Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBZWB:2022:7033

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
24-11-2022
16-12-2022
BRE 21/4024, 21/4025 en 21/4330
Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig

aanslagen IB/PVV, ZVW en OB. De termijnoverschrijding in bezwaar is niet verschoonbaar. artikel 9.6 beslissingen IB/PVV en Zvw, prorogatie, omkering en verzwaring van de bewijslast. Geen sprake van een onredelijke schatting, niet in tegenbewijs geslaagd

Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2022/3139
V-N 2023/9.26.12
Viditax (FutD) 2022121906
FutD 2023-0026

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Belastingrecht

zaaknummers: BRE 21/4024, 21/4025 en 21/4330


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2022 in de zaak tussen


[belanghebbende] , uit [woonplaats] ,

belanghebbende,

(gemachtigde: mr. G. Kaya),

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Inleiding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2015 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd (hierna: de aanslag IB/PVV en de aanslag Zvw). Gelijktijdig met het opleggen van die aanslagen heeft de inspecteur belastingrente bij belanghebbende in rekening gebracht, en bij de aanslag IB/PVV een vergrijpboete opgelegd.

1.2.

Verder heeft de inspecteur aan belanghebbende een naheffingsaanslag omzetbelasting over het tijdvak 1 november 2015 tot en met 31 december 2015 opgelegd (hierna: de naheffingsaanslag OB), waarbij eveneens een vergrijpboete is opgelegd en belastingrente in rekening is gebracht.

1.3.

De bezwaren van belanghebbende tegen de voornoemde belastingaanslagen en bijbehorende beschikkingen heeft de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

1.4.

De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende ook behandeld als verzoeken om ambtshalve vermindering van die belastingaanslagen en beschikkingen. De inspecteur heeft die verzoeken afgewezen.

1.5.

Belanghebbende heeft beroep ingesteld tegen de beslissingen van de inspecteur als bedoeld in 1.3. De rechtbank heeft die beroepen geregistreerd onder de zaaknummers BRE 21/4024 (aanslag IB/PVV), BRE 21/4025 (aanslag Zvw) en BRE 21/4330 (naheffingsaanslag OB).

1.6.

De inspecteur heeft vervolgens een verweerschrift ingediend. Op verzoek van de rechtbank heeft de inspecteur zijn verweerschrift aangevuld met een inhoudelijk verweer aangaande de belastingaanslagen. De inspecteur heeft ten aanzien van één van de bijlagen bij die aanvulling een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan. Belanghebbende is, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk akkoord gegaan met het verzoek tot geheimhouding. Vervolgens heeft de inspecteur het verzoek tot geheimhouding ingetrokken, en heeft de rechtbank de betreffende bijlage, zonder daarvan kennis te hebben genomen, aan de inspecteur teruggezonden.

1.7.

Partijen hebben verder beiden ingestemd met het overslaan van de bezwaarfase ten aanzien van de beslissingen op de verzoeken tot ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV en de aanslag Zvw (zie 1.4). De rechtbank heeft het beroepschrift van belanghebbende daarom mede aangemerkt als beroepschrift tegen die afwijzende beslissingen in de zin van artikel 9.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001), en die beroepen behandeld met toepassing van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) (prorogatie).

1.8.

De rechtbank heeft alle voornoemde beroepen op 10 november 2022 gezamenlijk op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van belanghebbende, vergezeld door haar kantoorgenoot mr. M.F.P. de Clercq, en namens de inspecteur [inspecteur 1] , [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] en [inspecteur 5] .

2 Feiten

2.1.

In het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel staat vermeld dat belanghebbende in de periode [periode februari tot november 2015] vennoot is van de vennootschap onder firma “ [VOF] ” (hierna: de onderneming). De andere vennoot van de onderneming is volgens het uittreksel de heer [de andere vennoot] (hierna: de andere vennoot).

2.2.

De activiteiten van de onderneming bestaan - volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel - uit de handel in, en reparatie en verhuur van personenauto’s en lichte bedrijfsauto’s.

2.3.

Belanghebbende heeft de onderneming vanaf [datum] 2015 tot [datum] 2016, onder dezelfde handelsnaam, voortgezet als eenmanszaak.

2.4.

