Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBZWB:2022:405

Rechtbank Zeeland-West-Brabant
31-01-2022
11-03-2022
19/4118 t/m 19/1347
Belastingrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Voor deze uitspraak is geen samenvatting gemaakt.

Rechtspraak.nl
Viditax (FutD) 2022031408
FutD 2022-0866

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummers BRE 19/4118 tot en met 19/4135

uitspraak van 31 januari 2022

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] , wonend in [woonplaats] (Polen),

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft aan belanghebbende de hierna vermelde naheffingsaanslagen loonheffingen (hierna: de naheffingsaanslagen) opgelegd. Gelijktijdig zijn beschikkingen gegeven waarbij boeten zijn opgelegd of rente in rekening is gebracht tot de hierna vermelde bedragen:

Aanslagnummer

Periode

Dagtekening

Belasting

Rente

Boete

[aanslagnummer] A.0113010

januari 2013

6 juni 2018

€ 59.607

€ 10.434

€ 14.901

[aanslagnummer] A.0114010

januari 2014

25 mei 2018

€ 22.703

€ 3.122

€ 5.675

[aanslagnummer] A.0115010

januari 2015

30 mei 2018

€ 50.737

€ 4.977

€ 12.684

[aanslagnummer] A.0113020

februari 2013

19 juni 2018

€ 30.000

€ 5.335

€ 7.500

[aanslagnummer] A.0114020

februari 2014

19 juni 2018

€ 23.859

€ 3.348

€ 5.964

[aanslagnummer] A.0115020

februari 2015

19 juni 2018

€ 52.912

€ 5.308

€ 13.228

[aanslagnummer] A.0113030

maart 2013

6 juli 2018

€ 15.667

€ 2.815

€ 3.916

[aanslagnummer] A.0114030

maart 2014

6 juli 2018

€ 24.742

€ 3.518

€ 6.185

[aanslagnummer] A.0115030

maart 2015

6 juli 2018

€ 39.120

€ 3.998

€ 9.780

[aanslagnummer] A.0113040

april 2013

2 augustus 2018

€ 13.325

€ 2.433

€ 3.331

[aanslagnummer] A.0114040

april 2014

2 augustus 2018

€ 17.762

€ 2.577

€ 4.440

[aanslagnummer] A.0115040

april 2015

2 augustus 2018

€ 34.565

€ 3.633

€ 8.641

[aanslagnummer] A.0113050

mei 2013

23 augustus 2018

€ 5.004

€ 924

€ 1.251

[aanslagnummer] A.0114050

mei 2014

23 augustus 2018

€ 21.358

€ 3.146

€ 5.339

[aanslagnummer] A.0115050

mei 2015

23 augustus 2018

€ 24.227

€ 2.600

€ 6.056

[aanslagnummer] A.0113500

1 juni 2013 -

31 december 2013

13 september 2018

€ 3.214

€ 601

€ 803

[aanslagnummer] A.0114500

1 juni 2014 -

31 december 2014

13 september 2018

€ 99.735

€ 14.927

€ 24.933

[aanslagnummer] A.0115500

1 juni 2015 -

31 december 2015

13 september 2018

€ 102.739

€ 11.267

€ 25.684

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt.

1.3.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juli 2019 de boetebeschikkingen verminderd tot 10% van de onder 1.1 vermelde bedragen. De naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen zijn door de inspecteur gehandhaafd.

1.4.

Belanghebbende heeft bij brief van 1 augustus 2019, ontvangen bij de rechtbank op 7 augustus 2019, beroep ingesteld. Ter zake van deze beroepen heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 47.

1.5.

Belanghebbende heeft in zijn brief van 19 september 2019 verzocht om een voorlopige voorziening1 te treffen. De rechtbank heeft op 10 oktober 2019 uitspraak gedaan op dit verzoek.

1.6.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.7.

De inspecteur heeft op 13 juli 2021 een brief aan de rechtbank gestuurd met een verzoek tot verwijzing naar een andere rechtbank. De rechtbank heeft op 5 augustus 2021 die brief beantwoord. Op 9 augustus 2021 heeft de inspecteur opnieuw een brief aan de rechtbank gestuurd. De rechtbank heeft die brief dezelfde dag beantwoord. Een kopie van deze stukkenwisseling is aan belanghebbende gestuurd.

1.8.

Belanghebbende heeft op 11 augustus 2021 en 13 augustus 2021 stukken ingediend. Een afschrift daarvan is aan de inspecteur verzonden.

1.9.

Op 19 augustus 2021 heeft de rechtbank aan partijen bericht dat de zitting van 26 augustus 2021 een regiezitting is.

1.10.

Op 26 augustus 2021 heeft een regiezitting plaatsgevonden in Breda. Daar zijn verschenen en gehoord namens belanghebbende, mr. M. Lewandowski en namens de inspecteur, [inspecteur 1] . Het verzoek tot verwijzing is tijdens deze zitting besproken en afgewezen. Besloten is dat andere zaken van belanghebbende, die bij rechtbank Gelderland aanhangig zijn, naar de rechtbank worden verwezen.

1.11.

Van de regiezitting is een proces-verbaal opgemaakt dat gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen wordt verzonden.

1.12.

Belanghebbende heeft op 23 november 2021 en 26 november 2021 nadere stukken ingediend. Een afschrift van deze stukken is aan de inspecteur verzonden.

1.13.

De inspecteur heeft op 7 december 2021 een pleitnota overgelegd. Een afschrift daarvan is aan belanghebbende gestuurd.

1.14.

De nadere zitting heeft op 10 december 2021 plaatsgevonden in Breda. Daar zijn verschenen belanghebbende, zijn echtgenote, mr. M. Lewandowski en [bijstand] , en namens de inspecteur, [inspecteur 2] , [inspecteur 3] , [inspecteur 4] , [inspecteur 5] en [inspecteur 1] . Tevens was aanwezig H.M. Broos-Kania (tolk).

Op deze zitting zijn gelijktijdig behandeld de onderhavige zaken en de zaken met nummers 21/3995 tot en met 21/4000.

1.15.

Belanghebbende heeft tijdens de nadere zitting een pleitnota voorgelezen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de andere partij.

1.16.

Van de nadere zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat gelijktijdig met deze uitspraak aan partijen wordt verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Met ingang van [inschrijvingsdatum] 2004 staat [eenmanszaak] (hierna: de eenmanszaak) ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (hierna: KvK). De activiteiten bestaan uit ‘interieurbouw en timmerbedrijf’. Belanghebbende staat bij de KvK geregistreerd als eigenaar van de eenmanszaak.

2.2.

Belanghebbende stond in de onderhavige jaren in Polen ingeschreven op het adres [adres 1] in [woonplaats] . In de Basisregistratie personen (hierna: BRP) stond belanghebbende achtereenvolgend ingeschreven op de volgende adressen:

Adres

Van

Tot

[adres 2]

[datum] 2005

[datum] 2006

[adres 3]

[datum] 2006

[datum] 2011

[adres 1] (Polen)

[datum] 2011

[datum] 2012

[adres 4]

[datum] 2012

[datum] 2016

[adres 5]

[datum] 2016

[datum] 2019

[adres 6]

[datum] 2019

[datum] 2019

[adres 7] (Slowakije)

[datum] 2019

2.3.

Op 17 november 2016 is een boekenonderzoek aangekondigd. Dat boekenonderzoek is gestart met een inleidend gesprek waarbij naast belanghebbende ook [toenmalig adviseur] , de toenmalige adviseur van belanghebbende, en [heer Z] aanwezig waren. [heer Z] is een neef van belanghebbende en is opgetreden als woordvoerder.

2.4.

