Belanghebbende heeft een door [arbeidskracht] afgelegde verklaring overgelegd met datum 16 november 2021. Daarin verklaart [arbeidskracht] :
“Sinds 2006 werkte ik in Nederland.
Aanvankelijk werkte ik onder een Nederlandse (ZZP) en daarna onder een Pools bedrijf
(eenmanszaak).
Nederlandse bedrijven zijn voor ons [voor mij en andere onderaannemers] opgericht door
[heer Z] . [heer Z] bemiddelde bij alle formaliteiten bij de KvK en de Belastingdienst in Nederland.
Eerst betaalde [heer Z] me contant, daarna maakte hij het geld over naar onze Poolse rekeningen. Ik heb nooit een Nederlandse bankrekening gehad.
De overboekingen zijn gedaan vanaf verschillende Nederlandse rekeningen - o.a. van
[belanghebbende] , [naam] .
[heer Z] stuurde text-berichten met werkinstructies, zoals waar te gaan, op welke opdrachten.
Op de bouwplaats heeft [heer Z] aangegeven welke werkzaamheden er moeten
gebeuren.
[belanghebbende] heeft vele malen met mij in Nederland gewerkt. We reisden vaak samen en logeerden
samen op bouwplaatsen.
[belanghebbende] werkte voornamelijk met ons [andere onderaannemers], wij voerden hetzelfde werk
uit.
Toen ik een Nederlands bedrijf had, kwam ik niet in aanraking met mijn administratie. Net
zoals [heer Z] mijn zaak registreerde, voerde hij waarschijnlijk de hele administratie, Ik heb in ieder geval nooit facturen uitgeschreven.
Toen ik een Pools bedrijf opende, instrueerde [heer Z] op welke factuur ik moest opmaken
en aan wie. Er waren geen dergelijke instructies van [belanghebbende] .
In het begin, toen ik een Nederlands bedrijf had, gebruikten ik en andere onderaannemers
van [heer Z] , auto’s met Nederlands kenteken. Ik weet niet op wie deze auto’s
geregistreerd waren, maar zeker niet op [belanghebbende] . [heer Z] stelde mij deze auto’s ter
beschikking (hij overhandigde de sleutels en vertelde waar ik heen moest). Later had ik mijn
eigen auto voor mijn Poolse bedrijf.
Noch ik, noch [belanghebbende] hebben met de opdrachtgevers gesproken. [heer Z] gaf instructies
over de uitvoering van het werk.
Bij de start van elke opdracht was [heer Z] samen met de opdrachtgever aanwezig.
Vervolgens gaf [heer Z] instructies wat te doen. Tijdens het werk kwam hij soms langs om
aan te geven wat er verbeterd of veranderd moest worden.
Aanvankelijk hadden we alle gereedschappen van [heer Z] . Later hadden sommigen van
ons hun eigen gereedschap, toen we ons Poolse bedrijf oprichtten. Maar toch gebruikte
ongeveer de helft van de onderaannemers gereedschappen van [heer Z] .
De administratie (documenten) werd naar het huis van [heer Z] gebracht. [heer Z] deed
de facturatie zelf, Nederlandse facturen heb ik nooit met eigen ogen gezien.
Vertrek voor opdrachten, retours en eerdere oproepingen dan afgesproken zijn door
[heer Z] bepaald.
Meestal waren het eerdere oproepingen om te werken, minder vaak zei hij dat het mogelijk is
om eerder te eindigen.
Vanuit mijn perspectief was [heer Z] de baas. De dingen die ik van [heer Z] hoorde, heb
ik nooit van [belanghebbende] gehoord.
(…)
De brieven van de Belastingdienst, de blauwe enveloppen, zijn aan [heer Z] gegeven en ik
weet niet wat hij ermee deed. Ik kende hun inhoud niet. [heer Z] heeft mij niet op de
hoogte gesteld van de inhoud van deze brieven. De laatste brief die kwam was waarschijnlijk
de informatie over de beëindigde procedure, het was ongeveer een halfjaar geleden, mijn
dochter vertaalde de inhoud via Google Translate. Deze laatste brief heb ik niet aan
[heer Z] geven omdat ik niet meer met hem samenwerkte. Ik heb deze brief niet bewaard.
Ik weet niet precies op welk adres mijn Nederlandse bedrijf stond ingeschreven, maar het
was waarschijnlijk het eerste adres van [heer Z] of zijn moeder. [heer Z] heeft dit adres
aan mij en anderen ter beschikking gesteld. Wij [de onderaannemers] waren niet echt op dat
adres aanwezig, we woonden er niet en bewaarden onze documenten daar niet. Van daaruit
hebben we [heer Z] ’s gereedschappen voor het werk opgehaald. We hadden geen vaste
woonplaats, we woonden op bouwplaatsen.
(…)
Ongeveer 4 jaar geleden merkte [heer Z] , in het bijzijn van mij en andere mensen, tijdens
een van de gesprekken op dat [belanghebbende] niet alles hoeft te weten wat [heer Z] doet, want als
er iets misgaat, dan “is [belanghebbende] zijn lanbouwgrond ontereikend” [d.w.z. als gevolg daarvan
zou [belanghebbende] zijn boerderij kunnen verliezen].”.