Belanghebbende stond in de [periode oktober 2017 - mei 2020] in de basisregistratie personen (Brp) ingeschreven op het adres [adres] (Australië). In de periode daarvoor en daarna stond belanghebbende ingeschreven op een in Nederland gelegen adres.

2.5.

In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2015 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning aangegeven van € 31.614 negatief. In de aangifte heeft hij onder meer ter berekening van de winst uit onderneming een bedrag van € 179.450 aangegeven als privéstortingen en € 135.049 als eindvermogen in 2015. De fiscale winst bedroeg volgens de aangifte € 44.401 negatief. Verder heeft belanghebbende in zijn aangifte de zelfstandigenaftrek, startersaftrek en MKB-winstvrijstelling toegepast.

2.6.

De inspecteur heeft vervolgens een bezoek gebracht aan de onderneming van belanghebbende. Van dat bezoek heeft de inspecteur een rapport opgemaakt, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

1.1 Reikwijdte van het bezoek

Op donderdag 14 juli 2016 omstreeks 14:00 uur is door de Belastingdienst een waarneming ter plaatse (WTP) ingesteld bij de onderneming [VOF] .

Het doel van het bezoek was:

  • -

    het waarnemen van de actuele bedrijfsactiviteiten;

  • -

    het vaststellen van de identiteit en het aantal in de onderneming in loondienst werkzame personen.

[…]

3.2

Administratieplicht

[…]

Uit het gesprek met de heer [belanghebbende] is gebleken dat geen kasboek wordt bijgehouden. Op de bedrijfslocatie kon geen inzage worden gegeven in de afgesloten verhuurcontracten.

Over de opgemaakte administratie kan niet beoordeeld worden of deze voldoet aan de eisen die de Belastingdienst stelt aan het voeren van een administratie.

Na afloop van een kwartaal wordt de administratie ingeleverd bij de boekhouder om te verwerken in de financiële administratie.

[…]

5.1.

Lening zakelijke doeleinden

Door de heer [belanghebbende] is een lening afgesloten van € 120.000,00 in privé voor zakelijke doeleinden. Het geld van de lening is afkomstig uit Marokko.

Verzocht aan de ondernemer om uiterlijk 2 weken na dagtekening van dit rapport een compleet overzicht te verstekken van alle afgesloten leningen (inclusief onderhandse leningen) met daarbij:

o Volledige naam, adres woonplaatsgegevens van de geldgever,

o Gestelde zekerheden,

o Het gehanteerde rentepercentage,

o De looptijd van de geldlening,

o Een aflossingsschema.

o Het oorspronkelijke bedrag en huidig openstaand bedrag

o De wijze van ontvangst van het lening bedrag; per bank of contant en in geval van contante ontvangst, de locatie waar het geld in ontvangst is genomen.

o De wijze van aflossingen van het lening bedrag; terugbetalen, per bank of contant en in geval van contante aflossing, de locatie waar het geld werd overhandigd.

5.2

Zelf analyse onderneming

Volgens de heer [belanghebbende] loopt de onderneming goed. Er is veel aanbod van reparatiewerk en in de zomertijd trekt de verhuur aan. Recent zijn er auto's ingevoerd om voor de verhuur ingezet te worden. Een negatief punt zijn de vele schades, die met de huurauto's worden gereden. Dit heeft geeffectueerd in een ingesteld onderzoek door de verzekeringsmaatschappij.

[…]

5.8

Kassaldo

De heer [belanghebbende] verklaarde naar aanleiding van de gesteld vraag of hij een kasboek bijhield, dat als het goed is, hij dit moest hebben. De heer [belanghebbende] ziet het nut waarom hij een kasboek zou moeten hebben niet. Volgens hem is het voldoende om de facturen te hebben. Het overtollig kasgeld wordt boven een slado van € 5.000,00 a € 7.000,00 afgestort op de bankrekening. De bankrekening moet een positief saldo hebben op het moment er automatische incasso's worden afgeschreven. De heer [belanghebbende] heeft de voorkeur aan contant geld, dan geld op een bankrekening.

Het kassaldo bedraagt gewoonlijk rond de € 5.000 tot € 7.000.