In het kader van het boekenonderzoek zijn door de inspecteur derdenonderzoeken ingesteld bij twee opdrachtgevers: [opdrachtgever 1] en [opdrachtgever 2] Op 29 maart 2017 heeft een gesprek plaatsgevonden met [heer X] , verbonden aan [opdrachtgever 1] . Het verslag van dit gesprek vermeldt onder andere:

“- [heer X] is in contact gekomen met [heer Z] via zijn dochter;

(…)

- [heer Z] had aangegeven wel bereid te zijn werkzaamheden te verrichten middels zijn bedrijf voor [heer X] ;

- [heer X] heeft een offerte gekregen van [heer Z] (een kopie verstrekt) waarin sprake was van een aanneemsom van € 63.954 exclusief omzetbelasting en materiaal.;

(…)

- De Poolse arbeidskrachten hadden voorzieningen op het werk zodat ze konden blijven overnachten; (…)

- Hiervoor werd de uurprijs aangepast van € 15 per uur naar € 14,25 per uur;

- [heer Z] schrijft dat ze al 7 jaar op deze manier werken zonder dat er een bouwopzichter bij nodig was;

(…)

- Volgens [heer X] waren de heren [heer Z] en [heer Y] ( [eenmanszaak] ) voorgesteld als partners, aanwezig bij de bespreking van de offerte en aanvaarding van de opdracht;

- Volgens [heer X] was [heer Z] de feitelijke opdrachtnemer voor een bedrag van € 75.000;

(…)

- Alle afspraken waren gedaan met [heer Z] en dat was ook degene die de arbeidskrachten aanstuurde op de bouw en leiding of toezicht had en bijstuurde daar waar nodig.

(…)

Volgens [heer X] gedroeg [heer Z] zich als werkgever die zijn arbeidskrachten aanstuurde daar waar nodig. Met dhr. [belanghebbende] heeft hij verder geen contact gehad alles liep via [heer Z] .”

Het verslag van het gesprek met vertegenwoordigers van [opdrachtgever 2] op 12 april 2017 vermeldt onder meer het volgende:

“- Alle contacten liepen via [heer Z] die zich presenteerde als eigenaar van de onderneming;

(…)

- Met [heer Z] waren afspraken gemaakt over een te betalen uurloon;

- Tijdens het werk is vrijwel altijd een medewerker van [opdrachtgever 2] aanwezig;

- Deze medewerker heeft toezicht op de werkzaamheden en geeft instructies aan [heer Z] die daarop de medewerkers instrueert;

- [heer Z] werkt volgens [mevrouw] niet zelf mee op de bouw, geeft alleen aanwijzingen aan de werknemers;

(…)

- Indien er problemen zijn op het werk is [heer Z] aanspreekpunt, beide medewerkers weten niet over een andere ondernemer, het is het bedrijf van [heer Z] waarmee zaken worden gedaan.

(…)

Volgens [opdrachtgever 2] zijn het werknemers van [heer Z] doch [opdrachtgever 2] heeft daarna niet geïnformeerd.”.

2.5.

Op 24 mei 2017 heeft de inspecteur een gesprek gehad met belanghebbende. Bij dat gesprek was een Poolse tolk aanwezig, omdat belanghebbende de Nederlandse taal niet beheerst. Ook [heer Z] en [toenmalig adviseur] waren bij dat gesprek aanwezig. Het verslag van het gesprek van 24 mei 2017 vermeldt onder andere het volgende:

“Vraag 2

Welke werkzaamheden voert uzelf uit binnen de onderneming?

Antwoord dhr. [belanghebbende]

Ik heb toezicht op de bouwen en lever materialen op de bouw. Ik heb geen tijd om zelf mee te werken.

Vraag 3

Hoe verwerft u uw opdrachten in Nederland

Antwoord dhr. [belanghebbende]

Ik moet het hebben van mond tot mond reclame. Met klanten communiceer ik in de Duitse taal als het om de bouwwerkzaamheden gaat.

Vraag 4

Maakt u reclame voor uw werkzaamheden in Nederland? Zo ja op welke manier?

Antwoord dhr. [belanghebbende]

Mijn reclame is de goede uitvoering van de werkzaamheden. Daardoor krijg ik nieuwe klanten. Ik

heb een eigen website (aangegeven door [heer Z] ) namelijk www. [website] .com

Aanvankelijk wist hij niet dat hij een website had.

(…)

Vraag 9

Verricht uzelf alle werkzaamheden alleen?

Antwoord van [belanghebbende]

Alle werkzaamheden voor mijn onderneming voer ik zelf uit.

(…)

Vraag 12

Wie voert voor u de dagelijkse administratie?

Antwoord dhr. [belanghebbende]

Dagelijkse administratie wordt door dhr. [belanghebbende] uitbesteed aan [heer Z] . (…) De facturen worden gemaakt door [heer Z] . (…) Er is sprake van een aanneemsom. Indien de heer [belanghebbende] verkeerd heeft gecalculeerd dan krijgt hij te weinig betaald voor de uitgevoerde werkzaamheden. (…) [belanghebbende] geeft aan [heer Z] door wat gefactureerd moet worden.

(…)

Vraag 15

Heeft u een eigen (zakelijk/prive) bankrekening(en) in Nederland? Nummer(s)

Antwoord dhr. [belanghebbende]

Ik heb maar één bankrekening. Dit is zowel zakelijk als privé. Het nummer van deze bankrekening ken ik niet uit het hoofd.

Vraag 16

Heeft u een eigen pasje van de bankrekening en bent u de enige die beschikt over een pasje voor uw bankrekening?

Antwoord dhr. [belanghebbende]

Ik heb zelf een bankpasje, maar die heb ik niet bij me. Niemand anders heeft een bankpasje van mijn rekening.

(…)

Vraag 18

Hoe komt u aan de buitenlandse arbeidskrachten die de werkzaamheden verrichten samen met u?

Antwoord dhr. [belanghebbende]

Ik neem telefonisch contact op met deze personen of ik ga langs in Polen. Aldaar heb ik een groep mensen waarop ik een beroep kan doen voor het uitvoeren van werkzaamheden in Nederland.

Vraag 19

Indien u gebruik maakt van buitenlandse arbeidskrachten hoe wordt bepaalt wat zij mogen factureren?

Antwoord dhr. [belanghebbende]

Met de arbeidskrachten wordt op basis van een uurprijs afgerekend ik denk tussen de € 20 en € 23. Elk uur van de Poolse ondernemers wordt betaald. Nadat [heer Z] had aangegeven dat dhr. [belanghebbende] zich had vergist werd de uurprijs bijgesteld na € 15 per uur onder de restrictie dat het mede afhankelijk was van leeftijd, ervaring etc.

(…)

Vraag 21

Indien een klant niet betaalt hoe wordt geregeld dat hij betaald?

Antwoord dhr. [belanghebbende]

Komt niet voor volgens dhr. [belanghebbende] . Doet er alles aan dat de klant wel betaalt. Alle klanten hebben alles betaald. Bij nader inzien, aangegeven door [heer Z] , komt het wel eens voor en wordt dit doorgegeven aan [heer Z] die dan ve[r]der zorgt voor incasso maatregelen

(…)

Vraag 25

Maakt u een urenregistratie op van de verrichte uren werk? Indien ja kunt u deze overleggen?

Antwoord dhr. [belanghebbende]

Ik houd geen urenregistratie bij van mij gewerkte uren. Deze kan ik niet in rekening brengen bij de klant. (…) Als [belanghebbende] in Polen is voor zaken gaan de werkzaamheden in Nederland gewoon door. Dhr. [belanghebbende] geeft aan dat hij de arbeidskrachten voldoende heeft geïnformeerd zodat ze zonder leiding verder kunnen werken.

(…)

Vraag 28

Hoe legt u contact met uw buitenlandse arbeidskrachten?

Antwoord dhr. [belanghebbende]

Zodra er geen werk meer is gaan de Poolse ondernemers terug naar Polen. Ik neem telefonisch contact op indien er weer arbeidskrachten noodzakelijk zijn. Ik heb een bellerslijst met namen van arbeidskrachten die in staat zijn de werkzaamheden te verrichten.

Opmerkingen:

Omdat dhr. [belanghebbende] aangaf de Duitse taal machtig te zijn hebben wij enkele vragen gesteld in het Duits. Het leverde geen reactie op van dhr. [belanghebbende] . Kennelijk kon hij de taal niet verstaan. Daarnaast weet dhr. [belanghebbende] betrekkelijk weinig over zijn onderneming.”.

2.6.

