Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1751

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
11-6063 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft bij besluit een straf opgelegd van onvoorwaardelijk ontslag. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant zich wederom (na waarschuwing en straf) meerdere malen niet heeft gehouden aan de gemaakte afspraken over ziekmelding en afwezig zijn. Het betoog van appellant, inhoudende dat het college al langere tijd wist dat hij ongeschikt was voor zijn werk en hem daarom geen straf- maar ongeschiktheidsontslag had moeten verlenen, wordt niet gevolgd. Het antwoord op de vraag of het plichtsverzuim aan appellant kan worden toegerekend luidt bevestigend. Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het rapport onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. De Raad is voorts van oordeel dat de opgelegde straf van disciplinair ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van de gedragingen van appellant.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6063 AW

Datum uitspraak: 12 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

30 augustus 2011, 11/2560 AW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.G.J. Horlings hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een medisch advies van de verzekeringsarts overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Horlings. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant was sinds 1994 werkzaam bij de gemeente Amsterdam, sinds 2000 in de functie van assistent-accountant.

1.2. Na een periode van arbeidsongeschiktheid en een re-integratieperiode is appellant per

5 november 2007 in de gelegenheid gesteld zijn werkzaamheden te hervatten. Omdat appellant op een viertal data in januari 2009 zonder voorafgaand bericht afwezig was, heeft zijn leidinggevende hem bij brief van 5 februari 2009 een waarschuwing gegeven. Deze brief bevat tevens afspraken over ziekmelding en verlofaanvraag die in een gesprek tussen appellant en zijn leidinggevende op 3 februari 2009 zijn gemaakt.

1.3. Het college heeft aan appellant bij besluit van 6 oktober 2009 voorwaardelijk, met een termijn van twee jaar vanaf 1 oktober 2009, de straf opgelegd van vermindering van het recht op vakantie. Aan deze straf is ten grondslag gelegd dat appellant, door op 24 februari en

2 maart 2009 zonder kennisgeving afwezig te zijn, zich schuldig heeft gemaakt aan plichtsverzuim. Het college heeft vervolgens bij besluit van 15 februari 2010 twee vakantiedagen ingehouden ter tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf van 6 oktober 2009. Daarnaast heeft het college bij dit besluit de straf opgelegd van vermindering van het salaris met € 698,40. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant op

5 oktober en 3 november 2009 zich niet heeft gehouden aan de afspraken over ziekmelden en op 13 november, 7 december en in de ochtend van 8 december 2009 zonder bericht afwezig was. Voorts is appellant in dit besluit gewaarschuwd dat strafontslag wordt overwogen, als hij zich vanaf 15 februari 2010 opnieuw aan plichtsverzuim schuldig maakt.

1.4. Na het voornemen daartoe, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 10 december 2010 de straf opgelegd van onvoorwaardelijk ontslag. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat appellant zich in juli 2010 wederom meerdere malen niet heeft gehouden aan de gemaakte afspraken over ziekmelding en dat hij op 20 juli 2010 ongeoorloofd en zonder bericht afwezig was. Appellant heeft zich schuldig gemaakt aan plichtsverzuim als bedoeld in artikel 13.4 van de Nieuwe Rechtspositieregeling gemeente Amsterdam. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De commissie bezwaarschriften heeft aan een onafhankelijk medisch specialist vragen voorgelegd over de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim. Psychiater R.L. Leta (Leta) heeft met appellant gesproken en medische gegevens geraadpleegd en op basis daarvan geconcludeerd dat sprake is van borderline trekken in de persoonlijkheid en van middelengebruik, onder meer alcohol. Leta heeft onvoldoende basis gevonden om te spreken van een verminderde toerekeningsvatbaarheid op basis van psychiatrische ziekte. Bij beslissing op bezwaar van

