Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2015:434

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-12-2015
Datum publicatie
12-01-2016
Zaaknummer
13/440
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Overtreding Gwwd, toepassing spoedbestuursdwang, kostenbesluit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

Zaaknummer: 13/440

11201

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 december 2015 in de zaak tussen

[naam] , te [plaats] , appellant

(gemachtigde: mr. B.E. Dijkstra),

en

de staatssecretaris van Economische zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik).

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder zijn besluit van
29 januari 2013 om spoedbestuursdwang toe te passen wegens overtreding van appellant van de artikelen 36 en 37 van de Gezondheids- en welzijnswet dieren (Gwwd) op schrift gesteld.

Bij besluit van 13 mei 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 22 april 2014 heeft verweerder een kostenbesluit genomen (het kostenbesluit). Appellant heeft het kostenbesluit betwist.

Op 25 juni 2014 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de onderliggende stukken van het kostenbesluit toe te sturen en zo veel mogelijk per paard met stukken de kosten, de taxatie en de opbrengst toe te lichten.

Bij faxbericht van 24 (lees: 26) juni 2014 heeft verweerder nadere stukken met betrekking tot het kostenbesluit toegezonden

Bij brief van 7 augustus 2014 heeft appellant hierop gereageerd.

Bij brief van 30 september 2014 heeft verweerder op de reactie van appellant gereageerd.

Bij brief van 17 juni 2015 heeft appellant meegedeeld geen toestemming te verlenen om een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten.

Bij brief van 24 september 2015 heeft appellant nadere stukken ingediend.

Op 1 oktober 2015 is het onderzoek ter zitting voortgezet, waarbij appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde en verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Het College gaat op basis van de stukken en het behandelde ter zitting uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2

Naar aanleiding van een controle op 20 april 2012 door de Nederlandse Voedsel en Waren Autoriteit (NVWA) is appellant bij brief van 26 april 2012 erop gewezen dat onder meer geconstateerd is dat de verblijven van de paarden uitstekende delen bevatten waaraan de paarden zich kunnen verwonden. Appellant is daarbij erop gewezen dat indien bij een volgende controle blijkt dat de situatie niet verbeterd is, er bestuursrechtelijke maatregelen kunnen volgen.

1.3

Naar aanleiding van een controle op 30 mei 2012 is vervolgens bij besluit van
14 juni 2012 wegens overtreding van de artikelen 36 en 37 van Gwwd een last onder bestuursdwang aan appellant opgelegd. Daarbij is appellant onder meer opgedragen scherpe en uitstekende delen in de stallen, waar de paarden zich aan kunnen verwonden, te verwijderen, te zorgen voor schone en droge ligplekken en zorg te dragen voor een toereikende hoeveelheid gezond en een voor de soort en leeftijd geschikt voer, zodat de paarden in een goede gezondheid komen en aan hun voedingsbehoefte wordt voldaan.

1.4

Naar aanleiding van een hercontrole op 20 september 2012 door de NVWA is geconstateerd dat de verblijven van de paarden uitstekende delen bevatten waaraan de paarden zich kunnen verwonden en is appellant erop gewezen dat hij ervoor zorg moet dragen dat deze uitstekende delen worden verwijderd.

1.5

Op 22 november 2012 heeft de NVWA opnieuw een onderzoek ingesteld bij appellant. Op basis van het hiervan opgestelde toezichtrapport heeft verweerder geconstateerd dat er sprake was van overtreding van de artikelen 36 en artikel 37 van de Gwwd en heeft hij bij besluit van 6 december 2012 aan appellant een last onder bestuursdwang opgelegd. Daarbij is appellant onder meer opgedragen scherpe en uitstekende delen in de stallen, waar de paarden zich aan kunnen verwonden, te verwijderen, te zorgen voor schone en droge ligplekken en zorg te dragen voor een toereikende hoeveelheid gezond en een voor de soort en leeftijd geschikt voer, zodat de paarden in een goede gezondheid komen en aan hun voedingsbehoefte wordt voldaan.

