Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZWB:2015:3315

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Datum uitspraak
29-05-2015
Datum publicatie
17-06-2015
Zaaknummer
AWB - 14 _ 7383
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting, vrijstelling gezondheidskundige verzorging, schending neutraliteitsbeginsel

Chiropraxie is volgens de Wet op de omzetbelasting niet vrijgesteld. Belanghebbende beroept zich met succes op de BTW-richtlijn.

Zij maakt aannemelijk dat chiropraxie in concurrentie staat met fysiotherapie, dat wel is vrijgesteld. Belanghebbende heeft ook voldoende kwaliteitsniveau. De rechtbank verleent belanghebbende teruggaaf van omzetbelasting.

Wetsverwijzingen
Wet op de omzetbelasting 1968
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2015/1270
V-N 2015/39.2.4
FutD 2015-1428 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2015/2022 met annotatie van Mr. E.H.A.M. Thijssen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht, meervoudige kamer

Locatie: Breda

Zaaknummer AWB 14/7383

uitspraak van 29 mei 2015

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[belanghebbende] BV, gevestigd te [plaats X],

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

de inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De inspecteur heeft bij uitspraak van 14 november 2014 belanghebbendes bezwaar tegen de door haar op aangifte betaalde omzetbelasting afgewezen.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen bij brief van 11 december 2014, ontvangen bij de rechtbank op 12 december 2014, beroep ingesteld. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 328.

1.3.

De inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan de inspecteur.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2015 te Breda.

Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbende in de persoon van haar bestuurder [A], vergezeld van belanghebbendes gemachtigden, [gemachtigden], alsmede van [B] en [C], en namens de inspecteur, [verweerder].

1.6.

De rechtbank heeft het onderzoek gesloten en een schriftelijke uitspraak aangekondigd.

1.7.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt waarvan een afschrift met deze uitspraak is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende exploiteert een chiropraxiepraktijk en is ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). [A] voornoemd (hierna: [A]) voert de behandelingen namens belanghebbende uit. [A] verricht geen fysiotherapie.

2.2.

[A] heeft in België een universitair diploma in de motorische revalidatie en kinesitherapie (fysiotherapie) behaald en in het Verenigd Koninkrijk een universitaire opleiding tot chiropractor met succes afgerond.

2.3.

[A] is lid van de Nederlandse Chiropractoren Associatie (NCA) en is ingeschreven in het kwaliteitsregister van de Stichting Chiropractie Nederland (SCN). Belanghebbende beschikt over een zogenaamde AGB-code ten behoeve van declaraties bij de zorgverzekeraars.

2.4.

Voor het beroep van chiropractor zijn geen regels gesteld bij of krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (hierna: de Wet BIG). Er bestaan in Nederland geen opleidingen tot chiropractor.

2.5.

Belanghebbende heeft over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 maart 2013 € 22.013 aan omzetbelasting op aangifte voldaan.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of belanghebbende recht heeft op teruggaaf van € 22.013 aan omzetbelasting. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de chiropraktische behandelingen van belanghebbende vrijgesteld zijn. Belanghebbende beantwoordt de vraag bevestigend en de inspecteur is de tegenovergestelde mening toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken en op wat ter zetting nog hebben aangevoerd.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot teruggaaf van € 22.013 aan omzetbelasting. De inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Artikel 132 van de Btw-richtlijn luidt voor zover hier van belang:

1. De lidstaten verlenen vrijstelling voor de volgende handelingen:

(...)

c) medische verzorging in het kader van de uitoefening van medische en paramedische

beroepen als omschreven door de betrokken lidstaat;”.

4.2.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, aanhef en onder g, ten eerste en onder a, van de Wet zijn van de omzetbelasting vrijgesteld: de diensten op het vlak van de gezondheidskundige verzorging van de mens door beoefenaren van een medisch of paramedisch beroep die een op dit beroep gerichte opleiding hebben voltooid waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, voor zover deze diensten tot het gebied van deskundigheid van dit beroep behoren en onderdeel vormen van bedoelde opleiding.

4.3.

Uit jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (onder meer het arrest van 27 april 2006, Solleveld en Van den Hout-van Eijnsbergen, C‑443/04 en C‑444/04, ECLI:EU:C:2006:257) volgt dat het de lidstaten vrij staat de beroepen te omschrijven die onder de in artikel 132, lid 1, aanhef en onderdeel c, van de Btw-richtlijn bedoelde vrijstelling (hierna: de vrijstelling) vallen en dat zij daarbij een beoordelingsvrijheid hebben op grond waarvan zij zowel de voor de uitoefening van die beroepen vereiste kwalificaties mogen omschrijven als de specifieke werkzaamheden op het gebied van de gezondheidskundige verzorging van de mens die deel uitmaken van die beroepen. Deze beoordelingsvrijheid wordt slechts begrensd door de eis dat de gezondheidskundige verzorging een zeker kwaliteitsniveau heeft alsmede door het neutraliteitsbeginsel. Het neutraliteitsbeginsel verzet zich ertegen dat soortgelijke diensten, die dus met elkaar in concurrentie staan, uit het oogpunt van de Btw verschillend worden behandeld. Indien de beroepskwalificaties niet identiek zijn, kan gezondheidskundige verzorging alleen als soortgelijk worden aangemerkt voor zover deze voor de zorgontvanger een gelijkwaardig kwaliteitsniveau heeft.

