Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2015:1712

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-05-2015
Datum publicatie
04-06-2015
Zaaknummer
13-6115 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft werkgever (ERD) verzocht hem cursusgelden te vergoeden voor het behoud van zijn beroepscertificering. Werkgever heeft dit verzoek bij e-mailbericht van 6 november 2012 afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft appellant bezwaar gemaakt en nadien bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van werkgever op het bezwaar. Uit de verklaringen ter zitting van de Raad vloeit voort dat de vergoeding van de cursuskosten geen verband houdt met de wettelijke re-integratieplicht van werkgever abi artikel 42 van de Wet WIA, maar dat de weigering haar oorsprong vindt in de civielrechtelijke verhouding tussen partijen als werkgever en als werknemer. In die verhouding treedt werkgever niet op als bestuursorgaan, zodat de beslissing van 6 november 2012 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen op grond van artikel 7:1 van de Awb bezwaar kan worden gemaakt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 1:1
Algemene wet bestuursrecht 1:3
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 42
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2015/224
NJB 2015/1156
AB 2015/320 met annotatie van J.A.F. Peters
JB 2015/138
USZ 2015/247 met annotatie van M.J.A.C. Driessen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/6115 WIA

Datum uitspraak: 22 mei 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
22 oktober 2013, 13/415 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

[naam werkgever B.V.] te [vestigingsplaats] ([werkgever])

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. van Oostrom hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Oostrom. [werkgever] is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als tankautochauffeur. Ten tijde van zijn ziekmelding op 4 augustus 2008 werkte hij in dienstverband bij [werkgever]. [werkgever] is eigenrisicodrager als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Ziektewet.

1.2.

Bij besluit van 15 september 2010 heeft de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) vastgesteld dat voor appellant met ingang van 2 augustus 2010 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt, omdat hij zich in staat achtte zijn eigen werk, al dan niet in aangepaste vorm, te verrichten. Bij besluit van 8 april 2011 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 juni 2012 heeft de rechtbank Almelo het door appellant tegen het besluit van 8 april 2011 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen deze uitspraak hoger beroep bij de Raad ingesteld. Ter zitting van de Raad van 9 januari 2015 heeft appellant het hoger beroep ingetrokken.

1.3.

Bij brief van 7 augustus 2012 heeft appellant [werkgever] verzocht hem cursusgelden te vergoeden voor het behoud van zijn beroepscertificering (verlenging van het ADR-certificaat als bedoeld in de ‘Europese overeenkomst betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg’). [werkgever] heeft dit verzoek bij e-mailbericht van 6 november 2012 afgewezen. Tegen deze afwijzing heeft appellant bij brief van 13 november 2012 bezwaar gemaakt. Bij brief van 31 januari 2013 heeft appellant [werkgever] in gebreke gesteld wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar. Toen opnieuw een reactie van [werkgever] uitbleef heeft appellant bij brief van 18 februari 2013 bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing van [werkgever] op het bezwaar. Bij brief van
10 april 2013 heeft appellant tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

2.1.

Desgevraagd door de rechtbank heeft appellant bij brief van 18 april 2013 zijn standpunt dat het e-mailbericht van 6 november 2012 kan worden beschouwd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) nader toegelicht. Hiertoe heeft appellant vooropgesteld dat het Uwv hem bij het in 1.1 genoemde besluit van 15 september 2010 een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA heeft toegekend. Voorts heeft [werkgever] er voor gekozen in het kader van de Wet WIA eigenrisicodrager te zijn. Het gevolg van deze keuze brengt mee dat [werkgever] op grond van artikel 42 van de Wet WIA de re-integratie van appellant in de arbeid dient te bevorderen. Uit hoofde van die taak dient [werkgever] maatregelen te treffen gericht op het behoud, herstel of bevordering van arbeid van appellant. Zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Wet WIA wordt de eigenrisicodrager aangemerkt als een bestuursorgaan, daar waar hij in het kader van de re-integratietaak beslissingen neemt. De eigenrisicodrager mag uitsluitend gebruik maken van bestuurlijke bevoegdheden in het kader van de re-integratie. Dit heeft volgens appellant tot gevolg dat het bestuurlijk stelsel van rechtsbescherming van toepassing is.

2.2.