1.6

Tegen voornoemde besluiten heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.7

Als vervolg op de controle van 22 november 2012 heeft op 29 januari 2013 opnieuw een controle plaatsgevonden bij appellant. In het daarvan opgemaakte toezichtrapport is per stal (merriestal en loopstal) aan de [adres] te [plaats] beschreven wat de bevindingen van de toezichthouders van de NVWA zijn. Over de merriestal is vermeld dat de toezichthouders zagen dat daarin vijf merries en vier veulens waren gehuisvest, dat de waterbakken leeg waren, dat zij geen voer zagen liggen, dat de bodem was besmeurd met mest, dat de paarden aangekoekte droge en natte mestresten op hun lichaam hadden, dat de paarden sinds de laatste controle op 22 november 2012 achteruit waren gegaan in conditie en magerder waren geworden en dat aan de zijkanten van de stal losse platen staan met meerdere uitstekende delen waaraan de paarden zich konden verwonden. Over de loopstal is vermeld dat daarin 30 paarden waren gehuisvest, dat paarden geen voer en water hadden, dat paarden mager waren, dat paarden sinds de laatste controle op 22 november 2012 achteruit waren gegaan in conditie en magerder waren geworden, dat er een laag mest op de bodem lag, dat paarden geen droge en schone ligplaats hadden, dat paarden aangekoekte droge en natte mestresten op hun lichaam hadden en dat er meerdere uitstekende delen waren waaraan de paarden zich konden verwonden. Voorts is vermeld dat bij een bruin paard onder het oog veel opgedroogd vocht zat, waarover de dierenarts van appellant heeft verklaard dat het paard daaraan veel pijn moet hebben gehad, en dat bij een paard (kleur schimmel) een grote wond op de rechterheup aanwezig was, die ontstoken was.

1.8

In de door de dierenarts van de NVWA van de controle op 29 januari 2013 opgemaakte diergeneeskundige verklaring staat – kort en samengevat weergegeven – het volgende. De paarden zijn sterk vermagerd; heupen en ribben waren duidelijk zichtbaar. De conditiescore ligt tussen de 1,5 en maximaal 2,5 op een schaal van 1 tot 5. De vachten van de paarden zijn vervuild met mest, de vloeren van de stallen zijn bedekt met een dikke laag mest en er zijn scherpe en uitstekende delen in de stallen. Ten minste zeven paarden hadden kale plekken bij de hals, één paard had een etterende wond op de heup, waarvan de dierenarts heeft geconstateerd dat deze wond daar al geruime tijd moet hebben gezeten en waarschijnlijk is veroorzaakt door het liggen op de roosters in de stal, en een ander paard had een ontstoken wond onder het oog die waarschijnlijk is veroorzaakt door een uitstekend deel in de stal. De dierenarts van de NVWA concludeert dat de paarden de noodzakelijke zorg is onthouden en beantwoordt de vraag of het noodzakelijk is dat de paarden worden meegevoerd en opgeslagen, in het belang van de gezondheid en het welzijn van de paarden, bevestigend. Naar haar mening is een adequate verzorging door appellant niet meer gewaarborgd. Ter onderbouwing hiervan heeft de dierenarts erop gewezen dat de voedingstoestand sterk achteruit is gegaan sinds de controle op 22 november 2012, dat de huisvesting van de paarden onveilig en ongeschikt is, dat de hygiënische omstandigheden van de huisvesting onacceptabel zijn en dat de nodige medische zorg aan de paarden is onthouden. De dierenarts heeft daaraan toegevoegd dat naar haar mening appellant duidelijk niet in staat voor dit aantal paarden te zorgen.

1.9

Naar aanleiding van de controle op 29 januari 2013 heeft verweerder besloten 33 paarden van de locatie aan de [adres] te [plaats] mee te voeren en op te slaan, zonder voorafgaande last. Van het meevoeren en opslaan van de 33 paarden is een proces-verbaal opgemaakt op 30 januari 2013.