11 april 2011 (bestreden besluit) heeft het college, in overeenstemming met het advies van de commissie bezwaarschriften, het besluit van 10 december 2010 gehandhaafd.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, het volgende aangevoerd. De rechtbank heeft op basis van het rapport van Leta ten onrechte geoordeeld dat het college bevoegd was om aan appellant strafontslag te verlenen. Overduidelijk blijkt dat appellant lijdt aan een psychische stoornis die zijn functioneren sterk beïnvloedt. Bovendien is het rapport onzorgvuldig tot stand gekomen. Leta heeft maar twee uur met hem gesproken en heeft alleen schriftelijk informatie gevraagd van andere artsen. Het was het college al lange tijd bekend dat appellant niet geschikt was voor zijn werk. Het college had escalatie moeten voorkomen. Appellant heeft door zijn problematiek erg weinig kans op de arbeidsmarkt.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Het betoog van appellant, inhoudende dat het college al langere tijd wist dat hij ongeschikt was voor zijn werk en hem daarom geen straf- maar ongeschiktheidsontslag had moeten verlenen, wordt niet gevolgd. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bestuursorgaan bij samenloop van ontslaggronden een zekere keuzevrijheid heeft. Wel dient bij een keuze voor strafontslag aan de voorwaarden voor het verlenen van een zodanig ontslag te worden voldaan.

4.2.

In dat verband dient de Raad allereerst de vraag te beantwoorden of het plichtsverzuim, dat tussen partijen niet in geschil is, aan appellant kan worden toegerekend. Op grond van de beschikbare medische gegevens wordt deze vraag bevestigend beantwoord.

4.3.

Doorslaggevende betekenis wordt toegekend aan de conclusie van Leta dat hij onvoldoende basis heeft gevonden om te spreken van verminderde toerekenbaarheid op basis van psychiatrische ziekte. Uit het rapport komt naar voren dat appellant trekken had van borderline. Het is invoelbaar dat deze psychische klachten leiden tot beperkingen in zijn functioneren. Met de persoonlijkheidsproblematiek van appellant is een verklaring gegeven voor zijn handelen, maar is niet komen vast te staan dat dit handelen niet aan hem valt toe te rekenen. In het rapport wordt, in tegendeel, geconcludeerd dat appellant op de dagen dat hij verzuimde zich goed bewust was van zichzelf en zijn omgeving, dat hij in staat was om normaal de werkelijkheid te beoordelen en dat zijn normbesef intact was. Ondanks zijn

weerzin had hij nog steeds een keuze om wel of niet naar het werk te gaan.

4.4.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat het rapport onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Leta heeft de informatie van psychiater Lam bij zijn beoordeling betrokken. De door Leta gebezigde motivering is overtuigend. Zijn rapport geeft blijk van een voldoende zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. Dat het gesprek tussen Leta en appellant slechts twee uur zou hebben geduurd en Leta niet persoonlijk met Lam heeft gesproken, kan hieraan niet afdoen. Ook in het rapport van de verzekeringsarts wordt geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de conclusies van Leta, aangezien de verzekeringsarts een oordeel heeft gegeven over de belastbaarheid van appellant voor zijn werk en zich niet behoefte uit te laten over de toerekenbaarheid van het plichtsverzuim.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het college bevoegd was om appellant disciplinair te straffen.

4.6.

De Raad is voorts van oordeel dat de opgelegde straf van disciplinair ontslag niet onevenredig is aan de aard en de ernst van de gedragingen van appellant. Hierbij wordt acht geslagen op het feit dat appellant herhaaldelijk heeft verzuimd om aan het werk te gaan, tweemaal eerder disciplinair is gestraft voor vergelijkbare gedragingen en op het gegeven dat het college in het besluit van 15 februari 2010 appellant erop heeft gewezen dat strafontslag wordt overwogen indien hij zich opnieuw aan plichtsverzuim schuldig maakt. Appellant heeft zich nadien wederom niet gehouden aan de gemaakte afspraken over ziekmelding en was opnieuw zonder bericht afwezig. Nu daarvoor geen grond was en dit handelen appellant kan worden toegerekend, moet ervan worden uitgegaan dat hij welbewust het risico heeft genomen dat tot strafontslag zou worden overgegaan. Het standpunt van appellant dat het college de situatie heeft laten escaleren wordt dan ook niet gedeeld. Dat het voor appellant moeilijk is om een nieuwe betrekking te vinden, maakt evenmin dat de opgelegde straf onevenredig is.

4.7.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

B.J. van de Griend en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 september 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) S.K. Dekker

HD