Kascontrole wordt uitgevoerd door de boekhouder nadat het saldo van het aanwezige kasgeld is doorgegeven. Volgens verklaring van de heer [belanghebbende] zijn er geen verschillen met het saldo, aanwezig volgens de boekhouder en wat daadwerkelijk in kas zit.

[…]”

2.7.

Vervolgens heeft de inspecteur op 2 juli 2017 een boekenonderzoek aangekondigd. In dat onderzoek heeft de inspecteur de aanvaardbaarheid onderzocht van de aangiften IB/PVV, Zvw en omzetbelasting over het jaar 2015. In het kader van dat onderzoek heeft de inspecteur meermaals aan belanghebbende verzocht om informatie aan te leveren. Wegens het niet (volledig) verstrekken van informatie en het niet voldoen aan administratieve verplichtingen, heeft de inspecteur informatiebeschikkingen aan belanghebbende uitgereikt. Belanghebbende heeft geen rechtsmiddelen tegen de informatiebeschikkingen ingesteld.

2.8.

Vervolgens heeft de inspecteur het boekenonderzoek afgerond en met dagtekening 21 maart 2018 het definitieve rapport van dat onderzoek aan belanghebbende verstrekt. In het rapport van het onderzoek is, onder meer, vermeld:

“2.3.1 Administratieve verplichtingen

Belastingplichtige voldoet niet aan de administratieve verplichtingen van artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Er zijn de volgende gebreken gecontateerd in de administratie:

o Er is geen kasadministratie terwijl vrijwel alle mutaties (zowel omzet als kosten) per kas plaatsvinden;

o Er is in 2015 sprake van een privé storting van € 179.450. Een deel hiervan (€ 120.000) wordt door betrokkende verklaard met geldleningen vanuit Marokko;

o Met betrekking tot de leningen vanuit Marokko zijn vragen gesteld waarop onvoldoende antwoord is gekomen. Hierdoor is het niet mogelijk de herkomst van deze gelden ter verifiëren;

o Bij veel verhuurovereenkomsten ontbreekt een (doorlopende) nummering. Hierdoor is de volledigheid van deze omzet niet te controleren;

o Tijdens de waarneming ter plaatse op 14 juli 2016 waren 8 van de 15 huurwagens niet op het bedrijfsadres aanwezig. De heer [belanghebbende] kon niet vertellen waar overige auto’s zich op dat moment bevonden. Hiervan was geen registratie aanwezig.

[…]

3.1.1

Ondernemingsvermogen 31 december 2015

Het ondernemingsvermogen aan het eind van 2015 bedraagt : € 135.049

Dit is als volgt opgebouwd

Privé stortingen : € 179.450

Verlies uit onderneming : -/- € 44.401

De heer [belanghebbende] verklaart dat € 120.000 van deze privé stortingen, in de vorm

van 4 leningen, afkomstig zijn uit Marokko. Onduidelijk is waar de overige € 59.450

vandaan komt.

[…]

4.1

Omzetverantwoording

De heer [belanghebbende] stort € 179.450 in de onderneming. Een deel hiervan (€ 120.000) wordt door hem verklaard middels geldleningen vanuit Marokko. Met betrekking tot deze geldleningen zijn vier leenovereenkomsten overlegd met daarop de naam en geboortedatum van de geldverstrekker. Om de herkomst van de onderneming gestorte gelden te kunnen beoordelen, heb ik belastingplichtige op 11 augustus 2017 verzocht om aanvullende informatie. Dit schriftelijk verzoek is door ondergetekende uitgereikt aan de heer [belanghebbende] .

In dit schriftelijke verzoek om informatie is de volgende informatie gevraagd:

Een compleet overzicht van alle afgesloten leningen (inclusief onderhandse leningen) met daarbij:

- met betrekking tot de leningen vanuit Marokko

• volledige naam, adres en woonplaatsgegevens van de geldgevers;

• gestelde zekerheden;

• het gehanteerde rentepercentage;

• de looptijd van de geldlening;

• een aflossingsschema;

• het oorspronkelijke bedrag en huidig openstaand bedrag;

• de wijze van ontvangst van het lening bedrag; per bank of contant en in geval van contante ontvangst, de locatie waar het geld in ontvangst is genomen;

• de wijze van aflossingen van het lening bedrag; terugbetalen, per bank of contant en in geval van contante aflossing, de locatie waar het geld werd overhandigd

- waar komen de overige in de onderneming gestorte gelden vandaan?