1.10

In het primaire besluit staat dat verweerder op 29 januari 2013 door het toepassen van spoedbestuursdwang 33 paarden in bewaring heeft genomen. Volgens verweerder maakten het betrokken belang (dierenwelzijn) en de situatie waarin de paarden werden aangetroffen snel ingrijpen noodzakelijk. De paarden zijn in een geschikte huisvesting geplaatst bij een opslaghouder. Vanwege het spoedeisende karakter heeft verweerder appellant niet vooraf in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn zelf maatregelen te treffen om de situatie te herstellen. Volgens verweerder is het welzijn van de paarden dermate aangetast dat appellant daarmee de artikelen 36, eerste lid, en 37 van de Gwwd heeft overtreden. Verweerder heeft erop gewezen dat appellant heeft nagelaten de paarden van vers water te voorzien, dat appellant heeft nagelaten de paarden te voorzien van een toereikende hoeveelheid gezond voer, dat appellant heeft nagelaten de paarden goed te huisvesten en dat appellant heeft nagelaten de paarden (veterinair/medische) zorg te verlenen. Verweerder heeft meegedeeld dat alle aan de toepassing van bestuursdwang verbonden kosten bij appellant in rekening worden gebracht en heeft een bijlage bijgevoegd, waarin een indicatie wordt gegeven van de kosten bij in bewaring genomen paarden.

1.11

In opdracht van verweerder zijn op 2 februari 2013 de 33 paarden getaxeerd. Van die taxatie is een taxatierapport opgemaakt. Het taxatierapport vermeldt onder meer dat het koppel bestaat uit 33 KWPN paarden, dat de paarden er slecht verzorgd uitzien, een doffe kleur hebben, mager zijn, schuw en onrustig zijn en dat een aantal niet benaderbaar en zelfs gevaarlijk is. De paarden zijn ieder afzonderlijk getaxeerd met een totale waarde van
€ 12.950,-. De getaxeerde waarde per paard varieert tussen de € 150,- en € 625,-.

1.12

Bij e-mailbericht van 22 april 2013 heeft verweerder appellant bericht dat, zoals het er nu naar uitziet, de verkoop van de paarden, gelet op de taxatie, niet tegemoet zal komen aan de geschatte kosten en dat dit betekent dat de paarden vandaag uit de opvang geplaatst zullen worden.

1.13

Het afwikkelingsformulier in bewaring genomen dieren (afwikkelingsformulier I) van
8 november 2013 vermeldt – kort gezegd – dat de opdracht tot verkoop van 31 paarden op
10 mei 2013 is uitgevoerd en dat de opbrengst van de paarden € 18.745,- is. Het afwikkelingsformulier in bewaring genomen dieren (afwikkelingsformulier II) van

8 november 2013 vermeldt – kort gezegd – dat de opdracht tot het laten inslapen van twee paarden op 10 mei 2013 is uitgevoerd.

1.14

Het kostenbesluit houdt in dat appellant een bedrag van € 40.333,63 is verschuldigd. In het kostenbesluit staat dat verweerder voor het transport van de paarden naar de opslaghouder, de opvang, de dierenartskosten en overige kosten over de periode
29 januari 2013 tot en met 2 november 2013 facturen heeft ontvangen ten bedrage van
€ 59.078,63 en dat daarop de opbrengst van de verkoop van 33 paarden ten bedrage van
€ 18.745,- in mindering wordt gebracht.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder heeft hiertoe uiteengezet dat ten tijde van de controle op 29 januari 2013 werd geconstateerd dat bijna alle paarden van appellant niet de beschikking hadden over voldoende voer en water, dat de conditie van de paarden ten opzichte van 22 november 2012 sterk achteruit is gegaan, dat de paarden magerder waren geworden, dat dierenartsen ervoor zijn opgeleid om onder andere op basis van hun waarnemingen te constateren in welke conditie de paarden zich bevinden, dat de conditiescore van de paarden tussen de 1.5 tot 2.5 lag op een schaal van 1 tot 5, wat betekent dat de paarden mager tot zeer mager waren, dat de paarden niet de beschikking hadden over een schone en droge ligplaats, dat de paarden op onvoldoende oppervlakte werden gestald, dat zich meerdere uitstekende delen in de huisvesting van de paarden bevonden, dat er een paard was met een verwonding aan het linker oog, dat dit oog is gaan ontsteken en dat onder het oog veel opgedroogd vocht zat en dat een ander paard een grote wond op de rechterheup had waaruit pus liep. Volgens verweerder heeft appellant aldus de artikelen 36 en 37 van de Gwwd overtreden. Verweerder heeft verder uiteengezet dat aan appellant meermalen de gelegenheid is geboden om de situatie waarin diens paarden verkeerden te verbeteren en dat appellant hulp heeft gekregen om de situatie ter plekke op te lossen, maar dit alles er niet in heeft geresulteerd dat het welzijn en de gezondheid van de paarden op lange termijn is verbeterd. Van een incidenteel karakter was geen sprake. Op basis van de controle op 29 januari 2013 is geconstateerd dat appellant niet aan de last onder bestuursdwang van 22 november 2012 (lees: 6 december 2012) heeft voldaan, dat de conditie van de paarden was achteruit gegaan en dat de eigen dierenarts heeft opgemerkt dat meer dan de helft van de paarden een conditiescore heeft van 1. Gelet op deze omstandigheden, de slechte hygiëne en de slechte veiligheidstoestand is terecht geconstateerd dat hieraan direct een einde gemaakt moest worden. Uit de controlehistorie is gebleken dat appellant niet zelfstandig in staat was een einde aan de situatie te maken. Bovendien was het niet mogelijk de onregelmatigheden ter plaatse op te lossen gelet op het grote aantal paarden. Volgens verweerder zijn de belangen van appellant voldoende meegewogen en is het proportionaliteitsbeginsel in acht genomen (door niet alle paarden mee te voeren). Verweerder concludeert dat terecht is besloten om de paarden mee te voeren en op te slaan.

