Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BM2047

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-04-2010
Datum publicatie
22-04-2010
Zaaknummer
KG ZA 10-407
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding; de beslissing van de minister om eiser aan Bosnië-Herzegovina uit te leveren is niet onrechtmatig. De beslissing van de minister is wel onvoldoede gemotiveerd en onjuist, maar deze omissie is niet zodanig dat er sprake is van een onrechtmatige daad jegens eiser. Het is in deze zaak onvoldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van een schending van artikel 6, artikel 3 dan wel artikel 8 EVRM, zoals eiser stelt. De vorderingen van eiser worden afgewezen

Wetsverwijzingen
Uitleveringswet
Uitleveringswet 28
Uitleveringswet 33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2010/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

Vonnis in kort geding van 22 april 2010,

gewezen in de zaak met zaak- / rolnummer: 362587 / KG ZA 10-407 van:

[eiser],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting te Zoetermeer,

eiser,

advocaat mr. B.D.W. Martens te ’s-Gravenhage,

tegen:

de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie),

zetelende te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te ’s-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 13 april 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. In februari 2007 hebben de autoriteiten van Bosnië-Herzegovina (hierna: Bosnië) “[eiser], geboren op [geboortedatum]1968 te [geboorteplaats]” internationaal gesignaleerd met het oog op zijn uitlevering in verband met – zakelijk weergegeven – de verdenking van oorlogsmisdrijven begaan tegen krijgsgevangenen.

Eiser heeft onder meer de Nederlandse nationaliteit.

1.2. Op 23 februari 2007 is eiser aangehouden en in het huis van bewaring Haaglanden, locatie Zoetermeer, in bewaring gesteld. Op 15 maart 2007 is eiser in vrijheid gesteld, omdat het originele uitleveringsverzoek van de autoriteiten van Bosnië niet tijdig was ontvangen.

1.3. Op 19 juni 2007 heeft gedaagde een origineel uitleveringsverzoek van de autoriteiten van Bosnië ontvangen.

1.4. Bij brief van 25 augustus 2008 is door de minister van justitie van Bosnië de garantie verstrekt dat eiser, na zijn eventuele onherroepelijke veroordeling tot een vrijheidsstraf, naar Nederland kan terugkeren om zijn straf te ondergaan en dat deze straf kan worden omgezet via de omzettingsprocedure.

1.5. Op 4 november 2008 is eiser opnieuw in uitleveringsdetentie genomen.

1.6. De uitleveringskamer van deze rechtbank heeft op 5 juni 2009 de uitlevering van eiser aan Bosnië toelaatbaar verklaard ter zake van het feit waarvoor zijn uitlevering is gevraagd. In deze uitspraak wordt, voor zover thans van belang, het door eiser gevoerde verweer dat hij onschuldig is en dat hij niet degene is die in het uitleveringsverzoek wordt genoemd, verworpen. Hiertoe wordt onder meer in rechtsoverweging 6.6.2 het volgende overwogen (waarbij eiser wordt aangeduid met de opgeëiste persoon):

“Ter zitting heeft de opgeëiste persoon immers bevestigd dat:

- hij is genaamd [naam eiser];

- hij is geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats];

- [A] de voornaam van zijn vader is;

- zijn moeder is genaamd [B]; en dat

- [bijnaam] zijn bijnaam is,

zoals vermeld in de door de autoriteiten van Bosnië en Herzegovina overgelegde stukken, waaronder de beslissing van het kantongerecht te Bihac van 16 november 2001 tot het instellen van een onderzoek tegen de opgeëiste persoon en in het bevel van dit kantongerecht van 8 januari 2007 met betrekking tot de uitvaardiging van een internationaal opsporingsbevel tegen de opgeëiste persoon.

Ten aanzien van de stelling van de verdediging dat in de stukken verschillende geboortedata worden genoemd, stelt de rechtbank vast dat uitsluitend in de Nederlandse vertaling van het verzoek van de aanklager bij het kantongerecht te Bihac van 23 augustus 2001 een andere geboortedatum wordt genoemd.”