Bij uitspraak van 22 oktober 2013 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter heeft vooropgesteld dat het mailbericht van 6 november 2012 een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. De voorzieningenrechter heeft het voorts in redelijke mate aannemelijk geacht dat de beslissing van [werkgever] om de vergoeding van de kosten van appellant te weigeren in de beroepsprocedure stand zou houden, omdat niet op voorhand duidelijk is dat het vergoeden van de cursusgelden tot het behoud van de certificering geen werkgeversverplichting betreft, maar een verplichting in het kader van de re-integratie. De voorzieningenrechter heeft hiertoe verwezen naar een brief van het Uwv van 7 juni 2013. In deze brief heeft het Uwv de voorzieningenrechter, daartoe gevraagd op grond van artikel 8:45, eerste en tweede lid, van de Awb, te kennen gegeven dat het volgen van voor behoud van de beroepscertificering vereiste studie-uren niet kan worden beschouwd als een noodzakelijk te achten voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het volgen van deze cursus maakt deel uit van de normale uitoefening van de functie van vrachtwagenchauffeur op een tankauto. Volgens het Uwv is het aan werkgever en werknemer hieromtrent afspraken te maken.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar gegrond verklaard en vastgesteld dat [werkgever] als gevolg van het niet tijdig beslissen een dwangsom als bedoeld in artikel 4:17 van de Awb van in totaal
€ 1.260,- heeft verbeurd. Naar het oordeel van de rechtbank is het mailbericht van 6 november 2012 een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat het gaat om een schriftelijke beslissing van een persoon, met enig openbaar gezag bekleed, inhoudende een rechtshandeling. [werkgever] is uit hoofde van zijn eigenrisicodragerschap als bestuursorgaan aan te merken.

2.4.

De rechtbank heeft [werkgever] opgedragen alsnog, binnen twee weken na de dag van de verzending van de uitspraak, een beslissing op het bezwaar te nemen en op de voorgeschreven wijze aan appellant bekend te maken. De rechtbank heeft er met toepassing van artikel 8:55d, derde lid, van de Awb vanaf gezien aan deze verplichting een nadere dwangsom te verbinden. Ze heeft hiertoe overwogen dat de voorzieningenrechter als zijn voorlopig oordeel heeft uitgesproken dat het nog te nemen besluit naar alle waarschijnlijkheid niet tot een andere uitkomst zou leiden. Het onder deze omstandigheden opleggen van een dwangsom zou volgens de rechtbank blijk geven van excessief formalisme.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen nadere dwangsom als bedoeld in artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb verbonden heeft aan haar beslissing dat [werkgever] alsnog een beslissing op het bezwaar dient te nemen. Dit heeft tot gevolg dat er voor appellant onvoldoende waarborgen zijn om zijn uit artikel 42 van de Wet WIA voortvloeiende recht op ondersteuning te kunnen verwezenlijken. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank haar beslissing [werkgever] geen nadere dwangsom op te leggen ten onrechte mede heeft gegrond op het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat het vergoeden van de cursusgelden ter behoud van de certificering geen verplichting in het kader van de re-integratie betreft, te meer omdat dit oordeel slechts op uiterst summiere informatie van het Uwv berust.

4. De Raad komt ambtshalve tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant op de eerste dag van de voor zijn WIA-uitkering in acht te nemen wachttijd tot [werkgever], in diens hoedanigheid van eigenrisicodrager, in dienstbetrekking stond. Dit brengt mee dat [werkgever] op grond van artikel 42, eerste lid, in verbinding met artikel 82, eerste lid, van de Wet WIA gehouden is ten aanzien van appellant de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf of in het bedrijf van een andere werkgever te bevorderen. Op grond van het tweede lid van artikel 42 is [werkgever] verplicht maatregelen te treffen gericht op het behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid tot het verrichten van arbeid van appellant.

4.2.

In de door de regering aan de Eerste Kamer aangeboden Memorie van Antwoord inzake het voorstel van de Wet WIA van 23 september 2005 is vermeld dat de eigenrisicodrager in belangrijke mate zelf mag bepalen hoe hij zijn re-integratieplicht invult. Anders dan het Uwv is de eigenrisicodrager niet gebonden aan een wettelijk geregeld re-integratie-instrumentarium. De plicht tot ondersteuning van de eigenrisicodrager - en in het verlengde daarvan het recht op ondersteuning van de verzekerde - vloeit voort uit de wettelijk vastgelegde
re-integratieverantwoordelijkheid van de eigenrisicodrager. Daarnaast is van belang dat

“net zoals werknemers van publiek verzekerde werkgevers, ook werknemers van eigenrisicodragende werkgevers de mogelijkheid hebben om, indien zij van mening zijn dat er onvoldoende of inadequate re-integratieinspanningen worden verricht, dat aan de orde te stellen en daartegen bezwaar aan te tekenen. De eigenrisicodrager WGA geldt op grond van de Wet WIA als bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.” (Kamerstukken Eerste Kamer, 30 034 en 30 118, C, p. 45-46).

4.3.

In de Nadere Memorie van Antwoord van 18 oktober 2005 (Kamerstukken Eerste Kamer, 30 034 en 30 118, E, p. 12-13) heeft de Minister te kennen gegeven dat

“de regering expliciet heeft gekozen voor eenzelfde rechtsbescherming voor alle
WGA-verzekerden. Dit houdt in dat zowel tegen beslissingen van het Uwv als tegen beslissingen van de eigenrisicodrager eerst bezwaar kan worden gemaakt en vervolgens beroep kan worden ingesteld bij de rechtbank. Voordeel hiervan is dat voor alle gedeeltelijk arbeidsgeschikten dezelfde rechtsgang met dezelfde laagdrempelige toegang en dezelfde waarborgen geldt.