- zijn er naast de vier leenovereenkomsten genoemde personen nog meer geldverstrekkers geweest?

Zo ja, dan de exacte naam, adres en woonplaatsgegevens.

Deze gegevens zijn nodig om, eventueel middels een verzoek om rechtsbijstand in Marokko, na te gaan of zij voldoende geldmiddelen ter beschikking hadden, om een lening te kunnen verstrekken.

- wat werd met welke verstrekkers van de leningen afgesproken over rente en terugbetalingen? Hebben intussen rentebetalingen of terugbetalingen plaatsgevonden.

- een overzicht van de gelden die zijn ontvangen van alle partijen die aan u in de periode 2015 geld hebben uitgeleend of overigens ter beschikking stelden. Met vermelding van de data waarop de leningen zijn ontvangen en hoogte van de bedragen die per keer werden ontvangen.

- wie heeft de grote geldbedragen vanuit Marokko in Nederland ingevoerd?

- is er aangifte gedaan bij de douane voor de invoer van de grote geldbedragen vanuit Marokko en zo ja, waar en op welke data? Indien u deze gegevens niet (of gedeeltelijk niet) fysiek heeft vastgelegd, dan verzoek ik u om deze gegevens te reproduceren en die gegevens vervolgens aan mij over te leggen.

- waar werden de ontvangen gelden door u in ontvangst genomen?

- als u zelf de geldbedragen vanuit Marokko naar Nederland heeft gebracht verzoek ik u om inzage in uw paspoort(en) waaruit blijkt dat u in Marokko bent geweest.

Tevens verzoek ik u vliegtickets en aankoopbewijzen van vliegtickets en overige bewijsstukken hieromtrent over te leggen waaruit blijkt dat u in Marokko bent geweest.

De gevraagde informatie en bescheiden met betrekking tot de leningen vanuit Marokko en de overige gelden heeft de heer [belanghebbende] niet overlegd.

Wel heeft hij verklaard dat hij de gelden vanuit Marokko in Nederland contant heeft ontvangen van een voor hem onbekend persoon.

Op 5 oktober 2017 heb ik, samen met collega [collega] , belastingplichtige een informatiebeschikking wegens niet (volledig) verstrekken van informatie uitgereikt. Een afschrift hiervan heb ik aan het controledossier gevoegd.

Negatief netto privé

Naast het feit dat niet duidelijk is waar de in de onderneming gestorte gelden vandaan komen, is er ook sprake van een negatief netto privécijfer. Onduidelijk is waar de heer [belanghebbende] in 2015 van heeft geleefd. Hierbij valt te denken aan de kosten in verband met de huur van het woonhuis (ongeveer € 550 per maand), energiekosten, eten en drinken. Voor deze kosten van levensonderhoud neem ik voor het jaar 2015 een bedrag van € 1.000 per maand in aanmerking.

Totaal voor 2015 : € 12.000

De stortingen in de onderneming + deze privé bestedingen bedragen totaal € 191.500. De herkomst van deze gelden is met de aanwezige informatie en bescheiden niet te achterhalen. Ik stel daarom dat er sprake is van verzwegen ontvangsten.

De winstcorrectie bedraagt: € 158.264

De omzetbelastingcorrectie bedraagt: € 33.236

[…]

6.1.1

Inkomen uit werk en woning (box 1)

2015

Aangegeven inkomen uit werk en woning (box 1)

-/-€ 31.614

Correctie omzet (punt 4.1)

€ 158.264

Correctie boetes (punt 4.2)

€ 4.819

Correctie MKB-winstvrijstelling (punt 4.3)

-/- € 22.831

Gecorrigeerd belastbaar inkomen uit werk en woning

€ 108.638

[…]”

2.9.

De inspecteur heeft vervolgens aan belanghebbende met dagtekening 29 juni 2018 de aanslag IB/PVV opgelegd. De inspecteur heeft het belastbaar inkomen uit werk en woning, overeenkomstig de aankondiging in het rapport van het boekenonderzoek, vastgesteld op € 108.636.

2.10.

De inspecteur heeft bij de aanslag IB/PVV een vergrijpboete van € 23.101 opgelegd en € 4.063 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.11.

