Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1502

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-04-2016
Datum publicatie
02-05-2016
Zaaknummer
15/3340 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de vader van appellante is een PGB toegekend voor begeleiding en persoonlijke verzorging. De bijstandsaanvraag is terecht afgewezen omdat appellante op geld waardeerbare arbeid heeft verricht door haar vader te verzorgen. Het inhuren van medisch geschoold personeel is niet aannemelijk gemaakt.

Wetsverwijzingen
Participatiewet
Participatiewet 11
Participatiewet 31
Participatiewet 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2016/176

Uitspraak

15 3340 WWB

Datum uitspraak: 26 april 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

31 maart 2015, 14/4020 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P. Hanenberg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2016. Namens appellante is verschenen mr. Hanenberg. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door D.K. van der Marel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij beschikking van 9 februari 2013 heeft Achmea Zorgkantoor aan [N.] (N), de vader van appellante, een persoonsgebonden budget AWBZ (PGB) toegekend voor de periode van 7 februari 2013 tot en met 31 december 2013, waarmee hij de aan hem te verlenen zorg kon inkopen. Het PGB was toegekend voor begeleiding en persoonlijke verzorging en bedroeg € 29.145,55 netto. Op het verantwoordingsformulier PGB 2013 over de periode van

1 januari 2013 tot en met 30 juni 2013 heeft N als zorgverlener opgegeven L. Balogh (B).

1.2.

Appellante ontving in de periode van 1 januari 1997 tot 31 juli 2013 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand.

1.3.

Appellante heeft zich op 28 augustus 2013 weer bij het college gemeld om bijstand aan te vragen. Op 11 september 2013 heeft een uitkeringsintake plaatsgevonden. Tijdens het intakegesprek op die datum heeft appellante onder meer het volgende verklaard:

“(…) In het verleden heb ik opgegeven dat ik mijn vader verzorg, de heer [N.] (geboren [in 1942]). U vraagt mij of ik dat nog steeds doe en of en sinds wanneer ik dat doe. Ik vertel u dat ik dat nog steeds doe. De gezondheid van mijn vader wordt slechter. Ik doe dat al 8 of 9 jaar. Hij heeft COPD en heeft heel veel hulp nodig. Ik moet hem heel veel helpen en daar ben ik hele dagen mee bezig. Hij heeft bijna 24 uur per dag hulp nodig. Ik ben met niks anders bezig dan met het verzorgen van mijn vader en moeder. Omdat ik op dat adres woon verleen ik de meeste zorg. Ik woon daar en ben 24 uur per dag in de buurt. (…)”.

Appellante heeft de aanvraag om bijstand op 27 september 2013 ingediend.

1.4.

Bij besluit van 17 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 mei 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante op geld waardeerbare arbeid heeft verricht door haar vader te verzorgen. Het is aan haar om aan te tonen dat er medisch geschoold personeel is ingehuurd om deze taken te verrichten. Appellante is hierin niet geslaagd. Nu zij op geld waardeerbare arbeid heeft verricht en niet in voldoende mate kan aangeven hoe de werkzaamheden tussen de zorgverleners van haar vader waren verdeeld en welke betalingen hier tegenover stonden, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.5.

Naar aanleiding van het overlijden van N [in] december 2013 heeft het college, ambtshalve, met ingang van die datum aan appellante bijstand toegekend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals besproken ter zitting van de Raad loopt de hier te beoordelen periode van 27 september 2013 tot en met 17 oktober 2013.

4.2.

Ter zitting is namens appellante meegedeeld dat niet langer wordt betwist dat zij kan worden gehouden aan de door haar op 11 september 2013 afgelegde verklaring. Dit betekent dat mag worden uitgegaan van de verklaring zoals weergegeven in 1.3.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij geen (productieve) arbeid heeft verricht die onder het bereik van het PGB van haar vader kon worden gebracht vanwege de betrokkenheid van andere personen die daaruit betaald werden. Deze beroepsgrond faalt. Aangezien aan N een PGB is toegekend op basis van een indicatie voor onder meer persoonlijke verzorging, moet de door appellante aan hem verleende zorg worden aangemerkt als op geld waardeerbare arbeid waartegenover een vergoeding staat dan wel behoort te staan. Het feit dat appellante deze zorg verleende binnen de relatie vader-dochter maakt dat in dit geval niet anders. De Raad neemt hierbij in aanmerking de omvang en de duur van de werkzaamheden van appellante, waardoor zij niet beschikbaar is voor arbeid. Vergelijk de uitspraak van 27 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2475. De enkele, verder niet onderbouwde stelling van appellante dat ten tijde hier van belang tussen N en zorgverlener B sprake was van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en dat B werkzaamheden heeft verricht, doet hier niet aan af.

4.4.

Appellante heeft, onder verwijzing naar de in 4.3 vermelde uitspraak van de Raad, aangevoerd dat het college ten onrechte niet heeft onderzocht en vastgesteld welk deel van het PGB eventueel aan appellante als loon had kunnen toekomen. Deze beroepsgrond treft geen doel. Vooropgesteld wordt dat het in de aangehaalde uitspraak gaat om een intrekking van bijstand terwijl in het geval van appellante sprake is van een afwijzing van een aanvraag om bijstand. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 17 december 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2846) rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid bij aanvragen om bijstand in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, de aanvrager recht op bijstand heeft. In het geval van appellante houdt deze bewijslast in dat zij aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk dient te maken op welk gedeelte van het PGB zij aanspraak had kunnen maken. De namens appellante ter zitting van de Raad aangevoerde feiten en omstandigheden geven geen aanleiding om tot een andere bewijslastverdeling te komen. Appellante heeft haar financiële situatie in de hier te beoordelen periode onvoldoende inzichtelijk gemaakt, aangezien zij geen gegevens heeft ingebracht waaruit valt op te maken op welk deel van het PGB zij aanspraak had kunnen maken. Het college heeft dan ook op goede gronden geconcludeerd dat het recht op bijstand niet is vast te stellen en dat de aanvraag om bijstand van 27 september 2013 moet worden afgewezen.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van

R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 april 2016.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) R.G. van den Berg

HD