Van de bevindingen van het boekenonderzoek is een rapport opgemaakt met datum 20 februari 2018 (hierna: het rapport). In dat rapport staat onder andere:

2.2. Bedrijfsactiviteiten

(…)

Er zijn 30 á 40 opdrachtgevers per jaar.

(…)

Afspraken met opdrachtgevers worden gemaakt door [heer Z] . [heer Z] is een soort communicatiemanager van de heer [belanghebbende] . Alle gesprekken met potentiële opdrachtgevers zouden worden gevoerd door [heer Z] die daarbij optrad in opdracht van, voor rekening en risico van en namens [eenmanszaak] . Hij helpt met de sturing van de werkzaamheden, neemt de telefoon aan en geeft de vragen en wensen van de opdrachtgevers door aan de heer [belanghebbende] . [heer Z] omschrijft zijn werkzaamheden als tolk en communicatiemanager.

[heer Z] geeft volgens eigen verklaring advies aan klanten van de heer [belanghebbende] c.q. “ [eenmanszaak] ” die werkzaamheden willen laten uitvoeren. (…) Daarnaast voert [heer Z] ook zelf bouwwerkzaamheden uit als een soort meewerkend voorman binnen de onderneming [eenmanszaak] . Hij voert daarnaast geen werkzaamheden uit voor andere opdrachtgevers dan [eenmanszaak] .

De heer [belanghebbende] en belanghebbende [heer Z] gaan samen naar de klant om een opdracht te bespreken. De heer [belanghebbende] maakt een offerte in het Pools. Deze wordt door [heer Z] vertaald in het Nederlands en daarna overhandigd aan de klant. Er is echter geen enkele offerte bewaard gebleven in de administratie. Noch in het Pools noch in het Nederlands.

Volgens [heer Z] wordt er een prijs per opdracht afgesproken met de opdrachtgever. Volgens hem is het uurtarief € 23. Dit blijkt echter niet uit de uitgeschreven facturen. De facturen en de contracten worden door hem opgemaakt. De facturen zijn gebaseerd op de aanneemsom. De heer [belanghebbende] geeft wekelijks aan [heer Z] door wat er gefactureerd moet worden. In principe betalen de klanten de voor het werk overeengekomen prijs. Bij problemen omtrent de betaling verzorgt [heer Z] de incassomaatregelen.

(…)

De heer [belanghebbende] beschikt over een eigen computer die hij echter niet zou gebruiken voor zijn onderneming. Hij geeft alle info door aan [heer Z] . De heer [belanghebbende] besteedt de dagelijkse administratie uit aan [heer Z] . Deze zet de bankafschriften en de inkoop- en verkoopfacturen in ordners en brengt deze naar de adviseur welke de gegevens verwerkt in een boekhoudprogramma. Primaire vastleggingen worden niet bewaard. (…)

De van de opdrachtgevers verkregen klussen worden uitgevoerd door zijn medewerkers (zoals aangegeven op zijn website). Dit zijn Poolse arbeidskrachten die allen werkzaam zouden zijn als ZZP’ers. De buitenlandse arbeidskrachten worden telefonisch benaderd of ter plekke (in Polen). Zij hebben geen VAR overgelegd. Er wordt gedurende 5 dagen per week gewerkt. Met de arbeidskrachten wordt afgerekend op basis van een uurtarief van € 15, een en ander afhankelijk van leeftijd, ervaring etc. (…)

Door ons werd bij twee opdrachtgevers een derdenonderzoek ingesteld en daarbij is ons gebleken dat hetgeen [heer Z] verklaart juist is. De derden hebben ons bevestigd dat [heer Z] alle zaken met betrekking tot de werkzaamheden regelt, maar wel uiteindelijk alles in opdracht van, voor rekening en risico van en namens de heer [belanghebbende] c.q. [eenmanszaak] .

(…)

In de controlejaren heeft de heer [belanghebbende] volgens zijn verklaring geen personeel in dienst gehad. De heer [belanghebbende] heeft gebruik gemaakt van de diensten van meer dan twintig Poolse arbeidskrachten. De werkzaamheden van deze Poolse arbeidskrachten zijn noch door de heer [belanghebbende] , noch door de heer [toenmalig adviseur] als adviseur, beoordeeld op de aspecten van de loonheffingen en zijn ook niet ter beoordeling voorgelegd aan de Belastingdienst. Volgens [heer Z] beschikken de Poolse arbeidskrachten wel over een A1 verklaring (Poolse sociale wetgeving zou van toepassing blijven tijdens het uitvoeren van werkzaamheden in Nederland), welke ze altijd bij zich zouden hebben. De heer [belanghebbende] heeft daarvan geen kopieën in zijn administratie, ook [heer Z] beschikt niet over deze papieren. In de systemen die ons over de afgegeven A1 ter beschikking staan komen de betrokken Poolse arbeidskrachten niet voor met een afgegeven A1 verklaring met uitzondering van (…).

2.3.

Werkwijze

(…)

In de jaren 2013, 2014 en 2015 werden de Poolse arbeidskrachten contant betaald door [heer Z]

. Daarvoor kreeg hij geld overgemaakt op zijn privé rekening van [eenmanszaak] .

Volgens [heer Z] werd hier voor gekozen omdat hij een hogere limiet had voor opnames

van zijn bankrekening zodat hij wekelijks op de betaaldag betalingen kon verrichten aan de Poolse

arbeidskrachten. Ondanks het feit dat wij gevraagd hebben welke betaaldag wordt bedoeld,

hebben wij daarop geen antwoord gekregen. Buiten de facturen op naam van de Poolse

arbeidskrachten (en steeds opgemaakt door [heer Z] , zie ook hierna), aanwezig in de

administratie van [eenmanszaak] , is geen administratie bijgehouden van de betalingen aan de

Poolse arbeidskrachten. In de gecontroleerde periode zijn deze contante betalingen in de

jaarstukken verantwoord voor een totaalbedrag van € 390.910. Er zijn betreffende de diverse

jaren de volgende bedragen verantwoord: € 78.800 (2013), € 123.615 (2014) en € 188.495

(2015). De facturen werden ook niet afgetekend voor akkoord dat het geldbedrag betaald was aan

de betreffende Poolse arbeidskracht. Er is geen kasboek aanwezig.

(…)

[heer Z] maakt de facturen op voor de Poolse arbeidskrachten. De Poolse

arbeidskrachten zijn de Nederlandse taal niet machtig en krijgen daarom een voorbeeld van [heer Z]

hoe ze een factuur op moeten maken, welke hij dan vervolgens opmaakt. Op de

door [heer Z] opgemaakte facturen van de Poolse arbeidskrachten staat het afgesproken

bedrag dat moet worden betaald door [eenmanszaak] . [heer Z] doet de betalingen.

De heer [toenmalig adviseur] , adviseur, vertelde dat in de controlejaren [heer Z] geld opnam van de

rekening van [eenmanszaak] om de Poolse arbeidskrachten te betalen. Dit vond de heer [toenmalig adviseur]

vreemd.

In de controlejaren is geen kasadministratie bijgehouden. [heer Z] doet alle contante en

bancaire betalingen van [eenmanszaak] . [heer Z] heeft toegang tot de bankrekening

van de heer [belanghebbende] .

(…)

7 Loonheffingen

(…)

Nader onderzoek karakter werkzaamheden

Wij hebben nader onderzoek verricht naar (het karakter van) de werkzaamheden die de Poolse arbeidskrachten voor [eenmanszaak] hebben uitgevoerd. Daarvoor hebben wij een derdenonderzoek verricht bij 2 opdrachtgevers van [eenmanszaak] . Daarnaast hebben wij de berichten op de website: [website] .com in het onderzoek betrokken en hebben wij de door klanten van [eenmanszaak] in de jaren 2014 en 2015 op Marktplaats.nl geplaatste reviews beoordeeld.

(…)

8.4.1

Standpunt ten aanzien van de Poolse arbeidskrachten

De Poolse arbeidskrachten worden door ons geacht werkzaam te zijn geweest als werknemers voor [eenmanszaak] . Op grond daarvan is [eenmanszaak] over de uitbetaalde bedragen loonheffingen verschuldigd.