3. Appellant heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte spoedbestuursdwang heeft toegepast. Appellant bestrijdt dat eerder bij besluit van 6 december 2012 een last onder bestuursdwang is opgelegd. Bij de controle op 22 november 2012 was er duidelijke vooruitgang bij de paarden vastgesteld. Er was voorts op 29 januari 2013 geen sprake van een zo spoedeisende situatie dat niet volstaan had kunnen worden met een voorafgaande aanzegging. Appellant betwist de bevindingen zoals deze in het toezichtrapport van de controle op 29 januari 2013 worden gepresenteerd; deze worden overdreven. De stallen waren alleen vanwege de vorst van de dagen er voor niet schoongemaakt. Dat was niet mogelijk, omdat de paarden vanwege de kou niet naar buiten konden. Appellant bestrijdt dat de stallen uitstekende delen hadden waar de paarden zich aan konden bezeren. Appellant bestrijdt eveneens dat de paarden in een slechte conditie verkeerden en dat hen de nodige zorg zou zijn onthouden. Verweerder heeft in het besluit niet voor alle 33 paarden verantwoord dat zij in een dermate slechte conditie waren dat ze moesten worden meegevoerd. Een toelichting per meegenomen paard ontbreekt. Ter zitting van 1 oktober 2015 heeft appellant er nog op gewezen dat in het proces-verbaal van meevoeren, dat hij bezit, staat vermeld dat de conditie van de paarden redelijk tot goed was. Dit proces-verbaal heeft appellant ter zitting van
15 oktober 2015 overgelegd. Volgens appellant wordt hiermee zijn stelling bevestigd dat de toestand van de paarden niet de toepassing van spoedbestuursdwang rechtvaardigde.

4.1

Het College overweegt hierover als volgt.

4.2

Het College stelt ten eerste vast dat het besluit van 6 december 2012, waarbij een last onder bestuursdwang aan appellant is opgelegd, aangetekend is verzonden aan appellant. Verweerder heeft een bewijs van ontvangst overgelegd, waaruit blijkt dat appellant op
8 december 2012 voor ontvangst van dit besluit heeft getekend. Het College gaat dus ervan uit dat verweerder op 6 december 2012 een last onder bestuursdwang heeft opgelegd en dat appellant bekend was met deze last.

