Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1997

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
02-06-2016
Zaaknummer
15-715 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Centrale Raad van Beroep oordeelt in een uitspraak van 1 juni 2016 dat herziening van eerder toegekende studiefinanciering op basis van een uitwonenden controle die – mede – is uitgevoerd door een zelfstandige zonder personeel (zzp’er), die voor dat onderzoek is ingeschakeld door een privaat bedrijf, niet mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/715 WSF

Datum uitspraak: 1 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 december 2014, 13/6140 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Nieuwstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2015. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Nieuwstraten. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.1.

Appellante staat vanaf 29 april 2008 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) ingeschreven onder het adres [adres] . Onder dit adres staat ook ingeschreven de familie [familie] die bestaat uit vijf gezinsleden.

1.1.2.

Appellante heeft, voor zover hier van belang, bij besluit van 22 oktober 2011 met ingang van 1 januari 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Bij besluit van 20 oktober 2012 is deze toekenning voor het jaar 2013 voortgezet.

1.2.1.

Op 16 april 2013 hebben [naam 1] en [naam 2] als controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellante. Daartoe hebben zij onder meer een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellante op dat moment in de gba was ingeschreven om te controleren of zij op dit adres woont. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van de hoofdbewoner opgenomen. Van het onderzoek is op 19 april 2013 een rapport opgemaakt.

1.2.2.

Op 17 april 2013 hebben [naam 3] en [naam 4] als controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van [naam 5] , die is ingeschreven onder het adres waaronder – onder meer – ook de ouders van appellante zijn ingeschreven. Ook van dit onderzoek is een rapport opgemaakt.

1.3.

De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van de onder 1.2.1 en 1.2.2 genoemde rapporten de over de periode vanaf januari 2012 aan appellante toegekende studiefinanciering bij besluit van 24 mei 2013 herzien, in die zin dat appellante vanaf

1 januari 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellante tot en met april 2013 te veel betaalde bedrag van € 2.984,92 is daarbij van haar teruggevorderd.

1.4.

Bij brief van 31 mei 2013 heeft de minister aan appellante meegedeeld voornemens te zijn aan haar een bestuurlijke boete op te leggen van € 1.492,46.

1.5.

Op 13 juni 2013 heeft appellante haar zienswijze op het in 1.4 bedoelde voornemen ingezonden. Zij heeft aangevoerd dat zij wel op het adres woont waaronder zij is ingeschreven.

1.6.

Bij besluit van 28 juni 2013 heeft de minister aan appellante een bestuurlijke boete opgelegd van € 1.492,46.

1.7.

De minister heeft de zienswijze van 13 juni 2013 tevens opgevat als bezwaar tegen de besluiten van 24 mei 2013 en 28 juni 2013 en dat (gedeeltelijk premature) bezwaar bij besluit van 21 augustus 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek op het gba-adres is gebleken dat appellante niet op dat adres woonde.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is, voor zover voor de beoordeling van het hoger beroep van belang, geoordeeld dat het samenstel van de bepalingen van artikel 1.5 en artikel 9.1a van de Wsf 2000, bezien in samenhang met artikel 5:11 en 5:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), aan te merken zijn als een toereikende wettelijke grondslag voor de aanwijzing van personen bij de dienst [dienst] als toezichthouder.

3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Appellante heeft als meest verstrekkende beroepsgrond aangevoerd dat het bestreden besluit ondeugdelijk is gemotiveerd omdat de bestreden herziening en de bestuurlijke boete zijn gebaseerd op bevindingen van een huisbezoek aan het gba-adres van appellante en aan dat van haar ouders door controleurs die niet bevoegd waren om toezicht te houden op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000.

4.2.

In zijn uitspraak van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, heeft de Raad geoordeeld dat artikel 9.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wsf 2000 in verbinding met artikel 5:11 van de Awb, en de bij die bepalingen horende wetsgeschiedenis, bezien in samenhang met de in de praktijk gegeven sturing door de minister aan de controleurs en de afwezigheid van een commercieel belang bij het resultaat van de controle door de gekozen bezoldigingsafspraken, een voldoende wettelijke grondslag biedt om werknemers van een private partij te belasten met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Dit betekent dat de minister een besluit tot herziening van de uitwonendenbeurs in een thuiswonendenbeurs in beginsel mag baseren op de resultaten van een huisbezoek dat is verricht door deze werknemers.

4.3.

In zijn uitspraak van 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1943, heeft de Raad geoordeeld dat voor de onderzoeken in het kader van het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000 voor het inschakelen van een zzp’er door een private partij een onvoldoende wettelijke grondslag aanwezig is. Waar zulks het geval is indien het onderzoek leidt tot een herziening als aan de orde in genoemde uitspraak, is dat ook het geval indien op basis van een dergelijk onderzoek een bestuurlijke boete wordt opgelegd.

4.4.

Uit de nader ingezonden stukken blijkt dat controleurs [naam 3] en [naam 1] beiden ten tijde van de huisbezoeken als zzp’er voor [dienst] werkzaamheden verrichtten. Zij waren daarom op dat moment niet bevoegd tot het houden van toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000.

4.5.

De in de hiervoor genoemde rapporten weergegeven bevindingen van het huisbezoek kunnen niet worden herleid naar de bevindingen van de individuele controleurs. Dit betekent dat reeds de onder 4.4 vastgestelde onbevoegdheid van [naam 3] en [naam 1] ertoe leidt dat de bevindingen van de huisbezoeken van 16 april en 17 april 2013 en de daarbij afgelegde verklaringen onrechtmatig zijn verkregen. Dit moet worden aangemerkt als onrechtmatig verkregen bewijs, waarvan moet worden gezegd dat het gebruik maken daarvan door de minister zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

4.6.

Aangezien zonder de bevindingen van de huisbezoeken onvoldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van de minister dat appellante niet woont op het adres waaronder zij in de gba staat ingeschreven, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak komen daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De Raad ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb de besluiten van 24 mei 2013 en 28 juni 2013 te herroepen, aangezien daaraan hetzelfde gebrek kleeft en, gelet op het tijdsverloop, niet aannemelijk is dat dit gebrek kan worden hersteld.

5. Aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.240,- voor het beroep (beroepschrift, zitting en nadere zitting) en op € 992,- voor het hoger beroep (beroepschrift en zitting), in totaal derhalve € 2.232,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 21 augustus 2013;

  • -

    herroept de besluiten van 24 mei 2013 en 28 juni 2013 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 21 augustus 2013;

  • -

    veroordeelt de minister in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.232,-;

  • -

    bepaalt dat de minister aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.

(getekend) H.J. de Mooij

(getekend) L.L. van den IJssel

TM