Uitnodiging tot het doen van aangifte

In de bij dit rapport gevoegde tabel hebben wij per Poolse arbeidskracht/per jaar een overzicht met loonbetalingen gemaakt (zie de kolom "Bedrag") op basis waarvan de heer [belanghebbende] alsnog aangifte kan doen en de bijbehorende loonheffingen kan afdragen.

In de tabel staan in de kolommen ernaast de verschuldigde loonheffingen die, bij het niet door de heer [belanghebbende] nakomen van de hiervoor genoemde verplichtingen, zullen worden nageheven.

(…)

9 Naheffingsaanslagen loonheffingen

Naar aanleiding van de bevindingen ten aanzien van de loonheffingen worden er, indien niet alsnog

de volgens dit rapport verschuldigde loonheffingen op aangifte worden afgedragen,

naheffingsaanslagen loonheffingen over de jaren 2013 tot en met 2015 opgelegd op grond van

artikel 20 van de AWR.

Van de arbeidskrachten is geen Burgerservicenummer, nog een kopie ID bewijs dan wel verklaring

loonheffingskorting aanwezig. Dit heeft tot gevolg dat er conform artikel 26b Wet LB 9164 sprake

is van anonieme werknemers.

De over de jaren 2013, 2014 en 2015 uitbetaalde lonen beschouwen wij als nettoloon. Dat dient

derhalve gebruteerd te worden met 108,3 %. Daarnaast worden alsnog premies

werknemersverzekeringen en de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet geheven met

inachtneming van de onderstaande percentages:

2013 Werknemerspremies bedragen 1,7 % WW , 4,65 % WIA/WAO, 10,69 % Sector, 7,75 ZVW

en 1,17 % gedifferentieerde premie WGA

2014 Werknemerspremies bedragen 2,15 % WW , 5,45 % WIA/WAO, 12,84 % Sector, 7,5 ZVW

en 1,68 % gedifferentieerde premie WGA

2015 Werknemerspremies bedragen 2,07 % WW , 5,75 % WIA/WAO, 12,83 % Sector, 6,95 ZVW

en 1,68 % gedifferentieerde premie WGA

Uit de bijlage blijkt dat er een verschuldigdheid bestaat voor de loonheffing van € 413.863 (2013:

€ 85.340,40,2014: € 133.875,05 en 2015: € 194.647,59) en voor de werknemersverzekeringen

van € 109.696 (2013: € 20.456,48, 2014: € 36.614,76 en 2015: € 52.624,94).”

2.7.

Belanghebbende heeft een door [arbeidskracht] afgelegde verklaring overgelegd met datum 16 november 2021. Daarin verklaart [arbeidskracht] :

“Sinds 2006 werkte ik in Nederland.

Aanvankelijk werkte ik onder een Nederlandse (ZZP) en daarna onder een Pools bedrijf

(eenmanszaak).

Nederlandse bedrijven zijn voor ons [voor mij en andere onderaannemers] opgericht door

[heer Z] . [heer Z] bemiddelde bij alle formaliteiten bij de KvK en de Belastingdienst in Nederland.

Eerst betaalde [heer Z] me contant, daarna maakte hij het geld over naar onze Poolse rekeningen. Ik heb nooit een Nederlandse bankrekening gehad.

De overboekingen zijn gedaan vanaf verschillende Nederlandse rekeningen - o.a. van

[belanghebbende] , [naam] .

[heer Z] stuurde text-berichten met werkinstructies, zoals waar te gaan, op welke opdrachten.

Op de bouwplaats heeft [heer Z] aangegeven welke werkzaamheden er moeten

gebeuren.

[belanghebbende] heeft vele malen met mij in Nederland gewerkt. We reisden vaak samen en logeerden

samen op bouwplaatsen.

[belanghebbende] werkte voornamelijk met ons [andere onderaannemers], wij voerden hetzelfde werk

uit.

Toen ik een Nederlands bedrijf had, kwam ik niet in aanraking met mijn administratie. Net

zoals [heer Z] mijn zaak registreerde, voerde hij waarschijnlijk de hele administratie, Ik heb in ieder geval nooit facturen uitgeschreven.

Toen ik een Pools bedrijf opende, instrueerde [heer Z] op welke factuur ik moest opmaken

en aan wie. Er waren geen dergelijke instructies van [belanghebbende] .

In het begin, toen ik een Nederlands bedrijf had, gebruikten ik en andere onderaannemers

van [heer Z] , auto’s met Nederlands kenteken. Ik weet niet op wie deze auto’s

geregistreerd waren, maar zeker niet op [belanghebbende] . [heer Z] stelde mij deze auto’s ter

beschikking (hij overhandigde de sleutels en vertelde waar ik heen moest). Later had ik mijn

eigen auto voor mijn Poolse bedrijf.

Noch ik, noch [belanghebbende] hebben met de opdrachtgevers gesproken. [heer Z] gaf instructies

over de uitvoering van het werk.

Bij de start van elke opdracht was [heer Z] samen met de opdrachtgever aanwezig.

Vervolgens gaf [heer Z] instructies wat te doen. Tijdens het werk kwam hij soms langs om

aan te geven wat er verbeterd of veranderd moest worden.

Aanvankelijk hadden we alle gereedschappen van [heer Z] . Later hadden sommigen van

ons hun eigen gereedschap, toen we ons Poolse bedrijf oprichtten. Maar toch gebruikte

ongeveer de helft van de onderaannemers gereedschappen van [heer Z] .

De administratie (documenten) werd naar het huis van [heer Z] gebracht. [heer Z] deed

de facturatie zelf, Nederlandse facturen heb ik nooit met eigen ogen gezien.

Vertrek voor opdrachten, retours en eerdere oproepingen dan afgesproken zijn door

[heer Z] bepaald.

Meestal waren het eerdere oproepingen om te werken, minder vaak zei hij dat het mogelijk is

om eerder te eindigen.

Vanuit mijn perspectief was [heer Z] de baas. De dingen die ik van [heer Z] hoorde, heb

ik nooit van [belanghebbende] gehoord.

(…)

De brieven van de Belastingdienst, de blauwe enveloppen, zijn aan [heer Z] gegeven en ik

weet niet wat hij ermee deed. Ik kende hun inhoud niet. [heer Z] heeft mij niet op de

hoogte gesteld van de inhoud van deze brieven. De laatste brief die kwam was waarschijnlijk

de informatie over de beëindigde procedure, het was ongeveer een halfjaar geleden, mijn

dochter vertaalde de inhoud via Google Translate. Deze laatste brief heb ik niet aan

[heer Z] geven omdat ik niet meer met hem samenwerkte. Ik heb deze brief niet bewaard.

Ik weet niet precies op welk adres mijn Nederlandse bedrijf stond ingeschreven, maar het

was waarschijnlijk het eerste adres van [heer Z] of zijn moeder. [heer Z] heeft dit adres

aan mij en anderen ter beschikking gesteld. Wij [de onderaannemers] waren niet echt op dat

adres aanwezig, we woonden er niet en bewaarden onze documenten daar niet. Van daaruit

hebben we [heer Z] ’s gereedschappen voor het werk opgehaald. We hadden geen vaste

woonplaats, we woonden op bouwplaatsen.

(…)

Ongeveer 4 jaar geleden merkte [heer Z] , in het bijzijn van mij en andere mensen, tijdens

een van de gesprekken op dat [belanghebbende] niet alles hoeft te weten wat [heer Z] doet, want als

er iets misgaat, dan “is [belanghebbende] zijn lanbouwgrond ontereikend” [d.w.z. als gevolg daarvan

zou [belanghebbende] zijn boerderij kunnen verliezen].”.

2.8.

Naar aanleiding van de bevindingen van het boekenonderzoek heeft de inspecteur de naheffingsaanslagen vastgesteld en de onder 1.1 vermelde beschikkingen gegeven.

2.9.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen door bezwaarschriften die zijn ingediend door zijn toenmalige gemachtigden verbonden aan [kantoor] .

2.10.

Op 16 april 2019 stond een hoorgesprek gepland waar niet alleen belanghebbendes bezwaar zou worden behandeld, maar ook het bezwaar dat door [heer Z] is gemaakt tegen aan hem opgelegde aanslagen en aan hem gegeven beschikkingen. Belanghebbende en zijn huidige gemachtigde zijn niet verschenen bij het hoorgesprek.