1.7. Bij advies van 5 juni 2009 heeft de uitleveringskamer van deze rechtbank de minister van justitie (hierna: de minister) geadviseerd toewijzend op het uitleveringsverzoek te beschikken.

1.8. Bij arrest van 1 december 2009 heeft de Hoge Raad het door eiser ingestelde cassatieberoep met toepassing van artikel 81 Wet op de Rechterlijke Organisatie verworpen.

1.9. Bij brief van 14 december 2009 heeft de advocaat van eiser aan de minister het standpunt van eiser uiteengezet waarom de uitlevering van eiser aan Bosnië niet moet worden toegestaan. In deze brief stelt eiser zich – kort gezegd – op het standpunt dat er sprake is van feiten en omstandigheden op basis waarvan aannemelijk is dat eiser geen schuld kan hebben aan het hem tenlastegelegde feit. Tevens wordt in deze brief uiteengezet dat er volgens eiser sprake is van schending van artikel 3 en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

1.10. Teneinde te kunnen beslissen over de uitlevering van eiser heeft de minister bij brief van 12 januari 2010 het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken gevraagd om de volgende vragen te beantwoorden:

“1. Kunt u aangeven hoe de detentiesituatie voor betrokkene zou zijn? In het bijzonder of betrokkene als buitenlander in aanmerking komt voor plaatsing in een specifieke gevangenis onder een specifiek regime?

2. Hebben uw medewerkers in zijn algemeenheid vrij toegang tot Nederlandse gedetineerden? Bent u vanuit dat kader feitelijk bekend met de detentieomstandigheden van Nederlandse gedetineerden?

3. Bent u in de positie tijdens de – mogelijke – detentieperiode in Bosnië-Herzegovina contact te onderhouden met betrokkene?

Eventueel, na specifieke afspraken met het Ministerie van Justitie van Bosnië-Herzegovina.”

1.11. In reactie op de onder 1.10 genoemde brief heeft de minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister van Buza) bij brief van 9 februari 2010, onder meer het volgende aan de minister medegedeeld:

“1. Er is in Bosnië-Herzegovina nog geen staatsgevangenis, maar met de bouw daarvan is begonnen. Detentie vindt nu plaats in gevangenissen in de twee entiteiten, de Federatie Bosnië-Herzegovina, waar voornamelijk etnische Kroaten en Bosniaken (moslims) wonen en de Republika Srpska (RS) waar voornamelijk Serven wonen..

Gevangenissen in Bosnie-Herzegovina zijn oud, veelal 'overbevolkt' en worden slecht onderhouden. Voeding en (basis-)medische verzorging zijn meestal redelijk. Bosnische-Serven worden doorgaans gedetineerd in de Republika Srpska. Kroaten en Bosniaken (moslims) worden meestal gedetineerd in een gevangenis in de Federatie Bosnië-Herzegovina.

Gedetineerden met (tweede) buitenlandse nationaliteit worden niet in speciale gevangenissen geplaatst, evenmin is er sprake van een specifiek regime.

2. Ja. Medewerkers van de ambassade hebben vrij toegang tot Nederlandse gedetineerden. Een telefonische aankondiging bij gevangenissen dat een consulaire medewerker een Nederlandse gedetineerde wil bezoeken, is in de regel al voldoende om een akkoord voor toegang te verkrijgen. Ambassade-medewerkers gaan periodiek-regulier op gedetineerdenbezoek en zijn derhalve feitelijk bekend met de detentieomstandigheden van Nederlandse gedetineerden. Medewerkers van de ambassade hebben de afgelopen jaren regelmatig Nederlanders in detentie bezocht. Er heeft zich in de afgelopen periode één geval voorgedaan waar een Nederlandse gedetineerde zich bedreigd voelde in een gevangenis. Met hulp van de Nederlandse ambassade is deze gedetineerde naar een andere gevangenis overgeplaatst.

