Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2008:BC4932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-02-2008
Datum publicatie
25-02-2008
Zaaknummer
06-5804 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WW-uitkering. Geen sprake van werknemer in de zin van de WW. Is er sprake van een gezagsverhouding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2008, 148
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

06/5804 WW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

de Minister van Justitie, (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 1 augustus 2006, 05/2171 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

[Betrokkene]

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)

Datum uitspraak: 21 februari 2008

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G.F.M. Hoffmans, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. D.C. Coppens, advocaat te Amsterdam, gereageerd op het aanvullend beroepschrift van appellant.

Bij brief van 28 november 2007 heeft appellant de Raad doen toekomen het arrest van het Gerechtshof ’s-Gravenhage van 22 november 2007, gewezen in de zaak van betrokkene en de Staat der Nederlanden.

Bij brief van 29 november 2007 heeft mr. Coppens de Raad enkele stukken doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2007, waar voor appellant zijn verschenen mr. Hoffmans en haar kantoorgenoot mr R.L.H. IJzerman, alsmede drs. I. Biermans, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie. Voor het Uwv is verschenen W. Metus, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Betrokkene is in persoon verschenen bijgestaan door mr. Coppens, voornoemd.

II. OVERWEGINGEN

De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW), zoals die luidde ten tijde hier van belang.

Gelet op de artikelen 78a en 97b van de WW is appellant belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Betrokkene verricht sedert 1990 werkzaamheden als tolk voor de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie (hierna: IND).

Op de werkzaamheden als tolk voor de IND is van toepassing de Regeling Tolken IND van 21 februari 1995. Deze regeling voorziet in de wijze van toelating en selectie van tolken, een gedragscode voor tolken, de wijze waarop tolken worden ingezet en hun werkzaamheden worden gepland, de vergoedingen die de tolken ontvangen en de wijze waarop klachten worden afgedaan.

Doel van de regeling is het bevorderen van een meer efficiënte en effectieve inzet van tolken. Voorts is met de regeling beoogd een kader te scheppen waarbinnen de kwaliteit van IND-tolken beter kan worden gewaarborgd.

Op 4 oktober 2002 heeft betrokkene verzocht om een uitkering krachtens de WW in verband met een afname van zijn werkzaamheden als tolk voor de IND.

Bij besluit van 28 december 2004 heeft het Uwv de aanvraag van betrokkene afgewezen op de grond dat hij geen werknemer is in de zin van de WW.

Bij besluit van 3 mei 2005 heeft het Uwv het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 28 december 2004 ongegrond verklaard. Naar de mening van het Uwv kan de arbeidsverhouding van betrokkene met de IND niet worden aangemerkt als zijnde een privaatrechtelijke dienstbetrekking, omdat er geen sprake is van een gezagsverhouding. In de visie van het Uwv is er slechts sprake van het verrichten van werkzaamheden op freelance basis.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met beslissingen omtrent de proceskosten en het griffierecht het beroep van betrokkene tegen het besluit van 3 mei 2005 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. In haar uitspraak, waarin betrokkene is aangeduid als eiser en het Uwv als verweerder, heeft zij het volgende overwogen:

“Blijkens vaste jurisprudentie van de CRvB is voor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht heeft aangenomen dat tussen eiser en de IND geen arbeidsverhouding heeft bestaan die verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de sociale werknemersverzekeringswetten meebrengt niet doorslaggevend hoe de arbeidsverhouding door de partijen zelf wordt gekwalificeerd, of wat partijen bij het aangaan van de overeenkomst hebben beoogd. Alle relevante feiten en omstandigheden van het geval moeten in aanmerking worden genomen. Ook het voeren van een zelfstandige onderneming behoeft volgens vaste jurisprudentie op zichzelf niet te beletten, dat de werkzaamheden in dienstbetrekking worden verricht.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten de verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting, de loonbetalingsverplichting en de gezagsverhouding, in de arbeidsverhouding tussen de IND en eiser aanwezig.

Met betrekking tot de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting overweegt de rechtbank dat eiser de werkzaamheden gedurende de in geding zijnde periode steeds persoonlijk heeft verricht, en dat niet is gebleken dat hij zich heeft laten vervangen. Tevens blijkt dat eiser zich niet zonder toestemming door een willekeurige derde kon laten vervangen, aangezien onder punt 4.5 van het op de onderhavige arbeidsverhouding van toepassing verklaarde zogeheten Beleidskader tolken expliciet is bepaald dat de tolk de tolkopdracht in eigen persoon dient uit te voeren.

Ten aanzien van het element van de verplichting tot loonbetaling is de rechtbank van oordeel dat de aan eiser gedane betalingen een reële contraprestatie voor de verrichte arbeid zijn.