2.11.

De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 4 juli 2019 de boetebeschikkingen verminderd tot 10% van de onder 1.1 vermelde bedragen. De naheffingsaanslagen en de rentebeschikkingen zijn door de inspecteur gehandhaafd.

3 Geschil

3.1.

In geschil is het antwoord op de volgende vragen.

I. Zijn de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geschonden?

II. Zijn de naheffingsaanslagen terecht en naar het juiste bedrag vastgesteld?

III. Mocht de inspecteur boetes opleggen en is de hoogte daarvan passend en geboden?

IV. Dient aan belanghebbende een schadevergoeding te worden toegekend?

V. Dient aan belanghebbende een integrale proceskostenvergoeding te worden toegekend?

3.2.

De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de naheffingsaanslagen, de rentebeschikkingen en de boetebeschikkingen. Verder concludeert belanghebbende tot een vergoeding van de werkelijke proceskosten en tot een schadevergoeding.

4 Beoordeling van het geschil

I. De schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.1.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat sprake is van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Volgens belanghebbende heeft de inspecteur onzorgvuldig gehandeld bij de totstandkoming van de primaire besluiten en de uitspraken op bezwaar. Zo is belanghebbende niet gehoord in de aanwezigheid van een beëdigd tolk, is de inhoud van verslagen niet vertaald naar het Pools en is belanghebbende geen gelegenheid geboden om te reageren op de bevindingen van de inspecteur. Voor zover bevindingen zijn gedeeld met [toenmalig adviseur] en/of [heer Z] volstaat dat volgens belanghebbende niet. [toenmalig adviseur] en [heer Z] hebben die informatie namelijk niet met belanghebbende gedeeld. Verder is volgens belanghebbende sprake van het negeren van bewijsmateriaal waaruit volgt dat niet belanghebbende, maar zijn neef [heer Z] de werkgever was van de Poolse arbeiders die werden betaald door de eenmanszaak.

4.2.1.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van een schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De klacht dat de inspecteur in de fase van het opleggen van de naheffingsaanslagen onzorgvuldig heeft gehandeld, en daarmee het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden, slaagt niet. Bij het inleidende gesprek was belanghebbende aanwezig samen met [heer Z] en zijn toenmalige gemachtigde [toenmalig adviseur] . [heer Z] is de neef van belanghebbende en is, in tegenstelling tot belanghebbende, wél de Nederlandse taal machtig. [heer Z] is tijdens dit gesprek gepresenteerd als “een soort communicatiemanager”. Tot de stukken van het geding behoort een door [toenmalig adviseur] overgelegde machtiging die is ondertekend door belanghebbende. Voor zover belanghebbende stelt dat [toenmalig adviseur] niet als zijn gemachtigde kan worden beschouwd, verwerpt de rechtbank die stelling omdat de inspecteur van die machtiging mocht uitgaan.

Op 24 mei 2017 heeft wederom een gesprek plaatsgevonden met belanghebbende. Bij dat gesprek was een tolk aanwezig. De inspecteur heeft verklaard dat uitsluitend belanghebbende was uitgenodigd voor dat gesprek, maar dat [heer Z] en [toenmalig adviseur] eveneens bij aanvang van het gesprek verschenen. Van dat gesprek is een verslag opgemaakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de inhoud van het verslag te twijfelen. Het enkele feit dat de aanwezige medewerker van de Belastingdienst die de Poolse taal machtig was kennelijk geen beëdigde tolk is, is naar het oordeel van de rechtbank zonder nadere onderbouwing onvoldoende om het verslag van dit gesprek te verwerpen. De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat belanghebbende pas voor het eerst tijdens de nadere zitting uitdrukkelijk heeft gesteld dat de inhoud van het verslag onjuist is. De rechtbank acht de versie van belanghebbende dat niet hij maar uitsluitend [heer Z] tijdens dat gesprek zou hebben verklaard, ongeloofwaardig. De inspecteur heeft tijdens de zitting verklaard dat hij graag met belanghebbende zelf in gesprek wilde over de bedrijfsvoering. Daarom was ook alleen belanghebbende uitgenodigd voor het gesprek. Toen [heer Z] en [toenmalig adviseur] verschenen, heeft de inspecteur tegen hen gezegd dat zij wel aanwezig mochten zijn, maar dat men met belanghebbende wilde spreken. De rechtbank vindt deze lezing van de inspecteur aannemelijk, omdat de inspecteur iemand had geregeld die tijdens het gesprek kon vertalen. Ook is de stellingname van belanghebbende over wie heeft verklaard tegenstrijdig met het verslag van het gesprek van 24 mei 2017, terwijl in dat verslag wel degelijk onderscheid wordt gemaakt tussen wie wat heeft verklaard. In het verslag is vermeld dat [heer Z] enkele korte toevoegingen heeft gedaan op de verklaringen van belanghebbende. Het ligt dan niet in de rede dat uitsluitend [heer Z] heeft verklaard.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur niet verplicht was om het verslag van het gesprek van 24 mei 2017 in de Poolse taal op te stellen. Belanghebbende beschikte immers over een gemachtigde die de Nederlandse taal machtig is. Dat deze gemachtigde belanghebbende niet goed heeft vertegenwoordigd en ingelicht, zoals belanghebbende stelt, ligt in de risicosfeer van belanghebbende en kan de inspecteur niet worden aangerekend.

4.2.2.

Ten aanzien van het hoorgesprek tijdens de bezwaarfase overweegt de rechtbank als volgt. Niet in geschil is dat belanghebbende is uitgenodigd voor een hoorgesprek. Belanghebbende en zijn huidige gemachtigde zijn daags voor het hoorgesprek nog aangemeld door [kantoor] (hierna: [kantoor] ), die toen nog rechtsgeldig optraden als gemachtigde van belanghebbende. Belanghebbende en zijn huidige gemachtigde zijn tijdens dat hoorgesprek echter niet verschenen. Belanghebbende voelde zich niet fit genoeg en de huidige gemachtigde was op basis van door [kantoor] verstrekte informatie in de veronderstelling dat mogelijk een vaststellingsovereenkomst zou worden gesloten, iets wat de huidige gemachtigde niet wilde belemmeren. Tijdens het hoorgesprek is belanghebbende rechtsgeldig vertegenwoordigd en de inhoud van het hoorverslag is geaccordeerd door [kantoor] . Ook hier geldt naar het oordeel van de rechtbank dat het niet of onjuist inlichten van belanghebbende door de toenmalige gemachtigde niet voor rekening en risico van de inspecteur komt. Dat belanghebbende en zijn huidige gemachtigde hebben afgezien van deelname aan het hoorgesprek kan de inspecteur evenmin worden aangerekend.

4.3.

Gelet op het overwogene onder 4.2. is de rechtbank van oordeel dat van schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur geen sprake is.

II. Zijn de naheffingsaanslagen terecht en naar het juiste bedrag vastgesteld?

4.4.

De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de naheffingsaanslagen terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. De Poolse arbeiders werken in dienstbetrekking voor de eenmanszaak. Belanghebbende is de eigenaar van de eenmanszaak en dus inhoudingsplichtige.

4.5.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in loondienst of als zelfstandige zonder personeel heeft gewerkt voor [heer Z] . De Poolse arbeiders hebben eveneens werkzaamheden verricht in opdracht van [heer Z] en zij werden ook aangestuurd door [heer Z] . Belanghebbende is daarom van mening dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn vastgesteld.

4.6.

Onder de naam ‘loonbelasting’ wordt van werknemers of hun inhoudingsplichtige een directe belasting geheven.2 De inhoudingsplichtige is degene tot wie een of meer personen in dienstbetrekking staan.3 Een werknemer is de natuurlijke persoon die tot een inhoudingsplichtige in privaatrechtelijke dienstbetrekking staat.4 Onder een privaatrechtelijke dienstbetrekking wordt verstaan de arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.5 Van een arbeidsovereenkomst is sprake indien de ene partij, de werknemer, zich verbindt om in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.6 Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar ook de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en daaraan inhoud hebben gegeven.