3. Ja. De ambassade zal tijdens een -mogelijke- detentieperiode regelmatig contact kunnen onderhouden met betrokkene, zoals dit ook geldt voor andere Nederlandse gedetineerden in Bosnie-Herzegovina. Ook bipatride Nederlandse gedetineerden kunnen door de ambassade worden bezocht. In de meeste gevallen hebben bipatride gedetineerden behalve de Nederlandse ook de Bosnische nationaliteit.

[…]

Rechtsgang (artikel 6 EVRM)

Over de rechtsgang in Bosnië-Herzegovina kan worden gemeld dat op staatsniveau de internationale gemeenschap betrokken is bij de War Crimes Chamber van de State Court. Zo zijn er internationale rechters en openbare aanklagers werkzaam in Bosnië. In het algemeen is de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht vrij stevig. Er zijn derhalve geen duidelijke aanwijzingen dat betrokkene geen eerlijk proces zou krijgen.

Mensenrechtensituatie

Met betrekking tot mensenrechtenschendingen als mishandeling van gedetineerden diene het volgende. In het algemeen ambtsbericht Bosnië-Herzegovina van november 2003 wordt gesteld dat volgens de grondwet in beide entiteiten een ieder gevrijwaard dient te blijven van mishandeling en foltering, maar dat het in de praktijk kan voorkomen dat de politie mensen mishandelt gedurende detentie. Ook mensenrechtenrapportages uit 2007 en 2008 maken melding van mogelijke mishandeling in gevangenissen. Het internationale toezicht is echter dermate groot, dat de mogelijkheid dat betrokkene in detentie zou worden blootgesteld aan mishandeling gering kan worden geacht.”

1.12. Bij beschikking van 11 maart 2010 heeft de minister, mede gezien hetgeen in de brief van de minister van Buza van 9 februari 2010 is uiteengezet, alle in de onder 1.9 genoemde brief namens eiser aangevoerde verweren verworpen en de uitlevering van eiser aan Bosnië Herzegovina toegestaan (hierna: de beschikking). In de beschikking wordt, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

“4.2 Bij brief van 14 december 2009 stelt de raadsman zich namens de opgeëiste persoon op het standpunt dat – kort gezegd – sprake is van feiten en omstandigheden op basis waarvan aannemelijk is dat de opgeëiste persoon geen schuld kan hebben aan het hem tenlastegelegde feit.

De vraag of de opgeëiste persoon al dan niet schuldig kan zijn aan het hem tenlastegelegde feit betreft een inhoudelijke beoordeling. In de uitleveringsprocedure is op grond van artikel 28 lid 2 Uitleveringswet alleen ruimte voor een toetsing of onschuld onverwijld kan worden aangetoond. Deze toetsing is voorbehouden aan de rechter. In casu heeft de Rechtbank Den Haag geoordeeld dat het onschuldverweer niet voor inwillig vatbaar was. Aan de Minister komt terzake geen aanvullende toetsing toe. Voor het overige is een oordeel over (on)schuld bij uitstek voorbehouden aan de rechter van de verzoekende staat, in casu de Federale Republiek van Bosnië en Herzegovina. In dit kader is van belang dat de Federale Republiek van Bosnië en Herzegovina partij is bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM). (…).”

2. De vorderingen, de gronden daarvoor en het verweer

2.1. Eiser vordert na eiswijziging – zakelijk weergegeven – primair: gedaagde te verbieden eiser uit te leveren aan Bosnië en subsidiair: gedaagde te verbieden om eiser aan Bosnië uit te leveren zo lang Bosnië niet aan Nederland de garantie heeft gegeven dat het voorarrest niet langer zal duren dan 4 maanden en de garantie heeft gegeven dat Bosnië aan eiser een bedrag van € 1.000,-- per dag zal betalen voor iedere dag dat het voorarrest langer duurt dan 4 maanden. Daarnaast maakt eiser aanspraak op de proceskosten.

