Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1120

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
12-04-2011
Datum publicatie
14-04-2011
Zaaknummer
09/748 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De inlichtingen over de herkomst van de stortingen en de bestemming van de opnamen, gelet op de hoogte van de bedragen en de aard en de frequentie van de transacties, waren noodzakelijk voor de vaststelling van het recht op bijstand van appellant. Het College was bevoegd om na de weigering van appellant om inlichtingen te verschaffen de bijstand op te schorten. Na herstel verzuim: de handhaving van de intrekking berust op een onjuiste wettelijk grondslag. Schending inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 54
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2011/145
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

09/748 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 december 2008, 08/4768 en 08/4769 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)

Datum uitspraak: 12 april 2011

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.G. Meijer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Het College heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 februari 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Meijer. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

II. OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij brief van 29 juli 2008 heeft het College appellant in verband met een traject naar werk verzocht uiterlijk op 12 augustus 2008 een kopie van de inschrijving bij de Centrale organisatie werk en inkomen en een kopie van een legitimatiebewijs over te leggen. Appellant heeft deze gegevens niet overgelegd.

1.2. Bij besluit van 3 september 2008 heeft het College het recht op bijstand van appellant met ingang van 12 augustus 2008 opgeschort op de grond dat hij niet de in de brief van 29 juli 2008 gevraagde informatie had verschaft. Daarbij heeft het College appellant uitgenodigd voor een gesprek op 15 september 2008 en verzocht bij die gelegenheid een aantal bewijsstukken te verstrekken. Die betroffen onder meer het huurcontract van appellant en/of zijn laatste huurverhogingsbewijs, bewijzen van huurbetaling van de afgelopen drie maanden, alle opeenvolgende afschriften van bankrekeningen van de laatste drie maanden, betalingsbewijzen van de energierekening voor de woning van appellant over de laatste drie maanden en kenteken- en verzekeringsbewijzen van zijn auto of motor.

1.3. Appellant is op 15 september 2008 verschenen op het gesprek en heeft onder meer de afschriften van zijn bankrekening over de laatste drie maanden overgelegd. Zijn bijstandsconsulent heeft deze afschriften bekeken. Deze gaven blijk van kasstortingen tot bedragen van € 1.000,--. Appellant heeft tijdens dit gesprek geweigerd uitleg te geven over deze stortingen.

1.4. Bij besluit van 16 september 2008 heeft het College het recht op bijstand van appellant opgeschort met ingang van 12 augustus 2008 op de grond dat appellant tijdens het gesprek van 15 september 2008 niet alle gevraagde documenten had overgelegd en voorts op de grond dat appellant geweigerd heeft inlichtingen te verstrekken over de genoemde kasstortingen. Bij dit besluit heeft het College appellant in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 26 september 2008 de gevraagde stukken en inlichtingen te verstrekken.

1.5. Bij faxbrief van 25 september 2008 heeft mr. Meijer namens appellant de gevraagde stukken als bijlagen verzonden. Over de kasstortingen blijkend uit de bankafschriften van de laatste drie maanden heeft mr. Meijer het volgende geschreven: “Cliënt stelt hierover dat het gaat om de genoten bijstand waarvan telkens een deel door cliënt wordt opgenomen en telkens een deel door cliënt wordt teruggestort.”

1.6. Bij besluit van 30 september 2008 heeft het College de bijstand met ingang van 12 augustus 2008 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB ingetrokken op de grond dat appellant niet de informatie had verstrekt waarom het College gevraagd had, ook niet dat nadat hem daartoe alsnog de mogelijkheid was gegeven. Daarbij is overwogen dat appellant geen afdoende verklaring heeft gegeven voor de kasstortingen, dat de hoogte van de bijstandsuitkering en de hoogte van de gestorte bedragen de door appellant gegeven verklaring erg onaannemelijk maakt en dat het College daardoor niet kan vaststellen of appellant bijstand behoeft.

1.7. Bij besluit van 4 november 2008 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 3 september 2008 gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Daartoe heeft het College overwogen dat het recht op bijstand in dat besluit niet kon worden opgeschort omdat de gevraagde informatie niet zag op het recht op bijstand, maar op het activeringstraject. Bij dat besluit heeft het College de betaling van de bijstand van appellant met ingang van 12 augustus 2008 hervat en een eenmalige verlaging toegepast met toepassing van de Afstemmingsverordening WWB. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.

