Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6325

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2011
Datum publicatie
30-05-2011
Zaaknummer
09-2531 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herleving arbeidsverplichtingen na tijdelijke ontheffing; geen ambtshalve nieuw vervolgbesluit vereist; bezwaar tegen uitblijven besluit niet-ontvankelijk.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Wet werk en bijstand 9
Wet werk en bijstand 9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2011/309 met annotatie van C.W.C.A. Bruggeman
USZ 2011/189
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/2531 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 maart 2009, 08/4209 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 17 mei 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. M.J.G. Schroeder, jurist te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 5 april 2011. Partijen, waarvan het College met voorafgaand bericht, zijn niet verschenen.

II. OVERWEGINGEN

1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1. Appellante ontvangt sinds 20 april 1997 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2. Bij besluit van 25 oktober 2004 heeft het College appellante op grond van medische en sociaal/maatschappelijke omstandigheden tot 1 juni 2006 ontheven van de verplichting om naar vermogen te trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen, als werkzoekende ingeschreven te staan bij het Centrum voor Werk en Inkomen en om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden. Daarbij is aangegeven dat de situatie daarna opnieuw zal worden beoordeeld. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.

1.3. Op 18 september 2008 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het niet tijdig nemen van een besluit door het College over de (continuering van de) onder 1.2 vermelde ontheffing. Bij besluit van 13 oktober 2008 heeft het College dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 13 oktober 2008 ingestelde beroep, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 13 oktober 2008 ongegrond is verklaard. Daartoe heeft zij, samengevat, aangevoerd dat het College gehouden was een vervolgbesluit te nemen over een eventuele (voortzetting van de) ontheffing van verplichtingen per

1 juni 2006, dat appellante erop mocht vertrouwen dat een dergelijk besluit ook zou worden genomen, dat dit niet is gebeurd zodat moet worden geconcludeerd dat sprake is van het niet tijdig nemen van een besluit, dat de onder 1.2 vermelde ontheffing weliswaar feitelijk is gecontinueerd, maar dat haar in een procedure inzake schuldsanering (die is beëindigd zonder schone lei omdat zij niet actief heeft gesolliciteerd) is tegengeworpen dat zij niet over een formele ontheffing beschikte.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. De Raad heeft al vaker overwogen (zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2007, LJN BA0024) dat de in artikel 9 van de WWB genoemde verplichtingen van rechtswege aan de bijstand zijn verbonden. Vaste rechtspraak van de Raad is voorts dat een besluit om verplichtingen voorgoed niet aan een belanghebbende op te leggen of om zonder tijdsbepaling ontheffing te verlenen van verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling in strijd is met de doelstelling en uitgangspunten van de WWB (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 oktober 2010, LJN BO0490). Dit brengt naar het oordeel van de Raad mee dat na afloop van een periode, waarover aan een bijstandsgerechtigde tijdelijk ontheffing is verleend van een of meer van deze verplichtingen, die verplichtingen van rechtswege herleven. Een afzonderlijk daartoe strekkend besluit is derhalve niet vereist. De Raad kan appellante dan ook niet volgen in haar standpunt dat het College gehouden was ambtshalve een nieuw besluit te nemen ten aanzien van de (voortzetting van de) ontheffing van verplichtingen per 1 juni 2006.

4.2. De Raad ziet in het licht van het voorgaande evenmin grond voor het oordeel dat appellante aan de in het besluit van

25 oktober 2004 opgenomen mededeling, dat de situatie na 1 juni 2006 opnieuw zal worden beoordeeld, een in rechte te honoreren verwachting kon ontlenen dat het College ter zake een zogenoemd vervolgbesluit zou nemen. De Raad merkt daarbij nog op dat van appellante, indien bij haar onduidelijkheid bestond over de voor haar rechtens geldende situatie per 1 juni 2006, had mogen worden verlangd dat zij zich tijdig - en niet pas na ruim twee jaar - tot het College had gewend om de gewenste duidelijkheid alsnog te verkrijgen. Dat zij daartoe pas is overgegaan nadat haar geruime tijd later in een schuldsaneringsprocedure is tegengeworpen dat zij niet actief naar werk heeft gezocht, moet voor haar rekening en risico blijven.

4.3. Uit hetgeen onder 4.1 en 4.2 is overwogen vloeit voort dat appellante ter zake van de ontheffing per 1 juni 2006 geen nieuw ambtshalve te nemen besluit had te verwachten. Dit betekent dat het College het bezwaar tegen het uitblijven van een dergelijk besluit terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.4. Het hoger beroep treft, gelet op het voorgaande, geen doel. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.N.A. Bootsma en W.F. Claessens als leden, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2011.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) R. Scheffer.

IJ