2.2. Daartoe voert eiser in hoofdzaak – samengevat – het volgende aan. Gedaagde heeft ten onrechte geen kennis willen nemen van de door eiser bij de onder 1.9 genoemde brief van 14 december 2009 ingebrachte aanvullende bewijsstukken, waaruit de onschuld van eiser blijkt. Gedaagde heeft deze stukken aldus ten onrechte niet in de beschikking betrokken. Het is in strijd met artikel 6 lid 1 EVRM om eiser desondanks uit te leveren. Hierdoor handelt gedaagde onrechtmatig jegens eiser. Daarnaast is er sprake van een dreigende schending van artikel 3 EVRM. Eiser vreest voor een onmenselijke behandeling in Bosnië. Bosnië voldoet nog lang niet aan de eisen die de Europese Unie aan het lidmaatschap stelt, zodat er niet zonder meer van mag worden uitgegaan dat ieder die zich binnen de jurisdictie van Bosnië bevindt zich met vrucht kan beroepen op de bepalingen uit het EVRM. Voorts blijkt uit internationale rapporten en jurisprudentie dat de detentieomstandigheden in Bosnië slecht zijn en dat er misstanden plaatsvinden. Verder wordt in deze rapporten aangegeven dat er geen goede instrumenten bestaan om mogelijke misstanden in de gevangenissen aan het licht te brengen. De afweging die de minister in de beschikking maakt is – zonder enig nader onderzoek – onvoldoende en onzorgvuldig. De rechten van eiser zijn onvoldoende gewaarborgd door de enkele stelling dat medewerkers van de Nederlandse ambassade bij hem op bezoek kunnen komen. Gedaagde handelt onrechtmatig jegens eiser om zijn uitlevering desondanks toch toe te staan. Voorts heeft eiser aangevoerd dat er sprake is van een dreigende schending van artikel 8 EVRM. Eiser vreest dat hij gedurende lange periode in voorarrest moet verblijven indien hij naar Bosnië wordt uitgeleverd. De duur van het voorarrest zal met name lang zijn, omdat het rechtssysteem in Bosnië niet is toegerust op ingewikkelde zaken. Gedurende zijn voorarrest zal contact met zijn familie, echtgenote en dochter in Nederland, praktisch onmogelijk zijn. Dit brengt een dreigende flagrante schending van artikel 8 EVRM met zich.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Eiser legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat gedaagde jegens hem onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

3.2. In deze procedure moet de vraag worden beantwoord of gedaagde, door het verzoek van Bosnië om uitlevering van eiser te honoreren, zich schuldig maakt aan onrechtmatig handelen jegens eiser. De minister heeft, als orgaan van gedaagde, volgens vaste jurisprudentie een eigen verantwoordelijkheid om al dan niet tot uitlevering te besluiten ondanks toelaatbaarverklaring door de rechter, waarbij de beleidsvrijheid van de minister wordt ingeperkt door de verplichtingen die voortvloeien uit het EVRM. Voorts geldt dat een verdragsrechtelijke verplichting van gedaagde tot uitlevering – zoals hier in beginsel aanwezig is tegenover Bosnië – slechts dan wijkt voor de ingevolge artikel 1 EVRM op gedaagde rustende verplichting om de rechten van dit verdrag te verzekeren, indien (i) blijkt dat gedaagde door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op enig aan hem ingevolge het EVRM toekomend recht, en (ii) voorts naar aanleiding van een voldoende onderbouwd betoog is komen vast te staan dat hem na zijn uitlevering niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat ter zake van die inbreuk.

Schending artikel 6 lid EVRM?

3.3. Eiser heeft zich ten eerste op het standpunt gesteld dat het gedaagde moet worden verboden om eiser uit te leveren aan Bosnië, aangezien uit het door eiser bij brief van 14 december 2009 overgelegde aanvullende bewijsmateriaal (hierna het aanvullende bewijsmateriaal) blijkt dat eiser onschuldig is. De minister kon in de beschikking niet volstaan met de enkele overweging dat nu de uitleveringskamer in de beslissing van 5 juni 2009 het onschuldverweer reeds heeft verworpen, de minister geen aanvullende bevoegdheid toekomt om het aanvullende bewijsmateriaal te toetsen.