4.2

Naar het oordeel van het College bestaat in hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerder niet mocht uitgaan van de juistheid van het toezichtrapport en de diergeneeskundige verklaring. In het toezichtrapport en de diergeneeskundige verklaring is aan de hand van concrete waarnemingen en foto’s van de paarden beschreven dat en waarom de paarden in een zeer slechte conditie verkeerden en meer in het bijzonder dat de paarden niet de beschikking hadden over voldoende voer, water en een droge en schone ligplaats, dat appellant heeft nagelaten de paarden goed te huisvesten en dat appellant heeft nagelaten de paarden (veterinair/medische) zorg te verlenen. Hetgeen appellant hiertegenover heeft gesteld, acht het College onvoldoende om aan de juistheid van het toezichtrapport en de diergeneeskundige verklaring te twijfelen. Meer in het bijzonder overweegt het College over het ter zitting van het College door appellant overgelegde proces-verbaal als volgt. Om te beginnen is het door appellant overgelegde proces-verbaal niet compleet (de tweede pagina ontbreekt) en heeft appellant geen eensluidende en geloofwaardige verklaring kunnen afleggen hoe hij dit proces-verbaal heeft gekregen. Na ermee te zijn geconfronteerd dat het stuk niet op 29 januari 2013 aan hem kan zijn uitgereikt, zoals appellant aanvankelijk desgevraagd heeft verklaard, omdat het op 30 januari 2013 is opgemaakt, heeft appellant verklaard het proces-verbaal per post te hebben ontvangen. Een envelop heeft hij niet echter niet kunnen overleggen. Het College heeft verder geconstateerd dat het door appellant overgelegde proces-verbaal juist op het punt waar de conditie van de paarden wordt weergegeven, afwijkt van het door verweerder bij het indienen van de stukken toegezonden proces-verbaal van meevoeren en opslaan, dat reeds deel uitmaakte van het dossier. De betreffende zin op het door appellant overgelegde proces-verbaal heeft echter een afwijkend lettertype, staat niet recht ten opzichte van de andere zinnen en eronder zijn vegen zichtbaar die, zoals de gemachtigde van appellant heeft erkend, lijken te zijn veroorzaakt door het kopiëren van een niet vlakke ondergrond. Het College ziet daarom reden te twijfelen aan de echtheid van het door appellant overgelegde proces-verbaal en gaat uit van het proces-verbaal dat door verweerder is toegezonden bij het indienen van de stukken. Daarin is – in lijn met de diergeneeskundige verklaring – geconstateerd dat de paarden sterk vermagerd waren.

4.3

Artikel 36, eerste lid, van de Gwwd bepaalt dat het verboden is om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen. Ingevolge artikel 37 van de Gwwd is het de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden. Op basis van de bevindingen in het toezichtrapport en de diergeneeskundige verklaring, zoals hiervoor weergegeven onder 1.7 en 1.8, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat appellant evenbedoelde bepalingen heeft overtreden, zodat verweerder bevoegd was om bestuursdwang toe te passen (artikel

106 Gwwd).

4.4

Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van handhavend optreden is naar het oordeel van het College geen sprake. Mede gelet op de in het toezichtrapport en de diergeneeskundige verklaring beschreven voorgeschiedenis van appellant, heeft verweerder mogen aannemen dat er geen zicht was op het nemen van herstelmaatregelen door appellant zelf en er dus ook geen zicht op verbetering van de situatie voor de paarden bij appellant bestond. Verweerder heeft dan ook met het oog op het niet langer voortduren van de overtredingen die de gezondheids- en welzijnssituatie van de paarden aantasten, kunnen oordelen dat de toepassing van de bestuursdwang vergde dat de paarden uit de bestaande huisvestingssituatie en uit het beheer van appellant werden gehaald, teneinde met het oog op verzorging elders te worden ondergebracht.

4.5

Gezien de slechte gezondheidstoestand van de 33 paarden op 29 januari 2013 bij appellant, heeft verweerder de situatie als spoedeisend kunnen aanmerken en heeft hij om die reden bestuursdwang kunnen toepassen zonder voorafgaande last (artikel 5:31 van de Awb).

4.6

Het beroep tegen het bestreden besluit is dus ongegrond.

5.1

Gelet op artikel 5:31c van de Awb neemt het College het kostenbesluit mee in de beoordeling van het beroep, nu appellant dit besluit heeft betwist.