De rechtbank is voorts van oordeel dat sprake is van een gezagsverhouding tussen de IND en eiser. Van een gezagsverhouding is blijkens vaste jurisprudentie van de CRvB sprake indien door de werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven welke de werknemer dient op te volgen. In een situatie als de onderhavige, waarin de werkzaamheden een wezenlijk onderdeel van de bedrijfsvoering vormen, is het ontbreken van werkgeversgezag niet aannemelijk. In het onderhavige geval zijn er ook concrete aanknopingspunten om een gezagsverhouding aan te nemen. Uit het Beleidskader tolken blijkt onder meer dat de IND eenzijdig bepaalt voor welke vergoeding eiser in aanmerking komt en dat de IND door middel van toetsen, gesprekken met de tolken en informatie van medewerkers de kwaliteit bewaakt van het tolkenbestand en van de daarin opgenomen tolken. Voorts is er een door de IND opgestelde gedragscode waarin aanwijzingen en instructies met betrekking tot de uitvoering van de werkzaamheden worden gegeven. Uit het Beleidskader tolken blijkt verder dat eventuele klachten over tolken zoals eiser, moeten worden ingediend bij de IND en dan in behandeling worden genomen door de voor de relevante regio bevoegde coördinator tolken van de IND. Bij de behandeling van dergelijke klachten wordt blijkens het Beleidskader tolken titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing geacht. In het licht van artikel 9:1, tweede lid, van de Awb impliceert dit dat ook verweerder ervan uitgaat dat het bij tolken gaat om personen, werkzaam onder de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan, waarmee ondergeschikten worden bedoeld. Blijkens de wetsgeschiedenis gaat het daarbij niet alleen om ondergeschikte ambtenaren, maar ook om arbeidscontractanten en uitzendkrachten. Dit alles in onderling verband beschouwd, leidt de rechtbank tot de slotsom dat een gezagsrelatie tussen de IND en eiser genoegzaam vaststaat.

Met betrekking tot de door verweerder aangevoerde omstandigheid dat eiser niet verplicht was aan een oproep gehoor te geven, overweegt de rechtbank dat, wat hiervan overigens ook zij, dit niet kan afdoen aan het bestaan van een verzekeringsplichtige arbeidsverhouding tussen de IND en eiser. Telkens wanneer eiser zich verbond om voor de IND vertaalwerkzaamheden te verrichten en deze werkzaamheden metterdaad verrichtte, stond hij in een privaatrechtelijke dienstbetrekking tot de IND.”

Appellant heeft zich gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, terwijl betrokkene zich achter deze uitspraak heeft geschaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan de voorwaarden van een verplichting tot persoonlijke arbeidsverrichting en een loonbetalingsverplichting is voldaan. Het geschil spitst zich dan ook toe op het antwoord op de vraag of er ook sprake is van een gezagsverhouding. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat voor het aannemen van het bestaan van verplichte verzekering op grond van artikel 3 van de WW niet doorslaggevend is hoe de arbeidsverhouding door partijen zelf wordt gekwalificeerd of wat zij daarbij hebben beoogd. Dit betekent evenwel niet dat daaraan in het geheel geen betekenis kan worden toegekend. Vastgesteld moet worden dat appellant de arbeidsverhouding met betrokkene steeds heeft gezien als een overeenkomst tot opdracht en ook betrokkene daarnaar heeft gehandeld. Betrokkene heeft zich door zijn inschrijving als ondernemer in het handelsregister en doordat hij omzetbelasting in rekening heeft gebracht zich gepresenteerd als zelfstandige. Dat hij zich al voor zijn aanvraag om een WW-uitkering hierin niet kon vinden en dat hij voor zijn inkomen in hoofdzaak afhankelijk was van zijn werkzaamheden als tolk voor de IND, maakt dit niet anders.

De Raad overweegt voorts dat het te dezen gaat om het enkel verrichten van vertaalwerkzaamheden bij het contact tussen een ambtenaar van de IND en een vreemdeling. Gelet op de aard van deze werkzaamheden is werkgeversgezag niet goed voorstelbaar. Dat de werkzaamheden essentieel zijn voor de IND, is daarvoor wel een aanwijzing, maar niet beslissend. De Raad voegt hieraan toe dat betrokkene niet, althans onvoldoende heeft aangetoond wie het werkgeversgezag uitoefent en waaruit die gezagsuitoefening bestaat.

In de Regeling Tolken IND ziet de Raad evenmin werkgeversgezag gelegen. Naar appellant onweersproken heeft gesteld is deze regeling in het leven geroepen naar aanleiding van een rapport van de Nationale Ombudsman over het functioneren van de IND. Deze regeling dient dan ook te worden gezien in het licht van de verbetering en de handhaving van de kwaliteit van de dienstverlening door de IND en niet als een weerslag van werkgeversgezag. De Raad tekent hierbij aan dat ook in het kader van een overeenkomst van opdracht aanwijzingen en voorwaarden kunnen worden gesteld.

Dat appellant ook verantwoordelijk is voor de wijze van functioneren van de tolken en met het oog daarop in de Regeling Tolken IND een klachtprocedure is opgenomen, betekent niet dat appellant als werkgever van de tolken moet worden gezien. In artikel 9:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan geen steun worden gevonden voor het aannemen van een arbeidsovereenkomst tussen appellant en betrokkene.

Gelet op het geheel van feiten en omstandigheden waaronder appellant zijn werkzaamheden als tolk verricht, is de Raad van oordeel dat er geen sprake is van een gezagsverhouding. Het Uwv heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene geen werknemer is in de zin van de WW.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad acht tot slot geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door R.C. Schoemaker als voorzitter en B.J. van der Net en G. van der Wiel als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A. Badermann als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 februari 2008.

(get.) R.C. Schoemaker.

(get.) A. Badermann.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.

IJ