3.4. Vooropgesteld wordt dat het oordeel van de uitleveringskamer, gelet op artikel 33 van de Uitleveringswet, formeel niet meer betekenis heeft dan een advies. De minister kan – tenzij de uitlevering ontoelaatbaar is verklaard – ervan afwijken, bijvoorbeeld omdat de beslissing van de rechtbank kennelijk op een fout of een vergissing berust, of omdat de omstandigheden zich inmiddels hebben gewijzigd, of omdat de minister met betrekking tot een bepaalde rechtsvraag een andere opvatting is toegedaan dan de rechter of om welke andere reden ook. Het oordeel van de uitleveringsrechter dat de uitlevering toelaatbaar is, bindt de minister dan ook niet. Voor het inwilligen van een uitleveringsverzoek draagt de minister volledige verantwoordelijkheid en kan daarop in rechte worden aangesproken. Hierbij is van belang dat de voorzieningenrechter slechts een marginale beoordeling toekomt.

3.5. De voorzieningenrechter is met eiser van oordeel dat de minister in de beschikking ten aanzien van het aanvullende bewijsmateriaal niet kan volstaan met de enkele overweging dat hem geen aanvullende bevoegdheid toekomt om dit bewijsmateriaal te toetsen. In zoverre is de beschikking onvoldoende gemotiveerd en onjuist. De vraag of deze omissie zodanig is dat er sprake is van een onrechtmatige daad jegens eiser, moet echter ontkennend worden beantwoord. Hiertoe is het volgende van belang.

3.6. Ter zitting heeft gedaagde nader uiteengezet dat het aanvullende bewijsmateriaal niet tot het oordeel kan leiden dat geen sprake is van een vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 28 lid 2 van de Uitleveringswet. Een Bosnische rechter heeft een arrestatiebevel tegen eiser uitgevaardigd, waarvan moet worden uitgegaan nu er geen grond is om aan te nemen dat dát bevel zonder enig vermoeden van schuld tegen eiser zou zijn uitgevaardigd. Eiser heeft ook niet betoogd dat hij ten tijde van de feiten elders verbleef; hij heeft daarentegen tegenover de rechtbank erkend dat hij ten tijde van de feiten in de buurt van de in het arrestatiebevel genoemde plaats verbleef. Hij heeft ook erkend dat hij deel uitmaakte van de groepering genaamd Volksverdediging van de Autonome Provincie, zoals in het arrestatiebevel vermeld. Daaraan kan het aanvullende bewijsmateriaal niet afdoen, aldus nog steeds gedaagde. Voorts roept het aanvullende bewijs volgens gedaagde de nodige vragen op, die in dit kortgeding niet kunnen worden beantwoord. Zo worden in het aanvullende bewijsmateriaal verschillende data genoemd waarop het slachtoffer zou zijn gedood, lichten de personen die de verklaringen hebben afgelegd niet toe hoe zij weten wie eiser is en blijkt uit de verklaring van de Bosnische notaris niet of de personen die de verklaringen hebben afgelegd van de inhoud van de verklaringen op de hoogte waren, die hebben begrepen en haar onderschrijven, aldus nog steeds gedaagde.

3.7. Tegen deze achtergrond is de voorzieningenrechter van oordeel dat op grond van het aanvullende bewijsmateriaal, zonder diepgaand onderzoek vergelijkbaar met dat in het eigenlijke strafgeding ten gronde, de door eiser beweerde onschuld aan de feiten waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, in dit kort geding niet onverwijld wordt aangetoond. Dit betekent dat, nu de uitleveringskamer in de beslissing van 5 juni 2009 het aldaar door eiser aangevoerde onschuldverweer eveneens heeft verworpen, de voorzieningenrechter in dit kort geding tot uitgangspunt dient te nemen dat er sprake is van een vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 28 lid 2 van de Uitleveringswet. Overigens wordt de uitlevering toegestaan met het oog op de vervolging van eiser voor de feiten waarvan de Bosnische autoriteiten hem verdenken, hetgeen niet impliceert dat hij schuldig is bevonden aan die feiten. Zoals de uitleveringskamer in voornoemde beslissing ook al heeft overwogen, zal de vraag of er voldoende bewijs is voor het feit waarvan eiser wordt verdacht en waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, aan de orde kunnen komen in de eventuele strafzaak in Bosnië.