5.2

Appellant heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang niet, dan wel niet geheel, op hem verhaald kunnen worden. In dat kader heeft hij gewezen op het volgende. In de eerste plaats zijn de gemaakte transportkosten en starttarief kosten buitenproportioneel hoog vanwege de keuze van verweerder om een transportbedrijf ver bij appellant uit de buurt de opdracht te geven de paarden te transporteren en bovendien niet te kiezen voor een opvanglocatie waar geen startgeld wordt gevraagd. In de tweede plaats is de tijdsduur van de opvang van de paarden niet verantwoord. Uit het kostenoverzicht van verweerder blijkt dat voor de opvang van de paarden kosten in rekening worden gebracht voor de periode 29 januari 2013 tot en met

2 november 2013. Uit een mailwisseling met verweerder blijkt echter dat de paarden op

22 april 2013 uit de opvang geplaatst zouden worden. Dat vervolgens voor een veel langere periode opvangkosten op appellant worden verhaald is niet deugdelijk onderbouwd. In de derde plaats zijn de dierenartskosten en de kosten van verzorging te hoog en zijn de facturen hieromtrent onduidelijk. Er is onvoldoende onderbouwd welke werkzaamheden precies zijn verricht en bij welk paard. De onduidelijkheid en onzorgvuldigheid waarmee verweerder aan appellant kosten in rekening brengt wordt onderstreept door facturen waaruit blijkt dat kosten voor het bekappen van pony’s in rekening worden gebracht, terwijl van appellant uitsluitend paarden en geen enkele pony is meegevoerd. In de vierde plaats heeft appellant bezwaar tegen de kosten voor agrarische bedrijfshulp. Deze zijn volgens hem dubbel in rekening gebracht. In de vijfde plaats is appellant van mening dat de taxatiekosten te hoog zijn, omdat de

33 paarden op één plek aanwezig waren en een dergelijke taxatie tegen aanmerkelijk lagere taxatiekosten mogelijk is. In de zesde plaats heeft appellant aangevoerd dat er geen kosten voor de afvoer van kadavers kunnen zijn gemaakt, omdat er 33 paarden zijn verkocht.

5.3

Voorts heeft appellant aangevoerd dat verweerder de opbrengst van de paarden ten onrechte niet heeft verantwoord. Nergens blijkt uit op welke wijze de waarde van de individuele paarden bij verkoop is vastgesteld en op welke wijze de paarden zijn verkocht. De opbrengst van € 18.745,- is veel te laag, zeker gelet op de afkomst van enkele paarden, ten bewijze waarvan appellant afstammingsgegevens heeft overgelegd. Hij schat de totale waarde van zijn paarden op € 88.100,-. Appellant is van mening dat afstammingsgegevens bij de verkoop door verweerder betrokken hadden moeten worden.

6.1

Wat betreft de hoogte van de met de bestuursdwang gemoeide kosten overweegt het College als volgt.

6.2

Wat betreft de transportkosten en het startgeld bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder die ten onrechte bij appellant in rekening heeft gebracht. Verweerder heeft aangegeven dat het aanwijzen van een transporteur in deze situaties geschiedt door middel van een aanbestedingsprocedure, waarbij wordt uitgegaan van een aantal regio’s. De transporteur in kwestie was ook op die manier aangewezen. Het College acht deze procedure niet onredelijk. Het startgeld van € 30,- per paard dat in rekening is gebracht komt overeen met het bedrag dat staat vermeld op de bij het primaire besluit gevoegde bijlage, waarin een indicatie wordt gegeven van de kosten bij in bewaring genomen paarden, en is naar het oordeel van het College niet onredelijk.

6.3

Wat betreft de opvangkosten inclusief de dierenartskosten heeft verweerder tijdens de zitting van 1 oktober 2015 erkend dat de kosten vanaf 10 mei 2013 ten onrechte bij appellant in rekening zijn gebracht, omdat uit het dossier niet blijkt waarom op 10 mei 2013 niet alle paarden zijn verkocht en een deel van de paarden in de opvang zou zijn gebleven. Dat de opvangkosten tot 10 mei 2013 wel voor rekening van appellant zouden moeten komen, zoals door verweerder ter zitting van 1 oktober 2015 bepleit, volgt het College niet. In dit verband is in de eerste plaats van belang dat appellant er onder verwijzing naar het e-mailbericht van verweerder van 22 april 2013 op heeft gewezen dat de paarden op 22 april 2013 uit de opvang zouden worden geplaatst en dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt wat voor inspanningen hij heeft verricht om tot verkoop van de paarden over te gaan, zodat niet kan worden vastgesteld of verweerder de opvangkosten na 22 april 2013 in redelijkheid bij appellant in rekening kon brengen. In de tweede plaats is van belang dat appellant terecht heeft opgemerkt dat de door verweerder overgelegde facturen voor de verzorging van de paarden onzorgvuldigheden bevatten die twijfel oproepen omtrent de juistheid ervan. Zo heeft verweerder desgevraagd erkend dat er kosten voor pony’s zijn opgevoerd die geen betrekking kunnen hebben op de paarden van appellant.