4.7.

Tussen belanghebbende en de Poolse arbeiders is geen overeenkomst gesloten met betrekking tot de werkzaamheden die door de Poolse arbeiders zijn verricht. Van een dergelijke overeenkomst tussen [heer Z] en de Poolse arbeiders is overigens evenmin sprake.

4.8.

Ten aanzien van de vraag of belanghebbende terecht als inhoudingsplichtige is aangemerkt overweegt de rechtbank als volgt. Het is in de bouw geenszins ongebruikelijk dat dezelfde werkzaamheden zowel worden verricht door arbeiders in dienstbetrekking van degene die het werk heeft aangenomen als door personen die zich als zelfstandig (onder)aannemer hebben geregistreerd en als zodanig een eigen onderneming drijven. De bewijslast dat werkzaamheden, die op aanwijzing van degene die een werk heeft aangenomen (de hoofdaannemer) tegen beloning zijn verricht onder omstandigheden die alle kenmerken van een als dienstbetrekking te kwalificeren arbeidsverhouding hebben, desondanks niet in dienstbetrekking zijn verricht maar door een ondernemer in het kader van (onder)aanneming, berust in beginsel op de hoofdaannemer.7

4.9.

Het is de eenmanszaak van belanghebbende die de opdrachten tot het uitvoeren van bouwwerkzaamheden heeft aangenomen en ook daadwerkelijk heeft verricht. Dat volgt uit de bevindingen van de derdenonderzoeken en de aangetroffen facturen. De inspecteur is bij het opleggen van de naheffingsaanslagen daarbij aangesloten en heeft de naheffingsaanslagen opgelegd aan belanghebbende. Dat is naar het oordeel van de rechtbank terecht. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de werkelijkheid afwijkt van wat op papier staat, namelijk dat niet hij, maar [heer Z] de opdrachten aannam en de Poolse arbeiders aanstuurde. [heer Z] heeft veelvuldig verklaard dat hij als een communicatiemanager voor belanghebbende optrad. De rechtbank ziet te weinig aanknopingspunten om die lezing, die door belanghebbende wordt betwist, te verwerpen. Tijdens de zitting is door de gemachtigde van belanghebbende een visitekaartje getoond, dat ook onderdeel is van het procesdossier. Op dat visitekaartje staat dat ‘ [website] ’ onderdeel uitmaakt van [eenmanszaak] . Volgens het visitekaartje verricht [heer Z] ‘Bouwadvies en bemiddeling’. Die omschrijving komt overeen met de verklaringen van [heer Z] over zijn rol als communicatiemanager. In beroep heeft belanghebbende een andersluidende verklaring van [heer Z] overgelegd, maar die verklaring wordt door de rechtbank verworpen. De inspecteur betwist de juistheid van die verklaring en belanghebbende maakt daar tegenover niet aannemelijk dat de inhoud van die verklaring een weergave is van wat [heer Z] zelf heeft verklaard. De verklaring is namelijk niet door [heer Z] zelf, maar door de gemachtigde van belanghebbende opgesteld naar aanleiding van een gesprek met [heer Z] . Ook heeft [heer Z] de verklaring niet ondertekend. De verklaring van [arbeidskracht] , één van de Poolse arbeiders, is eveneens door de inspecteur betwist en naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende specifiek wat betreft de periode waarop de verklaring ziet. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat belanghebbende degene was die de onderneming van [eenmanszaak] dreef. Daarbij heeft belanghebbende gebruik gemaakt van de diensten van [heer Z] die zelfstandig optrad als adviseur, bemiddelaar en communicatiemanager. Dat [heer Z] in contact stond met externe partijen en niet belanghebbende maakt het voorgaande niet anders. Belanghebbende is immers de Nederlandse taal niet machtig, zodat rechtstreekse communicatie met Nederlandstalige klanten om die reden niet mogelijk is. De omstandigheid dat [heer Z] verantwoordelijk was voor de communicatie leidt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer tot de conclusie dat [heer Z] die verklaringen anders dan namens belanghebbende heeft gedaan. Bovendien heeft [heer X] tijdens het derdenonderzoek verklaard dat zowel belanghebbende als [heer Z] aanwezig waren bij de bespreking van de offerte en de aanvaarding van de opdracht. Dat staat haaks op de verklaring die belanghebbende tijdens de zitting heeft afgelegd, inhoudende dat hij nooit bij besprekingen van offertes en opdrachten aanwezig was. De rechtbank ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van [heer X] en is daarom van oordeel dat de verklaring van belanghebbende ongeloofwaardig is.

De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat belanghebbende tijdens de zitting een aantal verklaringen heeft afgelegd die de rechtbank ongeloofwaardig acht. Zo heeft belanghebbende tijdens de zitting van de rechtbank verklaard dat hij zijn toenmalige gemachtigde [toenmalig adviseur] niet kende. [toenmalig adviseur] beschikte echter over een door belanghebbende ondertekende volmacht. Zelfs als de rechtbank ervan uitgaat dat belanghebbende op verzoek van [heer Z] allerlei papieren ondertekende waarvan belanghebbende de inhoud niet begreep, zoals door belanghebbende is verklaard, dan is het nog steeds zeer opmerkelijk dat belanghebbende stelt [toenmalig adviseur] niet te kennen. [toenmalig adviseur] was namelijk zowel bij het inleidende gesprek als bij het gesprek van 24 mei 2017 aanwezig. Ook heeft belanghebbende tijdens de zitting verklaard dat niet hij maar [heer Z] buiten hem om de inschrijvingen bij de Kvk of de BRP heeft geregeld, een btw-nummer heeft aangevraagd en een bankrekening op zijn naam heeft geopend. De rechtbank vindt deze verklaringen van belanghebbende ongeloofwaardig. Een inschrijving bij de KvK of in de BRP, is niet mogelijk zonder dat iemand zich legitimeert. Het is naar het oordeel van de rechtbank eveneens onaannemelijk en ongeloofwaardig dat [heer Z] zonder medeweten of hulp van belanghebbende een bankrekening op belanghebbendes naam heeft geopend of een btw-nummer heeft aangevraagd, gelet op de veiligheidsprocedures die gehanteerd worden. Pas nadat de rechtbank dit aan belanghebbende heeft voorgehouden, heeft hij verklaard dat hij dit alles samen met [heer Z] heeft gedaan, dat het initiatief van [heer Z] uitging en dat hij zelf niet wist waar het allemaal om ging.

Tot slot overweegt de rechtbank dat de inspecteur bescheiden heeft aangetroffen van betalingen aan de Poolse arbeiders. Op die bescheiden zijn de naheffingsaanslagen gebaseerd. Met betrekking tot belanghebbende zijn geen bescheiden aangetroffen. Indien belanghebbende slechts werkzaam was als arbeider, zoals hij stelt, dan is het opmerkelijk dat geen facturen of betalingsbewijzen zijn aangetroffen die betrekking hebben op uitbetalingen aan belanghebbende, zoals bij de andere Poolse arbeiders dus wel het geval was. De enkele omstandigheid dat [heer Z] de beschikking heeft gehad over onroerend goed en meerdere auto’s is tegenover de betwisting van de inspecteur onvoldoende om te leiden tot de conclusie dat de opbrengst uit de onderneming aan [heer Z] ten goede is gekomen. Een reconstructie van de kasstromen zou daarover wel uitsluitsel kunnen geven. Beide partijen hebben echter tijdens de zitting verklaard dat een dergelijke reconstructie niet mogelijk is, omdat de daarvoor benodigde gegevens niet (meer) bestaan. Dat komt in dit geval voor rekening en risico van belanghebbende, die immers geen afdoende administratie heeft gevoerd en bewaard om een dergelijke reconstructie mogelijk te maken.