3.8. Eiser heeft voor het overige ook niet aannemelijk gemaakt dat er gegronde redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat door zijn uitlevering jegens hem op flagrante wijze inbreuk zal worden gemaakt op de aan hem ingevolge de artikel 6 EVRM toekomende rechten, noch dat indien daarvan toch sprake zou blijken te zijn na zijn uitlevering, niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM ten dienste staat. Ook hier geldt het vertrouwensbeginsel, op grond waarvan ervan moet worden uitgegaan dat Bosnië de fundamentele rechten die in het EVRM zijn neergelegd, zal respecteren. Daar komt bij dat de minister van Buza in de brief van 9 februari 2010 (zie onder 1.11) vermeldt dat er geen duidelijke aanwijzingen zijn dat eiser geen eerlijk proces zal krijgen.

Schending artikel 3 EVRM?

3.9. Alsdan is aan de orde de vraag of eiser in geval van uitlevering het risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM. Deze vraag moet eveneens ontkennend worden beantwoord. Hiertoe is het volgende van belang.

3.10. Ter onderbouwing van zijn stelling wijst eiser op een rapport gepubliceerd op 7 februari 2008 van Amnesty International over de behandeling van gevangenen in Bosnië en over de politie in Bosnië. Hieruit blijkt dat schending van de mensenrechten door de politie en in de gevangenissen in Bosnië voorkomt. Tevens blijkt volgens eiser uit “2008 Human Rights Report: Bosnia Herzegovina”, gepubliceerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, dat mishandeling van gevangenen door de politie nog aan de orde van de dag is. Voorts is volgens eiser van belang dat hem een oorlogsmisdaad wordt verweten, zodat te meer valt te vrezen dat hij aan een dergelijke behandeling wordt blootgesteld. Ter zitting heeft gedaagde gemotiveerd uiteengezet dat hij de door eiser geuite vrees voor misstanden in de gevangenis en de vrees dat de autoriteiten daar onvoldoende tegen (kunnen) optreden heeft voorgelegd aan de minister van Buza. In de meergenoemde brief concludeert de minister van Buza dat het internationale toezicht dermate groot is, dat de mogelijkheid dat eiser in detentie zal worden blootgesteld aan mishandeling gering kan worden geacht. Tevens wordt in deze brief uiteengezet dat medewerkers van de Nederlandse ambassade vrij toegang hebben tot Nederlandse gedetineerden en dat de ambassade tijdens een mogelijke detentieperiode regelmatig contact zal kunnen onderhouden met Nederlandse gedetineerden. Voorts heeft gedaagde aangevoerd dat in het meest recente rapport van het Council of Europe’s Committee for the Prevention of Torture (CPT) van 31 maart 2010 geen aanwijzingen zijn te vinden dat het door de CPT gesignaleerde geweld in gevangenissen is gericht tegen bepaalde (etnische) groepen of personen. Uit dit rapport blijkt tevens dat er sinds het laatste bezoek van het CPT in 2007, verbeteringen in de gevangenissen hebben plaatsgevonden. In het “2009 Human Rights Report: Bosnia Herzegovina”, gepubliceerd door het ministerie van Buitenlandse Zaken van de Verenigde Staten, wordt ook melding gemaakt van maatregelen en inspanningen om de problemen die mede in het CPT-bezoek in 2007 waren geconstateerd aan te pakken, aldus nog steeds gedaagde.

