Bij deze uitspraak is een persbericht uitgebracht.
201606811/2/V2.
Datum uitspraak: 20 oktober 2016
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 31 augustus 2016 in zaak nr. 16/17065 in het geding tussen:
[vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 31 juli 2016 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij uitspraak van 31 augustus 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Voorts heeft de staatssecretaris de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft, voor zover hier van belang, bij regeling van 10 februari 2016, nummer 732095, (Stcrt. 2016, 8083) Marokko aangewezen als veilig land van herkomst in de zin van artikel 3.37f, derde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. De rechtbank heeft bij uitspraak van 23 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:9971, deze regeling onverbindend verklaard, voor zover de staatssecretaris daarin Marokko als veilig land van herkomst heeft aangewezen. Daarom heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak het besluit van 31 juli 2016 vernietigd. De voorzieningenrechter van de Afdeling heeft bij uitspraak van 15 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2723, de uitspraak van de rechtbank van 23 augustus 2016 geschorst, omdat niet valt uit te sluiten dat laatstgenoemde uitspraak niet in stand zal blijven. Dat oordeel is ook van betekenis voor deze zaak.
Het voorliggende verzoek begrijpt de voorzieningenrechter aldus dat het geen verdere strekking heeft dan dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op het door hem ingestelde hoger beroep aan de aldus bestreden uitspraak geen gevolg hoeft te geven.
2. Gelet op hetgeen in het hogerberoepschrift is aangevoerd, valt niet uit te sluiten dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Gelet hierop en nu de schriftelijke uiteenzetting van de vreemdeling geen blijk geeft van bijzondere belangen die er thans toe nopen dat aan de aangevallen uitspraak gevolg wordt gegeven voordat op het hoger beroep is beslist, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de na te melden voorlopige voorziening te treffen.
3. Het verzoek dient als kennelijk gegrond te worden toegewezen.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie geen nieuw besluit op de aanvraag hoeft te nemen voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Bosma, griffier.
w.g. Parkins-de Vin w.g. Bosma
voorzieningenrechter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2016
572-691.