4.10.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat tussen belanghebbende en de Poolse arbeiders een als dienstbetrekking aan te merken verhouding heeft bestaan. De Poolse arbeiders zijn, zoals belanghebbende in het gesprek van 24 mei 2017 heeft verklaard, door belanghebbende benaderd indien hij beschikte over werk. De Poolse arbeiders zijn werkzaam geweest op de door belanghebbende aangenomen werken. Niet in geschil is dat zij daarvoor ook zijn betaald. De Poolse arbeiders hebben tijdens het verrichten van de werkzaamheden de aanwijzingen van belanghebbende moeten volgen. Uit de derdenonderzoeken en de recensies op marktplaats volgt namelijk dat [heer Z] de Poolse arbeiders aanstuurde. Zoals hiervoor overwogen is de rechtbank van oordeel dat hij dit in opdracht van belanghebbende heeft gedaan en dat hij hierbij namens belanghebbende is opgetreden.

4.11.

Voor het geval sprake is van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de Poolse arbeiders, stelt belanghebbende zich op het standpunt dat Nederland niet bevoegd is om te heffen over het loon dat door de Poolse arbeiders is genoten. Belanghebbende stelt dat hij in de onderhavige jaren niet in Nederland woonachtig was, maar dat hij in Polen bij zijn vrouw en kinderen woonde. Hij is in Polen ingeschreven en belanghebbende had naar eigen zeggen geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. De inschrijving in de BRP is slechts zijn postadres. Belanghebbende stelt dat hij in Nederland bijverdiende naast zijn landbouwbedrijf in Polen en slechts ten behoeve van enkele afzonderlijke projecten in Nederland was en dan op de bouwplaatsen verbleef. Volgens belanghebbende is er evenmin sprake van een vaste inrichting in Nederland. Daarom zijn de naheffingsaanslagen ten onrechte vastgesteld aldus belanghebbende.

4.12.

Op grond van artikel 15 van het belastingverdrag tussen Nederland en Polen wordt inkomen uit niet-zelfstandige arbeid belast in het land waar de werkzaamheden zijn verricht. Van dat uitgangspunt wordt afgeweken indien is voldaan aan de cumulatieve vereisten dat (1) de ontvanger van de beloning gedurende een tijdvak van twaalf maanden in totaal niet langer dan 183 dagen verblijft in de staat waar de werkzaamheden worden verricht, (2) de beloning wordt betaald door of namens een werkgever die geen inwoner is van de staat waar de werkzaamheden worden verricht en (3) de beloning niet ten laste komt van een vaste inrichting die of een vast middelpunt dat, de werkgever heeft in de staat waar de werkzaamheden zijn verricht. Als aan die drie voorwaarden is voldaan, dan mag de staat waar de ontvanger van de beloning woont, heffen over die beloning.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat de hoofdregel van toepassing is, omdat niet is voldaan aan de hiervoor onder 4.12 genoemde cumulatieve voorwaarden.

Naar de omstandigheden wordt beoordeeld waar iemand woont8. De bepaling van de fiscale woonplaats moet aan de hand van de feitelijke omstandigheden worden bepaald. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat belanghebbende in de onderhavige jaren inwoner was van Nederland. Belanghebbende is met ingang van [datum] 2012 immers weer ingeschreven als inwoner van Nederland, terwijl belanghebbende daarvoor, van [datum] 2011 tot [datum] 2012 was ingeschreven als inwoner van Polen. Belanghebbende heeft zijn stelling dat de inschrijving van belanghebbende slechts een weergave is van zijn postadres, niet nader onderbouwd. De rechtbank acht dat ook niet aannemelijk gelet op de hernieuwde inschrijving in Nederland. Uit het controlerapport9 volgt dat de eenmanszaak van belanghebbende tussen de dertig á veertig opdrachtgevers per jaar had. De duur van de opdrachten is niet in alle gevallen duidelijk, maar uit de derdenonderzoeken volgt dat er opdrachten waren die meerdere weken of zelfs maanden duurden. Deze onderneming wordt, zoals de rechtbank onder 4.9 heeft overwogen, voor rekening en risico van belanghebbende gedreven. De rechtbank acht het om die reden niet aannemelijk dat belanghebbende voornamelijk bij zijn vrouw en in Polen verbleef en slechts incidenteel in Nederland om bij te verdienen naast zijn landbouwbedrijf in Polen zoals hij zelf stelt. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van deze stelling slechts overzichten met dagen van verblijf in Polen overgelegd en gewezen op zijn inschrijving in het bevolkingsregister in [woonplaats] . Die bescheiden zien op de periode december 2015 tot en met 2016 en dus, met uitzondering van december 2015, niet op de periode waarover de inspecteur heeft nageheven. Bovendien geven die gegevens geen uitsluitsel over de verblijfplaats van belanghebbende op de dagen waar hij niet aantoonbaar in Nederland of in Polen verbleef. Belanghebbende maakt met deze bescheiden niet aannemelijk dat hij slechts incidenteel in Nederland verbleef. Met de enkele stelling dat zijn vrouw en kinderen in Polen wonen, maakt belanghebbende niet aannemelijk dat ook hij daar woonde. Belanghebbende stelt verder dat hij in Polen was ingeschreven en dat hij in Nederland op bouwplaatsen sliep. Deze stellingen maakt het voorgaande evenmin anders. Belanghebbende stond ook in Nederland ingeschreven als inwoner. De rechtbank acht aannemelijk dat hij gedurende zijn inschrijving in Nederland voornamelijk in Nederland verbleef in verband met zijn werkzaamheden waarvoor hij hier kennelijk aanwezig moest zijn. De rechtbank acht daarbij aannemelijk dat hij dan ofwel op het adres waarop hij was ingeschreven ofwel op de bouwplaatsen verbleef.

Bovendien merkt de rechtbank op dat de eenmanszaak in Nederland wordt gedreven en in Nederland wordt geleid. Voor zover belanghebbende stelt dat, uitgaande van belanghebbendes woonplaats in Polen, geen sprake zou zijn van een vaste inrichting in Nederland, kan de rechtbank die overigens niet nader onderbouwde stelling niet volgen. De rechtbank vermag niet in te zien waarom in Nederland geen vaste inrichting aanwezig zou zijn, omdat alle activiteiten in verband met de onderneming vanuit Nederland worden verricht. Er is geen enkele aannemelijke activiteit die in verband met de onderhavige onderneming vanuit Polen zou zijn verricht. Ook als de rechtbank er veronderstellenderwijs van uitgaat dat belanghebbende in Polen woont, is Nederland dus bevoegd om te heffen

4.14.

Gelet op het voorgaande zijn de naheffingsaanslagen naar het oordeel van de rechtbank terecht aan belanghebbende opgelegd. Uit onderdeel 9 van het rapport en de daarbij behorende bijlage volgt een verschuldigd bedrag aan loonbelasting van € 85.340,34 (2013), € 133.875,05 (2014) respectievelijk € 194.647,59 (2015). Het bedrag aan verschuldigde premies werkgeversverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet bedraagt volgens het rapport en de daarbij behorende bijlage € 20.456,48 (2013), € 36.614,76 (2014) respectievelijk € 52.624,94 (2015). In totaal is het bedrag aan verschuldigde loonheffingen volgens het rapport dus € 523.559,16. De inspecteur heeft echter een bedrag van € 641.276 aan loonheffing nageheven. De inspecteur heeft tijdens de zitting geen enkele verklaring kunnen geven voor dit verschil. De rechtbank zal de naheffingsaanslagen verminderen met € 117.716,84.10 Niet inzichtelijk is wat het verschil per naheffingsaanslag bedraagt tussen de in het rapport genoemde bedragen aan loonheffingen en de daadwerkelijk nageheven loonheffingen. De rechtbank zal dit bedrag daarom in het voordeel van belanghebbende in mindering brengen op de naheffingsaanslagen over de oudste periodes. Bij die naheffingsaanslagen is immers de periode waarover rente is verschuldigd, het langst. Voor het overige blijven de naheffingsaanslagen in stand.

4.15.

De vraag of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard kan naar het oordeel van de rechtbank in het midden blijven. De rechtbank heeft dat ook gedaan en is hiervoor op basis van de normale bewijslastregels tot het oordeel gekomen dat de inspecteur, behoudens het vermelde in 4.14, terecht naheffingsaanslagen heeft vastgesteld. Het oordeel onder 4.14 zou bij omkering en verzwaring van de bewijslast niet anders zijn. In dat geval dient de inspecteur namelijk uit te gaan van een redelijke schatting en daarvan is geen sprake als niet verklaarbaar is waarom meer is nageheven dan in het rapport is vermeld.