3.11. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting door gedaagde, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er in Bosnië sprake is van een praktijk van martelingen of onmenselijke of vernederende behandelingen van gevangenen. Evenmin is gebleken van een specifiek risico voor eiser. Te meer niet nu uit hetgeen in de brief van de minister van Buza is vermeld, voorshands voldoende aannemelijk is dat medewerkers van de Nederlandse ambassade regelmatig contact zullen kunnen onderhouden met eiser. Ook de omstandigheid dat de gevangenissen in Bosnië oud en veelal overbevolkt zijn, maakt het voorgaande niet anders. Alleen wanneer er sprake zou zijn van een dreigende schending van artikel 3 EVRM zou aanleiding kunnen bestaan om de beschikking onrechtmatig te oordelen. Van een dergelijke dreigende schending is echter niet gebleken. Ook hier geldt het vertrouwensbeginsel, op grond waarvan ervan moet worden uitgegaan dat Bosnië de fundamentele rechten die in het EVRM zijn neergelegd, zal respecteren.

Schending van artikel 8 EVRM?

3.12. Dat er sprake is van een dreigende schending van artikel 8 EVRM (family life) heeft eiser ook niet aannemelijk gemaakt. Nog daargelaten dat aan uitlevering inherent is dat eiser gedurende enige tijd wordt gescheiden van zijn familie, geldt daarnaast dat deze scheiding in de eerste en voornaamste plaats is veroorzaakt door de detentie, onverschillig of deze in Nederland of in Bosnië wordt ondergaan. De inbreuk op het family life betreft in deze zaak alleen de inbreuk op de mogelijkheid van eiser om zijn dochter te zien, nu ter zitting is gebleken dat hij gescheiden is van de moeder van zijn dochter. Overigens is de inmenging in zijn family life in die zin beperkt, dat eiser na zijn berechting in Bosnië en een eventuele veroordeling tot vrijheidsstraf die straf in Nederland zal kunnen ondergaan.

Dat eiser onredelijk lang in voorarrest zal moeten verblijven, omdat de capaciteit van het rechtssysteem in Bosnië zeer beperkt is, zoals eiser stelt, is vooralsnog niet gebleken. Daarvoor ontbreken nadere concrete feiten en omstandigheden die daarop zouden kunnen duiden. Dit klemt te meer nu in de brief van de minister van Buza is vermeld dat de internationale gemeenschap betrokken is bij de “War Crimes Chamber van de State Court” en dat er internationale rechters en openbare aanklagers in Bosnië werkzaam zijn. In zijn stelling dat er adequate mogelijkheden zijn om de inbreuk op zijn family life te beperken, kan eiser niet worden gevolgd. Indien Bosnië ervoor kiest een verdachte zelf te vervolgen, de strafvervolging niet wil overdragen en het uitleveringsverzoek handhaaft, kan gedaagde Bosnië niet dwingen de strafvervolging aan Nederland over te dragen. Gezien het bepaalde in artikel 1 van het Europees Verdrag betreffende uitlevering, is gedaagde, behoudens het bestaan van dwingende weigeringsgronden, gehouden aan een uitleveringsverzoek gevolg te geven.

Conclusie

3.13. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat onvoldoende is gebleken van een dreigende schending van artikel 6, artikel 3 dan wel artikel 8 EVRM, op grond waarvan de uitlevering van eiser aan de Bosnië niet zou kunnen worden toegestaan. Hetgeen eiser verder nog heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden en hoeft gezien het voorgaande geen nadere bespreking. De primaire vordering zal dan ook worden afgewezen.

3.14. De subsidiaire vordering van eiser om gedaagde te verbieden eiser aan Bosnië uit te leveren zolang Bosnië niet aan Nederland de garantie heeft gegeven dat het voorarrest niet langer zal duren dan 4 maanden is, mede gezien hetgeen hiervoor onder 3.8 tot en met 3.12 is overwogen, niet toewijsbaar. Op grond waarvan gedaagde desondanks verplicht zou zijn een dergelijke garantie te bedingen van Bosnië, heeft eiser echter niet aangegeven.

3.15. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst af de vorderingen van eiser;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.079,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2010.

Adz