De aanslag Zvw is door de inspecteur met dagtekening 29 juni 2018 opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 37.352. Bij die aanslag heeft de inspecteur € 152 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.12.

De inspecteur heeft door middel van de naheffingsaanslag OB over het vierde kwartaal van 2015 met dagtekening 29 mei 2018 € 33.236 aan omzetbelasting nageheven. Bij die naheffingsaanslag heeft de inspecteur een vergrijpboete van € 16.618 opgelegd en € 3.257 aan belastingrente in rekening gebracht.

2.13.

De inspecteur heeft alle voornoemde belastingaanslagen verzonden naar het adres van belanghebbende in Australië zoals in de Brp vermeld (zie 2.4).

2.14.

Op 29 september 2020 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV en de naheffingsaanslag OB. Met dagtekening 29 oktober 2020 heeft belanghebbende ook bezwaar gemaakt tegen de aanslag Zvw.

3 Beoordeling door de rechtbank

3.1.

Tussen partijen is allereerst in geschil of de inspecteur de bezwaren van belanghebbende tegen de aan hem opgelegde aanslag IB/PVV, aanslag Zvw en naheffingsaanslag OB terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

3.2.

Indien die vraag ontkennend moet worden beantwoord, is in geschil of de inspecteur de aanslag IB/PVV, aanslag Zvw en naheffingsaanslag OB terecht en niet tot te hoge bedragen heeft opgelegd. Niet in geschil is dat de daarbij opgelegde boetes dienen te worden vernietigd.

3.3.

Indien de rechtbank van oordeel is dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, komt de rechtbank (uitsluitend) toe aan de beoordeling van de vraag of de inspecteur de aanslag IB/PVV en de aanslag Zvw ambtshalve had moeten verminderen. Ook in dat geval is niet in geschil dat de bij de aanslag IB/PVV opgelegde boete dient te worden vernietigd.

Niet-ontvankelijkverklaring van de bezwaren

3.4.

Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien deze is ontvangen binnen de wettelijke termijn van zes weken na dagtekening dan wel bekendmaking van de bestreden beslissing door de inspecteur. Deze termijn is dwingend, wat betekent dat bij een termijnoverschrijding een niet-ontvankelijkverklaring moet volgen tenzij “redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaarschrift in verzuim is geweest”, oftewel indien de termijnoverschrijding ‘verschoonbaar’ is.1

3.5.

Vaststaat dat belanghebbende niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de belastingaanslagen. Belanghebbende stelt zich echter op het standpunt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daartoe voert hij enerzijds aan dat hij ten tijde van het opleggen van de belastingaanslagen veel aan het reizen was en daarom de aanslagen die zijn verstuurd per post niet heeft ontvangen. Anderzijds stelt belanghebbende dat hij dacht dat de belastingaanslagen (ook) naar zijn adviseur zouden worden gestuurd als deze retour zouden komen bij niet-ontvangst in Australië, zodat de adviseur hem daarover dan tijdig telefonisch of digitaal had kunnen informeren. Nu dat niet is gebeurd, kan de termijnoverschrijding hem ook om deze reden niet worden tegengeworpen, aldus belanghebbende.

3.6.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een verschoonbare termijnoverschrijding in dit geval geen sprake. De inspecteur heeft de belastingaanslagen op de juiste wijze bekend gemaakt door deze te verzenden aan het adres in Australië dat door belanghebbende zelf is doorgegeven. Als belanghebbende besluit te gaan reizen, ligt het op zijn weg om maatregelen te treffen die voorkomen dat hij belastingaanslagen niet (tijdig) ontvangt en waardoor de bezwaartermijn verstrijkt zonder dat, indien gewenst, tijdig een bezwaarschrift is ingediend. De gevolgen van de keuze van belanghebbende om tijdens zijn verblijf in het buitenland een adres in Australië door te geven en geen maatregelen te nemen voor de verzorging van de post, dienen daarom voor rekening en risico van belanghebbende te blijven.