Er wordt dus een onderscheid gemaakt in de periode van verplichte loondoorbetaling en de periode van eigenrisicodragerschap. In de eerste periode heeft de werkgever op grond van het BW de plicht om re-integratie-inspanningen te verrichten en geldt een civielrechtelijke rechtsbescherming. In de periode van het eigenrisicodragen is de werkgever aan te merken als uitvoerende van de WGA - in plaats van het Uwv - voor wat betreft de re-integratietaak. De eigenrisicodrager heeft daarbij een ingeperkte publieke sanctiebevoegdheid. Evenals voor het Uwv geldt dan de bestuursrechtelijke rechtsingang. De eigenrisicodrager kan dus niet kiezen tussen civielrechtelijke of bestuursrechtelijke sanctionering. Zijn bevoegdheid wordt bepaald door het feit of hij als werkgever optreedt op grond van het BW of als uitvoerder van de WGA-regeling.

4.4.

Met betrekking tot de rechtsbasis van de te volgen beroepsprocedure heeft de Minister te kennen gegeven dat

“indien een werkgever er voor kiest om eigenrisicodrager te worden, [hij] verplicht [wordt] de re-integratie te verzorgen voor de verzekerden voor wie hij de
WGA-uitkering betaalt. De re-integratieplicht vloeit uit de wet voort. Dit maakt dat de werkgever door de uitvoering van zijn wettelijke taak als bestuursorgaan wordt aangemerkt. Dit betekent dat de werkgever als uitvoerder van een onderdeel van de WIA bevoegd is tot het nemen van besluiten die daaraan zijn gekoppeld en dat deze besluiten aangemerkt worden als besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht waartegen de mogelijkheid van bezwaar en beroep openstaat”.

4.5.

Mede gelet op deze passages uit de (Nadere) Memorie van Antwoord is de Raad van oordeel dat de in artikel 42 van de Wet WIA opgenomen re-integratieplicht voor de eigenrisicodrager tot gevolg heeft dat de eigenrisicodrager als bestuursorgaan optreedt en de in die hoedanigheid jegens zijn gedeeltelijk arbeidsgeschikte werknemer genomen beslissingen als besluiten in de zin van artikel 1:3 van de Awb moeten worden aangemerkt, voor zover deze beslissingen verband houden met de wettelijke plicht van de eigenrisicodrager tot het nemen van maatregelen tot het behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid van zijn werknemer tot het verrichten van arbeid. Bij het nemen van beslissingen strekkende tot het behoud van arbeid die niet op de re-integratieplicht als bedoeld in artikel 42 van de Wet WIA zijn terug te voeren, maar hun oorsprong vinden in de civielrechtelijke verhouding tussen de eigenrisicodrager en de werknemer, treedt de eigenrisicodrager niet op als bestuursorgaan, zodat deze beslissingen geen besluiten zijn in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

4.6.

Ter zitting van de Raad heeft appellant verklaard dat hij voor andere werkgevers nog steeds werkzaamheden als tankwagenchauffeur verricht en dat hij, om dit te kunnen blijven doen, een nieuw ADR-certificaat dient te behalen. Appellant vindt dat van de nieuwe werkgever niet mag worden verwacht dat hij investeert in de daarvoor noodzakelijke cursussen en heeft zich daartoe tot [werkgever] gewend. Desgevraagd heeft appellant verklaard dat hij, ook als hij niet gedeeltelijk arbeidsgeschikt was geworden, een nieuw ADR-certificaat had moeten behalen en de daarvoor noodzakelijke cursussen had moeten volgen. De daarmee samenhangende kosten zouden in dat geval door de werkgever moeten worden betaald. Appellant heeft desgevraagd bevestigd dat het volgen van de cursussen ter verkrijging van het nieuwe ADR-certificaat niet voortvloeit uit de omstandigheid dat hij ten gevolge van zijn gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid achterop is geraakt, maar dat hij deze cursussen onder alle omstandigheden had moeten volgen om in de branche werkzaam te kunnen blijven.

4.7.

Uit deze verklaringen vloeit voort dat de vergoeding van de cursuskosten voor het behalen van een nieuw ADR-certificaat door appellant geen verband houdt met de wettelijke plicht van [werkgever] tot het nemen van maatregelen gericht op het behoud, herstel of bevordering van de mogelijkheid van appellant tot het verrichten van arbeid als bedoeld in artikel 42 van de Wet WIA. De uit het e-mailbericht van 6 november 2012 blijkende weigering van [werkgever] om tot vergoeding van de cursuskosten over te gaan vindt haar oorsprong in de civielrechtelijke verhouding tussen [werkgever] als werkgever en appellant als werknemer. In die verhouding treedt [werkgever] niet op als bestuursorgaan, zodat de beslissing van 6 november 2012 niet is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb waartegen op grond van artikel 7:1 van de Awb bezwaar kan worden gemaakt.

4.8.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd en het bezwaar tegen de beslissing van 6 november 2012 niet-ontvankelijk te worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen de beslissing van 6 november 2012 niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en R.E. Bakker en
G. van Zeben-De Vries als leden, in tegenwoordigheid van W. de Braal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2015.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) W. de Braal

NW