vonnis
RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 161201 / KG ZA 09-411
Vonnis in kort geding van 4 november 2009
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. N.R.H. Boasman- Trustfull te Almere,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[gedaagde sub 1] EN PARTNERS B.V.,
gevestigd te [woonplaats],
2. [gedaagde sub 2],
in zijn functie als gerechtsdeurwaarder te [woonplaats],
gedaagden,
advocaat mr. J.D. van Vlastuin te Utrecht.
Partijen zullen hierna [eiser], [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 augustus 2009 met producties
- de mondelinge behandeling van 25 augustus 2009
- de pleitnota van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]
- het proces-verbaal van 25 augustus 2009
- de akte van 6 oktober 2009 van [eiser] tevens houdende akte vermeerdering van eis, met producties
- de brief van 16 oktober 2009 van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met producties.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1. [gedaagde sub 2] is gerechtsdeurwaarder te [woonplaats] en als zodanig werkzaam bij [gedaagde sub 1].
2.2. Op 12 juni 2008 is door [gedaagde sub 2] in zijn hoedanigheid van deurwaarder executoriaal beslag gelegd ten laste van [eiser] onder de Belastingdienst op een aan [eiser] toekomende voorlopige teruggave. De beslagvrije voet is daarbij bepaald op nihil.
2.3. Voor 12 juni 2008 was beslag gelegd door een andere deurwaarder op het reguliere inkomen van [eiser], zijnde een uitkering. Voorts is er sprake van nog een derde deurwaarder die beslag ten laste van [eiser] heeft gelegd.
2.4. Bij beschikking van 7 juli 2009 (zaaksnummer 516.2008) heeft de Kamer voor Gerechtsdeurwaarders te Amsterdam een door [eiser] tegen [gedaagde sub 2] ingestelde klacht gegrond verklaard. De Kamer heeft daarbij onder 4.2 van de beschikking overwogen:
“De gerechtsdeurwaarder (lees: [gedaagde sub 2]) had de beslagvrije voet echter hoogstens mogen halveren indien er sprake was van het verschaffen van gebrekkige informatie door klaagster (lees: [eiser]). Door de beslagvrije voet in strijd met de wet op nihil te bepalen heeft de gerechtsdeurwaarder dan ook ernstig verwijtbaar gehandeld.”
en
“Eveneens staat vast dat de gerechtsdeurwaarder tegen klaagster heeft gezegd dat hij pas tot aanpassing van de beslagvrije voet zou overgaan indien klaagster zou instemmen met een regeling.”
2.5. [gedaagde sub 2] heeft tegen voormelde beschikking hoger beroep ingesteld.
2.6. Bij brief van 29 september 2009 heeft [gedaagde sub 1] aan [eiser] onder meer meegedeeld:
“Met betrekking tot de meegezonden uitspraak van de tuchtkamer: reeds vanaf het begin van de discussie hebben wij aangegeven dat indien er teveel is ingehouden, dit uiteraard wordt gerestitueerd. Echter zoals uit onze berekening blijkt is er niet teveel ingehouden, zodat van enige restitutie geen sprake kan zijn.”
3. Het geschil
3.1. [eiser] vordert na vermeerdering van eis samengevat - veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling van EUR 3.307,49, vermeerderd met rente en kosten.
3.2. [eiser] heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig handelen door een onjuiste toepassing van de regels terzake de beslagvrije voet en vervolgens te weigeren de te veel ingehouden bedragen te restitueren.
3.3. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
4.1. De gevorderde voorziening strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.
4.2. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben als primair verweer aangevoerd dat zij ten onrechte in rechte zijn betrokken. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] had [eiser] de vordering tegen hun opdrachtgever moeten instellen.
4.3. Voormeld verweer gaat niet op. Weliswaar handelt de deurwaarder in opdracht van zijn opdrachtgever, maar dat laat onverlet dat het zijn zelfstandige taak is om de beslagvrije voet juist te berekenen en hier bij de executoriale beslaglegging rekening mee te houden.
4.4. Het subsidiaire verweer van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dat niet onrechtmatig is gehandeld indien gekeken wordt naar de gehele periode van beslaglegging, treft ook geen doel. De beslagvrije voet is het bedrag dat bij inkomensbeslagen moet worden vrijgelaten. Dit is een minimum aan inkomen dat de beslagene maandelijks ter beschikking staat voor zijn of haar levensonderhoud. Ratio van het stellen van deze ondergrens is het voorkomen dat een beslagene een beroep op een bijstandsuitkering moet doen om in zijn of haar levensonderhoud te voorzien. Voorts volgt uit art. 475d lid 1 Rv dat alleen met gewijzigde omstandigheden ten gunste van de beslagene rekening wordt gehouden (zie ook Tweede Kamer, vergaderjaar 1986-1987, 17897, nr. 5, blz. 13). Het is in strijd met voormelde uitgangspunten om de maanden waarin te veel is beslagen te verrekenen met de maanden waarin de beslagruimte niet volledig is benut. Bovendien betrekken [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in hun bij brief van 16 oktober 2009 overgelegde financiële opstelling ook beslagobjecten die niet door [gedaagde sub 2] zijn beslagen, maar (gemakshalve) door hen wel worden aangemerkt als verhaalsobjecten waaruit opbrengsten ten bate van hun opdrachtgevers gegenereerd kunnen worden.
4.5. Bij de verdere beoordeling dient er dan ook van uit te worden gegaan dat de wettelijke regels terzake beslaglegging niet correct zijn toegepast, hetgeen onrechtmatig jegens [eiser] te achten is.
4.6. Ter onderbouwing van de hoogte van haar vordering beroept [eiser] zich op ‘bijlage 1’ van haar brief van 23 september 2009. Deze brief met bijlage is bij akte van 6 oktober 2009 in het geding heeft gebracht.
4.7. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben bij brief van 16 oktober 2009 de hoogte van de vordering gemotiveerd betwist. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] heeft de Belastingdienst niet EUR 6.718,-- afgedragen, maar EUR 4.618,--. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen voorts dat, anders dan in de berekening van [eiser] is opgenomen, in juni 2008, januari 2009, februari 2009 en maart 2009 geen bedragen van de Belastingdienst zijn ontvangen. Daarnaast stellen zij dat zij in overleg met hun opdrachtgevers hebben besloten een bedrag van EUR 753,21 te restitueren, hetgeen ook op 16 oktober 2009 zou hebben plaatsgevonden. Voorts maken [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] melding van een terugbetaling van EUR 300,67 aan de advocaat van [eiser] op grond van een door de Belastingdienst te hoog afgedragen bedrag over de maand september 2009.
4.8. Om de hoogte van het aan [eiser] terug te betalen bedrag te bepalen, is nader bewijsvoering noodzakelijk. Daar leent een kort geding zich niet voor. Er kan derhalve niet met voldoende mate van zekerheid op het van de bodemrechter te verwachten oordeel over de omvang van de vordering worden vooruitgelopen. Bovendien is sprake van een aanzienlijk restitutierisico.
4.9. De voorzieningenrechter geeft partijen in overweging in onderling overleg een regeling te treffen terzake de in overweging 4.7. vermelde posten.
4.10. Slotsom is dat de vordering niet voor toewijzing in aanmerking komt.
4.11. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen ([gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] over het onrechtmatige karakter van de uitvoering van de beslaglegging en [eiser] over de toewijsbaarheid van het gevorderde bedrag), zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1. wijst de vorderingen af,
5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.W.F. Houthoff en in het openbaar uitgesproken op 4 november 2009.