Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2012:BV6390

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-01-2012
Datum publicatie
21-02-2012
Zaaknummer
11/5213 + 11/5214 AWBZ-T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Bezwaar niet-ontvankelijk. De overschrijding van de bezwaartermijn had wel verschoonbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, evenals het bestreden besluit. Het zorgkantoor krijgt de opdracht het gebrek in het besluit te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5213 en 11/5214 AWBZ-T

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

P R O C E S – V E R B A A L

van de mondelinge tussenuitspraak van 23 januari 2012

op het hoger beroep van:

[appellant 1] en [appellant 2], beiden wonende te [woonplaats], (appellanten)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 juli 2011, 11/1341 (aangevallen uitspraak)

in het geding tussen

appellanten

en

Stichting Zorgkantoor Menzis (Zorgkantoor)

________________________________________________________________________

Ter zitting zijn appellanten vertegenwoordigd door hun moeder en wettelijk vertegenwoordiger [naam moeder] en mr. A. van Oosten, advocaat.

Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. de Boer.

1. Het Zorgkantoor heeft bij besluiten van 4 juni 2010 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) bepaald dat volgens de eindafrekening persoonsgebonden budget (pgb) door [appellant 2] over de periode 1 juni 2009 tot en met 30 juni 2010 en [appellant 1] over de periode 1 juni 2009 tot en met 28 april 2010 aan het Zorgkantoor in totaal € 15.615,38 terugbetaald dient te worden; dit in verband met gesteld niet (volledig) verantwoorden van de over die perioden (voorlopig) toegekende bedragen aan pgb.

2. Het Zorgkantoor heeft het bezwaar van appellanten van 30 september 2010 tegen de besluiten van 4 juni 2010 bij het bestreden besluit van 25 februari 2011 niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift na afloop van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken is ingediend en die overschrijding niet verschoonbaar is.

3. De rechtbank heeft het beroep van appellanten tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

4. Appellanten hebben tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Zij stellen zich op het standpunt dat de overschrijding van de bezwaartermijn in verband met de specifieke omstandigheden van [moeder] verschoonbaar is en dat het bezwaar tegen de besluiten van 4 juni 2010 door het Zorgkantoor ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.

5. Het Zorgkantoor handhaaft in hoger beroep zijn standpunt dat de door [moeder] aangevoerde redenen geen verschoonbare termijnoverschrijding opleveren.

6. De Raad is tot de volgende beoordeling gekomen.

7. De Raad is, anders dan de rechtbank en het Zorgkantoor, van oordeel dat de overschrijding van de bezwaartermijn wel verschoonbaar moet worden geacht. [moeder] heeft tijdens de bezwaartermijn al het redelijkerwijs mogelijke gedaan om adequate hulp te zoeken voor haar administratieve problemen. In verband met haar ziektebeeld is [moeder] er niet (tijdig) in geslaagd om deze adequate hulp te vinden, waardoor zij niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 4 juni 2010. Hierbij heeft de Raad in aanmerking genomen de verklaringen van M. van Riet ambulant jeugdhulpverlener bij Bureau Jeugdzorg Gelderland van 10 september 2010 en de psychiater J.A.M. Rutgers van 4 februari 2011 en de rapportage van de psycholoog M.P. Peeters van september 2006. Uit deze medische stukken komt naar voren dat [moeder] als gevolg van haar psychische gesteldheid (ADD, dyslexie, gezinssituatie, persoonlijkheidsstoornis) niet in staat is om complexe problemen op te lossen dan wel daarvoor tijdig adequate hulp te vragen en/of te behouden.

8. Uit het voorgaande volgt dat het Zorgkantoor inhoudelijk op het bezwaar van appellanten had dienen te beslissen in plaats van het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt, evenals het bestreden besluit van 25 februari 2011 waarin het Zorgkantoor het bezwaar van appellanten ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

9. De Raad dient aansluitend te bezien welk vervolg aan deze uitkomst wordt gegeven. In het voorliggende geval ziet de Raad, gelet op het gegeven dat thans te weinig gegevens beschikbaar zijn om zelf in de zaak te voorzien, aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Zorgkantoor op te dragen het gebrek in het besluit van 25 februari 2011 te herstellen. Het Zorgkantoor dient hiertoe een inhoudelijk besluit te nemen op het bezwaar van appellanten tegen de in de besluiten van 4 juni 2010 neergelegde eindafrekeningen.

10. Het dictum van de uitspraak luidt:

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Draagt het Zorgkantoor op binnen vier weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 25 februari 2011 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

Het lid van de enkelvoudige kamer sluit het onderzoek.

Waarvan proces-verbaal.

Utrecht, 27 januari 2012

De griffier. Het lid van de enkelvoudige kamer.

(get.) B.E.H. Bekkers (get.) R.M. van Male

Voor eensluidend afschrift

de griffier van de

Centrale Raad van Beroep.

IJ