Uitspraken

Een deel van alle rechterlijke uitspraken wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Dit gebeurt gepseudonimiseerd.

Deze uitspraak is gepseudonimiseerd volgens de pseudonimiseringsrichtlijn

ECLI:NL:RBROT:2015:9508

Rechtbank Rotterdam
21-12-2015
21-12-2015
10/960259-11
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig

Verdachte heeft een viertal mannen aangestuurd als zijn medewerkers binnen zijn activiteiten op het vlak van het zogenoemde Hawala-bankieren. De rechtbank overweegt dat verdachte als functioneel dader wordt gezien wat betreft de hem ten laste gelegde feiten (gewoontewitwassen, alsmede opzettelijke overtredingen van de Wet op het financieel toezicht en van de Wet inzake de geldtransactiekantoren).

De rechtbank verwerpt het terzake het gewoontewitwassen gevoerde verweer dat de verdachte niet wist en evenmin had moeten vermoeden dat de medeverdachten zich met crimineel gedrag bezig hielden en dat het geld de uit dat crimineel gedrag afkomstige opbrengst was.

Terzake voormelde overtreding van de Wet inzake de geldtransactiekantoren geldt dat dit feit gedurende een deel van de bewezen verklaarde periode niet meer strafbaar was. Verdachte wordt derhalve partieel ontslagen van rechtsvervolging.

De redelijke termijn van berechting is met 11 maanden overschreden. In plaats van een gevangenisstraf van 36 maanden legt de rechtbank daarom aan verdachte een gevangenisstraf van 34 maanden op.

Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/960259-11

Datum uitspraak: 21 december 2015

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (India) op [geboortedatum] 1961,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:

[adres en woonplaats] .

Raadsman mr. J.A. Huibers, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 3 april 2013, 16 februari 2015 en

7 december 2015. Op laatstgemelde zitting is de zaak inhoudelijk behandeld.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3 Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. B.M.M. Zonneveld heeft gevorderd:

  • -

    bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde;

  • -

    ontslag van alle rechtsvervolging voor het onder 3 tenlastegelegde voor zover begaan in de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 januari 2012;

  • -

    veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek van voorarrest, alsmede een geldboete van € 50.000,-.

4 Waardering van het bewijs

4.1.1.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de drie ten laste gelegde feiten. Zij heeft daartoe een schriftelijk requisitoir overgelegd.

4.1.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde

(gewoonte)witwassen. Hij heeft hiertoe primair aangevoerd dat het bestanddeel “uit misdrijf afkomstig” niet kan worden bewezen. Het onderzoek in de zaak heeft geen direct bewijs opgeleverd voor het van enig misdrijf afkomstig zijn van het geld. Het feit dat de verdachte optrad als informele bankier – een zogenoemde “Hawala-bankier” – is onvoldoende om daaraan een gerechtvaardigd vermoeden te ontlenen dat de verdachte zich bezig hield met

(gewoonte)witwassen, aldus de raadsman.

Subsidiair is door de raadsman aangevoerd dat het bewijs voor de wetenschap van de verdachte ontbreekt. Het dossier bevat onvoldoende concrete aanwijzingen dat de verdachte wist of door de omstandigheden had moeten vermoeden dat de medeverdachten zich met crimineel gedrag bezig hielden en dat het geld de uit dat crimineel gedrag afkomstige opbrengst was. Het versluierd spreken over personen, geldbedragen en plaatsnamen is niet slechts kenmerkend voor crimineel gedrag in het algemeen, maar ook voor het ondergronds bankieren, en daarom kan niet zonder meer worden gesteld dat zodanig gedrag er op duidt dat de verdachte wetenschap had van de criminele herkomst van het geld, aldus de raadsman.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat het onder 2 en 3 tenlastegelegde enkel op basis van de in de tenlastelegging concreet genoemde zaaksdossiers dient te worden beoordeeld.

In de onder 2 genoemde zaaksdossiers [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en de onder 3 genoemde zaaksdossiers [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden gebleken om tot een bewezenverklaring van deze feiten te komen.

Het zaaksdossier [medeverdachte 5] bevat op zich voldoende redengevende feiten en omstandigheden maar onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen van het “bedrijfsmatig handelen” zoals onder 2 is tenlastegelegd, aldus de raadsman.

4.1.3.

Beoordeling

Functioneel daderschap

De rechtbank beoordeelt het bewijs als volgt en komt tot bewezenverklaring van de drie ten laste gelegde feiten. Deze drie feiten zullen hierna besproken worden. Allereerst volgen overwegingen over de toerekening van de feiten aan verdachte en zijn (functioneel) daderschap.