Ook de stelling van belanghebbende dat hij dacht dat als de belastingaanslagen retour zouden komen, deze wel door de Belastingdienst naar zijn adviseur gestuurd zouden worden, brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. De inspecteur heeft namelijk onbetwist gesteld dat de belastingaanslagen aan het door belanghebbende opgegeven adres zijn toegezonden, en deze niet onbestelbaar retour bij de inspecteur zijn teruggekomen. Voor de inspecteur bestond geen aanleiding om de aanslagen nog op andere wijze aan belanghebbende bekend te maken. Op de inspecteur rustte daarom in dit geval niet de verplichting om de belastingaanslagen tevens aan de adviseur toe te zenden.

3.7.

Voorgaande leidt er toe dat de inspecteur de bezwaren tegen de aanslagen IB/PVV, Zvw en naheffingsaanslag OB, terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank verklaart de beroepen daarom in zoverre ongegrond.

Beslissingen op de verzoeken tot ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV en Zvw

3.8.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de inspecteur de aanslag IB/PVV en de aanslag Zvw ambtshalve had moeten verminderen. In dat kader is uitsluitend de in de aanslagen door de inspecteur doorgevoerde correctie van € 158.264 als winst uit onderneming tussen partijen in geschil.

3.9.

Partijen zijn het er over eens dat voor de beoordeling van voornoemde correctie sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast omdat aan belanghebbende informatiebeschikkingen zijn uitgereikt, die onherroepelijk zijn komen vast te staan. Dat komt de rechtbank juist voor. Daarbij overweegt de rechtbank dat het feit dat de aanslagen worden beoordeeld in het kader van de verzoeken als bedoeld in artikel 9.6 van de Wet IB 2001, niet aan toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast in de weg staat.2

3.10.

Nu sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, moet de rechtbank beoordelen (i) of sprake is van een redelijke − niet willekeurige − schatting door de inspecteur, en, zo ja, (ii) of belanghebbende heeft doen blijken dat en in hoeverre de aanslagen onjuist zijn.

3.11.

De inspecteur heeft in de aanslagen € 12.000 aan verzwegen ontvangsten uit de onderneming als schatting in aanmerking genomen, omdat voor hem onduidelijk is gebleven met welke gelden belanghebbende in zijn levensonderhoud in het jaar 2015 heeft voorzien. Dit komt neer op € 1.000 per maand. De inspecteur heeft dat bedrag, verminderd met omzetbelasting, aangemerkt als winst uit onderneming. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat deze schatting hem redelijk voorkomt, en de schatting van de inspecteur in zoverre niet onredelijk of willekeurig is.

De inspecteur heeft verder een bedrag van € 179.450, verminderd met omzetbelasting, in de aanslagen bijgeteld als winst uit onderneming. De inspecteur heeft zich voor die schatting gebaseerd op een door belanghebbende zelf in zijn aangifte aangegeven privéstorting van dat bedrag in de onderneming. Gelet op het feit dat belanghebbende zijn gelden kennelijk contant hield, maar geen kasadministratie heeft bijgehouden, is het niet onredelijk dat de inspecteur zich baseert op een bedrag uit de door belanghebbende zelf ingediende aangifte. Er zijn ook geen aanknopingspunten dat belanghebbende dit bedrag niet voorhanden zou hebben gehad. Gelet op de summiere verklaring die belanghebbende ten aanzien van de herkomst van die storting heeft gegeven, en de inspecteur op nagenoeg geen van zijn herhaaldelijk gestelde vragen over die storting antwoorden heeft gekregen, acht de rechtbank het ook niet onredelijk of willekeurig dat de inspecteur ervan is uitgegaan dat dit bedrag verzwegen ontvangsten betreft en hij dit bedrag als winst uit onderneming in aanmerking heeft genomen.

Dat die storting geheel aan belanghebbende is toegerekend, en niet ook deels aan de andere vennoot, acht de rechtbank tot slot ook niet willekeurig. De andere vennoot heeft namelijk verklaard dat hij niets met de onderneming te maken heeft gehad, welke verklaring in lijn is met (i) de aangifte van belanghebbende, waarin belanghebbende het volledige resultaat van de onderneming aan zichzelf heeft toebedeeld en (ii) de aangifte van de andere vennoot die de onderneming in zijn geheel niet in zijn aangifte heeft benoemd. Verder heeft belanghebbende ook op dit punt geen duidelijkheid gegeven.

