, ten onrechte anders wordt behandeld dan een persoon die bijstand ontvangt en niet een dergelijke relatie heeft of die een alleenstaande is zonder relatie. Het gemaakte onderscheid naar woonsituatie/huishouding is verboden discriminatie. Appellante verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Raad van 24 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3762.

5.9.

De door appellante genoemde uitspraak van 24 november 2014 betreft een militair die geen eigen huishouding voert en om die reden een beperktere aanspraak heeft op een tegemoetkoming in de reiskosten bij niet dagelijks reizen dan de militair die wel een eigen huishouding voert. De Raad zag in dat geval in de door de Minister van Defensie voorgestane besparingsdoelstelling geen redelijke en objectieve rechtvaardiging voor het verschil in tegemoetkoming en oordeelde dat de in de betreffende bepaling neergelegde eis van het voeren van een eigen huishouding wegens strijd met artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 1 van de Grondwet buiten toepassing moest worden gelaten.

5.10.

Het verschil in hoogte van de toeslag is evenwel niet ingegeven door een besparingsdoelstelling, maar door de gedachte dat de bijstandsgerechtigde met een medebewoner de noodzakelijke bestaanskosten geheel of gedeeltelijk kan delen. Deze achterliggende gedachte om, wat de hoogte van de toeslag betreft, onderscheid te maken tussen een alleenstaande met een medebewoner, zoals appellante, en een alleenstaande zonder (een) medebewoner(s), vormt een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor dat onderscheid. Van een verboden discriminatie tussen alleenstaanden met (een) medebewoner(s) en alleenstaanden zonder medebewoners is dan ook geen sprake. De in 5.8 weergegeven beroepsgrond treft dus geen doel.

5.11.

Uit 5.7 en 5.10 volgt dat het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat deze uitspraak zal worden bevestigd.

Verzoek om schadevergoeding

6.1.

De door appellante gestelde schade is het gevolg van de besluiten van 16 april 2014 en 2 oktober 2014. Dat betekent dat op deze zaak titel 8.4 van de Awb van toepassing is, zoals die geldt vanaf 1 juli 2013.

6.2.

Met de gedeeltelijke herroeping van het besluit van 16 april 2014 en de herroeping van het besluit van 2 oktober 2014 is de onrechtmatigheid van deze besluiten gegeven.

6.3.

Appellante heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur naast de verschuldigde wettelijke rente, die al is of zal worden vergoed, ook de overige materiële schade die zij heeft geleden ten gevolge van de besluiten van 16 april 2014 en 2 oktober 2014 volledig dient te vergoeden. Het gaat hierbij om deurwaarderskosten en kosten van heraansluiting van gas, water en elektriciteit tot een bedrag van in totaal € 4.725,02.

6.4.

Voor de vaststelling van schade moet zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT7159). Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) normeert de omvang en de duur van een civielrechtelijke schadevergoedingsverplichting. Artikel 6:119, eerste lid, van het BW bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Een en ander brengt mee dat in dit geval geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de verder uit de vertraagde uitbetaling bijstand voortgevloeide schade, bestaande uit deurwaarders- en heraansluitingskosten.

6.5.

Appellante heeft voorts aangevoerd dat zij door de besluiten van 16 april 2014 en

2 oktober 2014 immateriële schade heeft geleden, begroot op € 2.500,-, die door het dagelijks bestuur dient te worden vergoed. Zij wijst er in dit verband op dat uit een psychiatrisch rapport, waarover het dagelijks bestuur beschikt, naar voren komt dat er diverse aanwijzingen zijn voor psychiatrische problemen en verslavingsproblematiek.

6.6.

Bij het beantwoorden van de vraag of er voldoende aanleiding bestaat om immateriële schadevergoeding toe te kennen, moet naar vaste rechtspraak (uitspraak van 21 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC9247) ook zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht. Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft een benadeelde overeenkomstig artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is aangetast of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. De wetgever heeft daarbij het oog gehad op ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer alsook op andere persoonlijkheidsrechten van de betrokkene (uitspraak van 5 januari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL0342). In het licht hiervan is voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door het onrechtmatig genomen besluit (uitspraak van 27 augustus 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF1067).

6.7.

Met de enkele verwijzing naar een psychiatrische rapportage en wat daaruit naar voren komt, heeft appellante niet aannemelijk gemaakt dat zij door de besluiten van 16 april 2014 en 2 oktober 2014 zodanig heeft geleden dat sprake is van geestelijk letsel als bedoeld in

artikel 6:106, eerste lid, van het BW.

6.8.

Uit 6.2 tot en met 6.7 volgt dat het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade moet worden afgewezen.

Proceskosten

7. Aanleiding bestaat het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellante in het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1. Deze kosten worden begroot op € 992,- in bezwaar, € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.976,-. Voor een verdere veroordeling in de proceskosten in zaak 15/2825 WWB bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak van 16 maart 2015;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 11 september 2014 voor zover het

betreft de intrekking over de periode van 1 januari 2014 tot en met 6 april 2014 en de

terugvordering;

- herroept het besluit van 16 april 2014 in zoverre en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in

de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 11 september 2014;

- bevestigt de aangevallen uitspraak van 12 maart 2015;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het dagelijks bestuur in de kosten van appellante tot een bedrag van € 2.976,-.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en J.L. Boxum en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2016.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) M.S. Spek

HD