4.4.

Niet in geschil is dat chiropraxie-diensten niet zijn vrijgesteld volgens de Wet. Het geschil spitst zich toe op de vraag of het fiscale neutraliteitsbeginsel eraan in de weg staat om belanghebbende de vrijstelling te onthouden. Niet in geschil dat chiropraxie onder de medische verzorging geschaard kan worden zoals bedoeld in voormeld richtlijnartikel en dat belanghebbende voor zover het de chiropraxie-handelingen betreft over een voldoende kwaliteitsniveau beschikt.

4.5.

Belanghebbende heeft – zakelijk weergegeven – gesteld dat chiropraxie concurreert met fysiotherapie en dat het neutraliteitsbeginsel geschonden wordt doordat fysiotherapie wel onder de wettelijke vrijstelling valt en chiropraxie niet. De kern van het standpunt van de inspecteur is dat fysiotherapie en chiropraxie niet soortgelijk zijn vanuit het oogpunt van de consument aangezien de behandeltechnieken verschillen.

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat op belanghebbende, die zich op de vrijstelling beroept, de bewijslast rust. Belanghebbende heeft gemotiveerd en onvoldoende weersproken aangevoerd dat 80% van het werkdomein van fysiotherapeuten en chiropractors hetzelfde is. Belanghebbende heeft voorts onvoldoende weersproken aangevoerd dat patiënten naar hem worden verwezen door huisartsen en fysiotherapeuten en dat de kosten (deels) worden vergoed via de aanvullende verzekering door zorgverzekeraars. Gelet op deze omstandigheden dient naar het oordeel van de rechtbank de kwaliteit van chiropraxie-behandelingen door belanghebbende als gelijkwaardig te worden aangemerkt als die van fysiotherapie-behandelingen (vgl. Hoge Raad 27 maart 2015, 13/02667, ECLI:NL:HR:2015:744). De door de inspecteur gestelde omstandigheid dat fysiotherapie deels wel en chiropraxie niet uit de basisverzekering wordt vergoed, kan daaraan niet afdoen, nog ervan afgezien dat fysiotherapie slechts in bijzondere gevallen onder de basisverzekering valt. Het gaat er immers om dat chiropraxie in elk geval wel via de aanvullende verzekering vergoed wordt, hetgeen een aanwijzing is voor het kwaliteitsniveau van de behandelingen. Ook de door de inspecteur aangevoerde omstandigheid dat de behandeltechnieken verschillen, leidt niet tot een ander oordeel. Dat sprake is van een verschil in behandeltechniek staat er immers niet aan in de weg dat bezien vanuit de zorgontvanger sprake is van een gelijkwaardig kwaliteitsniveau (vgl. Hoge Raad 27 maart 2015, 13/02667, ECLI:NL:HR:2015:744, waarin (onder meer) magnetiseren aan de orde was). Een en ander brengt de rechtbank tot het oordeel dat chiropraxie en fysiotherapie zich in die mate tot elkaar verhouden dat het onthouden van de vrijstelling voor chiropraxie een schending oplevert van meergenoemd neutraliteitsbeginsel. Voor dat geval is niet in geschil dat belanghebbende recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting van € 22.013.

4.7.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard.

5 Proceskosten

De rechtbank vindt aanleiding de inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.224 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, met een waarde per punt van € 244, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 490 en een wegingsfactor 1). Overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn niet gesteld.

6 Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    verleent teruggaaf van omzetbelasting voor een bedrag van € 22.013;

- veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van
€ 1.224;

- gelast dat de inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 328 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 29 mei 2015 door mr.drs. M.M. de Werd, voorzitter, mr. C.A.F.M. Stassen en mr. M.R.T. Pauwels, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Mies, griffier.

De griffier, de voorzitter,

Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:

Aan deze uitspraak hoeft eerst uitvoering te worden gegeven als de uitspraak onherroepelijk is geworden. De uitspraak is onherroepelijk als niet binnen zes weken na verzending van de uitspraak een rechtsmiddel is aangewend of onherroepelijk op het aangewende rechtsmiddel is beslist (artikel 27h, derde lid en artikel 28, zevende lid AWR).

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ ’s-Hertogenbosch.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Voor burgers is het mogelijk hoger beroep digitaal in te stellen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de formulieren op Rechtspraak.nl / Digitaal loket bestuursrecht.