De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden het niet onredelijk is om de gestelde storting als winst uit onderneming bij belanghebbende in aanmerking te nemen. Aldus heeft de inspecteur de inkomsten van belanghebbende niet gebaseerd op een onredelijke schatting.

3.12.

Vervolgens rust de last op belanghebbende om te doen blijken dat de aanslagen onjuist zijn. Belanghebbende heeft daartoe aangevoerd dat slechts € 110.233 van de storting aan hem kan worden toegerekend. Volgens hem is dat geen winst uit onderneming, maar een lening van familieleden van 1.200.000 dirham, wat omgerekend € 110.223 vertegenwoordigt. De rechtbank overweegt dat belanghebbende weliswaar een viertal certificaten heeft overgelegd waarin staat dat op 7 april 2015 een geldlening van 300.000 dirham per certificaat aan belanghebbende is verstrekt, maar die certificaten alleen zijn, zonder nadere toelichting over hoe die leningen tot inbreng van liquide middelen in de onderneming hebben geleid, onvoldoende voor de conclusie dat overtuigend is aangetoond dat deze bedragen voor de onderneming zijn aangewend.

Belanghebbende voert verder aan dat het resterende deel van de storting in de onderneming de inbreng betreft van de andere vennoot, zodat ook dat deel onterecht bij hem als winst in onderneming in aanmerking is genomen. De rechtbank is van oordeel dat die stelling van belanghebbende niet slaagt, reeds omdat hij zijn stelling op dit punt niet onderbouwd heeft met stukken. Tot slot heeft belanghebbende met zijn enkele stelling daarover, niet aangetoond dat de onderneming meer kosten heeft gehad, dan waar de inspecteur reeds in de aanslagen rekening mee heeft gehouden. Met wat belanghebbende heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank daarom niet doen blijken dat de aanslagen op te hoge bedragen zijn vastgesteld.

3.13.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de aanslag IB/PVV en de aanslag Zvw niet tot te hoge bedragen zijn opgelegd door de inspecteur en dat de inspecteur de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen terecht heeft afgewezen. De beroepen zijn in zoverre dus ongegrond. Dat geldt ook voor zover de beroepen betrekking hebben op de belastingrente, waartegen geen afzonderlijke gronden zijn aangevoerd.

Vergrijpboete bij de aanslag IB/PVV

3.14.

De inspecteur heeft het standpunt ingenomen dat de vergrijpboete die is opgelegd bij de aanslag IB/PVV moet worden vernietigd (zie 3.3). De rechtbank beslist dienovereenkomstig.

4 Conclusie en gevolgen

4.1.

Het beroep is gegrond voor zover het de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de bij de aanslag IB/PVV opgelegde vergrijpboete betreft. Voor het overige zijn de beroepen ongegrond.

4.2.

Omdat de vergrijpboete die is opgelegd bij de aanslag IB/PVV 2015 moet worden vernietigd, moet de inspecteur het griffierecht voor dat beroep aan belanghebbende vergoeden en ook krijgt belanghebbende een vergoeding van zijn proceskosten. De inspecteur moet deze vergoeding betalen.

4.3.

De vergoeding voor proceskosten is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt belanghebbende een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 759. Belanghebbende heeft in beroep gevraagd om vergoeding van de proceskosten. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. Uitgaande van een wegingsfactor 1 bedraagt de vergoeding dan in totaal € 1.518. Belanghebbende heeft geen recht op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase, omdat de vergrijpboete is beoordeeld in het kader van het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV, en ten aanzien daarvan de bezwaarfase is overgeslagen (zie 1.7).

5 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de bij de aanslag IB/PVV opgelegde vergrijpboete gegrond;

  • -

    vernietigt die beslissing;

  • -

    vernietigt de vergrijpboete opgelegd bij de aanslag IB/PVV;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    bepaalt dat de inspecteur het griffierecht van € 49 aan belanghebbende moet vergoeden;

  • -

    veroordeelt de inspecteur tot betaling van € 1.518 aan proceskosten aan belanghebbende.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.J. Willems-Ruesink, rechter, in aanwezigheid van mr. S.A.C. Deeleman, griffier, op 24 november 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier De rechter

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid, en artikel 28, zevende lid, AWR).

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 6:11 van de Awb.

2 Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 23 maart 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:933.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.