1.8. Bij besluit van 5 november 2008 heeft het College het bezwaar tegen de besluiten van 16 en 30 september 2008 gegrond verklaard wat betreft de ingangsdatum van de opschorting en intrekking, die datum gewijzigd in 15 september 2008, het bezwaar voor het overige ongegrond verklaard en appellant een vergoeding van de kosten van het bezwaar toegekend. Daartoe is onder meer overwogen dat appellant eerst op 15 september 2008 in verzuim was ten aanzien van het verstrekken van inlichtingen over zijn financiële situatie, zodat het recht op bijstand eerst tegen die datum kon worden opgeschort. Verder heeft het College overwogen dat de verklaringen die appellant gegeven heeft over de kasstortingen onvoldoende zijn om met zekerheid het recht op bijstand van appellant te bepalen, omdat de stortingen en opnamen niet overeenkomen met de hoogte van de bijstand en omdat de - nadere - verklaring van appellant dat hij geld voor anderen beheerde op zijn rekening niet geloofwaardig bewezen is. De bijstand kan daarom met ingang van 15 september 2008 worden ingetrokken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van rechtbank (hierna: de rechtbank) - voor zover hier van belang - het beroep tegen het besluit van 5 november 2008 ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover daarbij zijn beroep ongegrond is verklaard. Appellant heeft daartoe aangevoerd dat de besluiten van 16 en 30 september 2008 voortvloeien uit het herroepen besluit van 3 september 2008 en ook herroepen moeten worden. Die besluiten zijn namelijk niet kenbaar gericht op herstel van de verplichting om inlichtingen te verstrekken die van belang zijn voor het recht op bijstand. Er was voorts geen reden om de bankafschriften op te vragen. Ten slotte heeft appellant gesteld dat hij voldoende informatie heeft verschaft om zijn recht op bijstand te kunnen vaststellen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad is het bestuursorgaan dat bevoegd is bijstand te verlenen in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand van de belanghebbende in beginsel gerechtigd inzage te verlangen in de giro- en bankafschriften over de laatste drie maanden. Appellant heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die nopen tot het oordeel dat in afwijking hiervan het College in dit geval deze inzage niet mocht verlangen. Anders dan appellant stelt, behoeft het College hiervoor geen bijzondere reden of aanleiding te hebben. In zoverre faalt het hoger beroep.

4.2. Uit de aan het College overgelegde bankafschriften over de periode van 12 juni 2008 tot en met 10 september 2008 blijkt op de volgende data van kasstortingen op eigen rekening tot de aangegeven bedragen: 26 juni 2007: € 480,--; 30 juni 2007: € 450,--; 4 juli 2007: € 250,--; 7 juli 2007: € 250,--; 11 juli 2007: € 390,--; 14 juli 2007: € 350,--; 18 juli 2007: € 300,--; 21 juli 2007: € 260,--; 25 juli 2007: € 100,--; 28 juli 2007: € 290,--; 1 augustus 2007: € 300,--; 4 augustus 2007: € 90,-- en 15 augustus 2008: € 100,--. Voorts blijken uit die afschriften kasopnamen op de volgende data tot de aangegeven bedragen: 30 juni 2007: € 500,--; 4 juli 2007: € 500,--; 11 juli 2007: € 400,--; 14 juli 2007: € 400,--; 22 juli 2007: € 500,--; 28 juli 2007: € 400,--; 1 augustus 2007: € 500,--; 4 augustus 2007: € 70,-- en 5 augustus 2007: € 70,--. Totaal is er in deze periode een bedrag van € 3.610,-- in contanten op de rekening van appellant gestort en is een bedrag van € 3.340,-- daarvan opgenomen, terwijl in de meeste gevallen op de datum van storting ook een opname plaatsvond.

4.3. Met het College en de rechtbank is de Raad van oordeel dat inlichtingen over de herkomst van deze stortingen en de bestemming van deze opnamen, gelet op de hoogte van de bedragen en de aard en de frequentie van de transacties, noodzakelijk waren voor de vaststelling van het recht op bijstand van appellant. Derhalve was het College bevoegd na de weigering van appellant in het gesprek van 15 september 2008 om die inlichtingen te verschaffen, om het recht op bijstand met ingang van die datum op te schorten ten einde die inlichtingen te verkrijgen. De wijze waarop het College deze bevoegdheid heeft uitgeoefend heeft appellant niet bestreden, terwijl het College in het besluit van 16 september 2008 duidelijk heeft aangegeven welke informatie het verlangde. Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 16 september 2008 het uitvloeisel is van de zelfstandige uitoefening van de bevoegdheid tot onderzoek naar het recht op bijstand, en dat het besluit van 16 september 2008 dus niet steunt op het voorafgaande, en later niet gehandhaafde besluit tot opschorting van het recht op bijstand van 3 september 2008. Het hoger beroep faalt daarom voor zover het betrekking heeft op de opschorting van de bijstand met ingang van 15 september 2008.