4.16.

De naheffingsaanslagen over januari 201311, februari 201312 en maart 201313 worden door de rechtbank vernietigd. Dat geldt eveneens voor de daarbij gegeven rentebeschikkingen. De naheffingsaanslag die ziet op april 201314 wordt door de rechtbank verminderd tot € 882.15 De rentebeschikking bij die aanslag wordt dienovereenkomstig verminderd.

III. De vergrijpboeten

4.17.

De inspecteur heeft vergrijpboeten opgelegd op grond van artikel 67f Algemene wet inzake rijksbelastingen. Volgens de inspecteur is het aan de grove schuld van belanghebbende te wijten dat de verschuldigde loonheffingen niet zijn betaald.

4.18.

Belanghebbende heeft meerdere keren verklaard dat [heer Z] naast de eerder genoemde taken ook de administratie voor belanghebbende verzorgde. [heer Z] heeft verklaard dat hij de door hem bijgehouden administratie naar [toenmalig adviseur] bracht. Die gang van zaken is door de inspecteur niet weersproken. Dat betekent dat de inspecteur niet kan volstaan met het aannemelijk maken van grove schuld door [toenmalig adviseur] of [heer Z] . Toerekening van grove schuld is immers niet mogelijk, tenzij belanghebbende niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van en de samenwerking met de door hem ingeschakelde derden.16 Niet alleen [toenmalig adviseur] is naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als een door belanghebbende ingeschakelde derde, maar ook [heer Z] . [heer Z] treedt immers op en presenteert zichzelf als een zelfstandig adviseur, bemiddelaar en communicatiemanager. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur niet aannemelijk maakt dat belanghebbende bij die samenwerking niet redelijkerwijs de zorg heeft betracht die van belanghebbende kan worden gevergd. Daarmee is van grove schuld bij belanghebbende zelf naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De vergrijpboeten worden vernietigd.

IV. Schadevergoeding

4.19.

Belanghebbende heeft verzocht om een schadevergoeding van € 25.000. De ontvanger heeft naar aanleiding van de opgelegde naheffingsaanslagen beslag gelegd op een Opel Vivaro van belanghebbende in het kader van versnelde invordering. Belanghebbende stelt door deze beslaglegging schade te hebben geleden voor een bedrag van € 25.000.

4.20.

De rechtbank wijst het verzoek om schadevergoeding af. Van onrechtmatig handelen door de inspecteur is geen sprake, alleen al omdat de naheffingsaanslagen voor een groot deel in stand blijven. Ook heeft belanghebbende tegenover de betwisting door de inspecteur niet met bewijsmiddelen onderbouwd dat de door hem geleden schade € 25.000 bedraagt. Voor zover belanghebbende verzoekt om een langere termijn voor de onderbouwing van de door hem gestelde schade, wijst de rechtbank dit verzoek af. Belanghebbende heeft gedurende de procedure voldoende gelegenheid gehad om de hoogte van de door hem gestelde schade te onderbouwen.

V. Integrale proceskostenvergoeding

4.21.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor toekenning van een integrale proceskostenvergoeding. Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van onzorgvuldig handelen of handelen tegen beter weten in door de inspecteur. De afwijzing van het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding behoeft geen nadere motivering.17

5 Griffierecht en proceskosten

5.1.

De inspecteur dient aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 47 te vergoeden, omdat het beroep gegrond is.

5.2.

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaken samenhangen18 met de zaken van belanghebbende met de nummers 21/3995 tot en met 21/4000. Die zaken hebben betrekking op naheffingsaanslagen omzetbelasting respectievelijk (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen die aan belanghebbende zijn opgelegd. Hoewel die beroepen aanvankelijk aanhangig zijn gemaakt bij de rechtbank Gelderland, zijn deze beroepen (nagenoeg) gelijktijdig behandeld. Ook de beroepen in die zaken zijn gegrond. Uit oogpunt van eenvoud verdeelt de rechtbank de toe te kennen kostenvergoeding niet over alle uitspraken. De kostenvergoeding waar belanghebbende op basis van alle beroepen voor in aanmerking komt, wordt door de rechtbank hierna volledig in deze uitspraak toegekend.

5.4.

De rechtbank stelt de tegemoetkoming voor de kosten van de door een derde verleende beroepsmatige rechtsbijstand op 2,5 (punten)19 x € 759 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) x 1,5 (factor samenhangende zaken) is € 2.846,25. Verder kent de rechtbank nog een bedrag van € 320 aan verletkosten toe. De hoogte van dit bedrag is door de inspecteur niet betwist. Daarbij merkt de rechtbank op dat slechts de verletkosten van belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komen en dat dit niet geldt voor zijn echtgenote. Daarnaast kent de rechtbank nog een bedrag van € 536 toe aan reis- en verblijfkosten. Ook dit bedrag is door de inspecteur niet betwist. De overige kosten die belanghebbende heeft geclaimd komen op grond van het Besluit niet voor vergoeding in aanmerking of het zijn kosten waarvan belanghebbende na betwisting door de inspecteur niet aannemelijk maakt dat die betrekking hebben op de onderhavige beroepen.

6 Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond, maar alleen voor de naheffingsaanslagen over de maanden januari 2013, februari 2013, maart 2013 en april 2013, de daarbij gegeven rentebeschikkingen en voor alle boetebeschikkingen;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar maar alleen voor de naheffingsaanslagen over de maanden januari 2013, februari 2013, maart 2013 en april 2013, de daarbij gegeven rentebeschikkingen en voor alle boetebeschikkingen;

- vernietigt de naheffingsaanslagen over de maanden januari, februari en maart 2013 en de daarbij gegeven rentebeschikkingen;

- vermindert de naheffingsaanslag over de periode april 2013 tot een bedrag van € 882;

- vermindert de rentebeschikking bij de naheffingsaanslag over de periode april 2013 dienovereenkomstig;

- vernietigt de boetebeschikkingen die zijn gegeven bij alle onderhavige naheffingsaanslagen20;

- bepaalt dat de inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht van € 47 vergoedt;

- veroordeelt de inspecteur in de kosten van het beroep van € 3.702,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. van der Vegt, voorzitter, mr. drs. P.C. van der Vegt en mr. H.J. Cosijn, rechters, in aanwezigheid van mr. E.J.M. Bohnen, griffier, op 31 januari 2022 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De griffier, De rechter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch. De rechters die deze uitspraak hebben gedaan, zijn normaal gesproken als raadsheer werkzaam bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch. Zij zijn in 2021 als rechter-plaatsvervanger gedetacheerd bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant. Een eventueel hoger beroep moet worden ingediend bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch, maar zal worden behandeld door raadsheren van het gerechtshof Den Haag, dat als nevenzittingsplaats van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch is aangewezen.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.

1 Artikel 8:81 Awb.

2 Artikel 1 Wet op de loonbelasting 1964 (hierna: Wet LB).

3 Artikel 6 Wet LB.

4 Artikel 2 Wet LB.

5 Hoge Raad 1 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:820.

6 Artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek.

7 Gerechtshof Amsterdam 12 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT5565.

8 Artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)

9 Bladzijde 5 van het rapport, opgenomen onder 2.10 van deze uitspraak.

10 € 641.276 - € 523,559,16 = € 117.716,84.

11 Aanslagnummer [aanslagnummer] A.0113010.

12 Aanslagnummer [aanslagnummer] A.0113020.

13 Aanslagnummer [aanslagnummer] A.0113030.

14 Aanslagnummer [aanslagnummer] A.0113040.

15 € 117.716,84 - € 59.607 - € 30.000 - € 15.667 = € 12.443; € 13.325 - € 12.443 = € 882.

16 Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2586 en Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:254.

17 Hoge Raad 5 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:4.

18 Artikel 3 van het Besluit.

19 1 punt voor beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting en 0,5 punt voor het verschijnen tijdens de nadere zitting, zie het Besluit proceskosten bestuursrecht.

20 Zie onderdeel 1.1 van deze uitspraak.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.