6.4

Wat betreft de kosten van de agrarische bedrijfsverzorging heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat deze het gevolg zijn van de toepassing van de spoedbestuursdwang, nu deze enkel ziet op het meevoeren en opslaan van 33 paarden.

6.5

Wat betreft de taxatiekosten bestaat in hetgeen appellant daarover heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat deze te hoog zijn vastgesteld.

6.6

Wat betreft de kosten in verband met het afvoeren van twee kadavers moet worden geoordeeld dat uit de gedingstukken (onder meer de afwikkelingsformulieren) genoegzaam valt af te leiden dat 31 paarden zijn verkocht en dat 2 paarden zijn afgevoerd, zodat verweerder de kosten daarvan bij appellant in rekening mocht brengen.

6.7

Hieruit volgt dat verweerder de hoogte van de met de bestuursdwang gemoeide kosten onvoldoende heeft verantwoord.

6.8

Wat betreft de opbrengst van de paarden moet eveneens worden geoordeeld dat verweerder die onvoldoende heeft verantwoord. Het College stelt vast dat verweerder over de taxatie en verkoop van de paarden twee stukken heeft overgelegd, te weten het taxatierapport en het afwikkelingsformulier I. Het taxatierapport dateert van drie dagen nadat de paarden waren meegevoerd en beschrijft de waarde van elk paard op dat moment, dat wil zeggen op het moment dat de meeste paarden nog in een (zeer) slechte conditie verkeren. De waarde van de paarden varieert blijkens het taxatierapport tussen € 150,- en € 625,- per paard en de totale geschatte waarde van de 33 paarden bedraagt € 12.950,-. Het afwikkelingsformulier vermeldt over de verkoop van de paarden slechts dat op 10 mei 2013 de opdracht tot verkoop van

31 paarden is uitgevoerd en dat de opbrengst van de paarden € 18.745,- is. Hoewel het taxatierapport de waarde per paard weergeeft, blijkt uit het afwikkelingsformulier I niet wat elk paard (bij benadering) uiteindelijk afzonderlijk bij de verkoop heeft opgebracht en aldus is onduidelijk of de paarden, mede gezien hun ten opzichte van het ten tijde van het taxatierapport verbeterde gezondheidstoestand en de door appellant gestelde goede afkomst van de paarden, voor een reële prijs zijn verkocht. Daar voegt het College wel aan toe dat appellant zijn stelling dat de paarden ruim € 80.000,- hadden moeten opleveren niet aannemelijk heeft weten te maken, nu een deugdelijke onderbouwing daarvoor ontbreekt.

6.9

Het beroep gericht tegen het kostenbesluit is dus gegrond. Het College zal dat besluit vernietigen omdat het niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid (artikel 3:2 van de Awb) en niet deugdelijk is gemotiveerd (artikel 3:46 van de Awb). Het College ziet geen aanleiding om de zaak zelf af te doen en volstaat met deze vernietiging, omdat – kort

gezegd – te veel onduidelijkheid bestaat over de bij appellant in rekening gebrachte kosten en de opbrengst van de paarden.

7. Het College ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1470,- (1 punt voor het beroepschrift en 2 punten voor het bijwonen van de zittingen, met een waarde per punt van € 490,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

Het College:

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;

  • -

    verklaart het beroep voor zover gericht tegen het kostenbesluit gegrond en vernietigt dit besluit;

  • -

    draagt verweerder op het voor het beroep betaalde griffierecht van € 160,- aan appellant te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1470,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, in aanwezigheid van
mr. A.G.J. van Ouwerkerk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
24 december 2015.

w.g. A. Venekamp w.g. A.G.J. van Ouwerkerk