4.4. Op het betoog van appellant dat hij voldoende inlichtingen heeft verschaft, zodat het College niet bevoegd is met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB de bijstand in te trekken, overweegt de Raad als volgt. Vaststaat dat appellant binnen de in het opschortingsbesluit gestelde termijn via zijn gemachtigde een verklaring heeft gegeven voor de kasstortingen en opnamen. Daarmee heeft appellant het bij de opschorting geconstateerde verzuim, namelijk de weigering inlichtingen te verschaffen over de kasopnamen en kasstortingen, binnen de gestelde termijn hersteld. De omstandigheid dat het College de door appellant gegeven verklaring erg onaannemelijk vond, doet hieraan niet af. De bevoegdheden tot opschorting en intrekking van (het recht op) bijstand op grond van artikel 54, eerste en vierde lid, van de WWB zijn immers bedoeld als dwangmiddel tot nakoming van de op de bijstandsgerechtigde rustende wettelijke verplichting inlichtingen te verstrekken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 4 november 2008, LJN BG4603). De vraag of de al dan niet na opschorting verschafte inlichtingen en verklaringen juist, aannemelijk of geloofwaardig zijn, en welke gevolgen aan de onjuistheid, onaannemelijkheid of ongeloofwaardigheid van die inlichtingen en verklaringen moeten worden verbonden, dient het College te beoordelen bij de uitoefening van de bevoegdheden tot beëindiging van bijstand op grond van de artikelen 43 en 44 van de WWB of tot herziening of intrekking van bijstand met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB. Gelet op het door het College gegeven oordeel over de gegeven inlichtingen, was het immers tot een inhoudelijke beslissing omtrent het recht op bijstand van appellant in staat. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 3 november 2010, LJN BO3646, r.o. 4.2, waarin in vergelijkbare zin is beslist in een geval waar na een gegeven herstelmogelijkheid een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling werd gesteld.

4.5. Dit voert tot de conclusie dat het besluit van 5 november 2008 voor zover het handhaving van de intrekking betreft, berust op een onjuiste wettelijk grondslag.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. Het hoger beroep slaagt in zoverre.

De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep, voor zover gericht tegen de handhaving van het besluit van 30 september 2008, gegrond verklaren en het besluit van 5 november 2008 in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 54, vierde lid, van de WWB.

4.6. De Raad zal vervolgens onderzoeken of met het oog op finale geschillenbeslechting de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit van 5 november 2008 in stand gelaten kunnen worden met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat het College zowel in het besluit van 30 september 2008 als in het besluit van 5 november 2008 heeft overwogen dat het, gelet op de door appellant gegeven verklaringen over de kasstortingen op en kasopnamen van zijn rekening, diens recht op bijstand niet kan vaststellen.

4.7. De Raad stelt vooreerst vast dat het College de intrekking niet heeft beperkt tot een bepaalde periode. Volgens vaste rechtspraak van de Raad bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter in een dergelijk geval de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier beoordeeld dient worden de periode van 15 september 2008 tot en met 30 september 2008. Naar vaste rechtspraak van de Raad levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Volgens eveneens vaste rechtspraak van de Raad dienen daarbij ook de door de belanghebbende in de fase van beroep en hoger beroep alsnog verstrekte gegevens te worden betrokken.

4.8. De Raad stelt vast dat appellant aanvankelijk heeft verklaard dat het bij deze kasstortingen en opnamen ging om zijn eigen uitkering. In bezwaar heeft appellant verklaard dat hij gelden van anderen beheerde. Ter zitting in hoger beroep heeft appellant verklaard dat de transacties verband hielden met gokactiviteiten, namelijk dat hij steeds geld opnam om te gaan gokken en vervolgens stortte wat hij daarvan overhield. Reeds gelet op deze wisselende verklaringen heeft appellant zijn wettelijke inlichtingenplicht geschonden. Anders dan appellant in hoger beroep betoogt, is de Raad vervolgens met het College van oordeel dat hierdoor ook in de periode in geding, namelijk enkele weken na de laatste transactie, het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld.

Het College is daarom bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant met ingang van 15 september 2008 in te trekken. Er is geen grond gebleken voor het oordeel dat het College niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik zou kunnen maken. Daarom zal de Raad de rechtsgevolgen van het gedeeltelijk te vernietigen besluit van 5 november 2008 in stand laten.

5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen de handhaving van het besluit van 30 september 2008;

Vernietigt het besluit van 5 november 2008 in zoverre;

Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 5 november 2008 in stand blijven;

Veroordeelt het College in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- te betalen aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 146,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en J.N.A. Bootsma en O.L.H.W.I. Korte als leden in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 april 2011.

(get.) J.J.A. Kooijman.

(get.) C. de Blaeij.

RB