In de periode van 14 oktober 2011 tot en met 30 januari 2012 heeft verdachte duurzaam deelgenomen aan het economische verkeer met een organisatie van kapitaal en arbeid met als kennelijke doel winst te behalen. Binnen dit samenwerkingsverband kon verdachte beschikken over de gedragingen die binnen het samenwerkingsverband plaatsvonden, en placht hij die gedragingen ook te aanvaarden.

Verdachte heeft een viertal mannen aangestuurd als zijn medewerkers binnen zijn activiteiten op het vlak van het zogenoemde Hawala-bankieren.

Alle vier de mannen zijn veroordeeld wegens de aan hen ten laste gelegde gedragingen die aansluiten of overeen komen met respectievelijk het eerste en de laatste twee aan verdachte ten laste gelegde feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat verdachte twee mannen (vader en zoon [medeverdachte 6 en 7] ) als koeriers veelvuldig geld heeft laten ophalen in Duitsland en Frankrijk en dit naar Nederland heeft laten transporteren waarbij beide andere mannen de vervoerde gelden telkens in ontvangst namen. De aansturing van beide mannen als medewerkers in zijn onderneming blijkt uit de aanvulling op het basisdocument berekening wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierin is een aantal opgenomen en afgeluisterde gesprekken opgenomen in een chronologisch schema. De gesprekken behelzen aanwijzingen omtrent uit te voeren ritten als geldkoerier en terugkoppelingen over die ritten. Daarnaast gaat het om gesprekken over de gebruikte wagens, het onderhoud en de kosten daarvan. In het onderzoek Fischer is beschreven dat verdachte de kosten van de wagens die beide koeriers gebruikten, voor zijn rekening nam en beslissingen nam over onderhoud en verzekering van de wagens.

De andere twee mannen ( [medeverdachte 8] en [medeverdachte 9] ) waren belast met het voeren van de administratie, het in ontvangst nemen en bewaren van de gelden, het omwisselen van gelden en het weer afgeven van gelden. In het basisdocument berekening wederrechtelijk verkregen voordeel wordt de aansturing van deze twee mannen door verdachte chronologisch aan de hand van opgenomen en afgeluisterde telefoongesprekken beschreven. Verdachte geeft aanwijzingen aan beide mannen ter zake van het voeren van de administratie, het geven van opdrachten aan beide koeriers, het tellen van de gelden, het omrekenen van de (valuta)koers en de ontvangst van gelden.

In het basisdocument berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en in de aanvulling op het basisdocument berekening wederrechtelijk verkregen voordeel zijn de kosten beschreven die verwerkt zijn in de administratie die in het pand [adres 1] te Amsterdam is aangetroffen. Dit is het pand waar in het laatste deel van de ten laste gelegde periode twee van de vier mannen voortdurend verbleven en waar de koeriers verzamelden en de vervoerde gelden afgaven. Uit die administratie blijkt dat kosten werden vergoed, salarissen werden uitbetaald en kosten van de auto’s die gebruikt werden voor de

koerierswerkzaamheden, in de administratie werden verantwoord.

Dat het verdachte is voor wiens rekening en risico de activiteiten werden uitgevoerd, blijkt niet alleen uit de hierboven beschreven gezagsrelatie, het betalen van vergoedingen voor verrichte arbeid (in geld en in natura, waaronder huisvesting) en het betalen van onkostenvergoedingen, maar ook uit de administratie die op de feitelijke verblijfplaats van verdachte op de [adres 2] te Amsterdam is aangetroffen. In de aanvulling op het basisdocument berekening wederrechtelijk verkregen voordeel zijn de overeenkomsten tussen de aangetroffen administraties beschreven. In het bijzonder komt een aantal rekeningnummers, namen en bedragen in de administratie, alsmede aantekeningen die gevonden zijn op de feitelijke verblijfplaats van verdachte aan de [adres 2] , overeen met die in de administratie aangetroffen in de [adres 1] . Deze overeenkomsten bevestigen naar het oordeel van de rechtbank dat de beide mannen op het adres aan de [adres 1] de administratie van rekeningen voor het verlenen van betaaldiensten op aanwijzing van verdachte voerden en dat verdachte de werkzaamheden nauwlettend controleerde.

Wetenschap feit 1

In de periode van 14 oktober 2011 tot en met 30 januari 2012 hebben beide koeriers (vader en zoon [medeverdachte 6 en 7] ) een groot aantal transporten van contante gelden uitgevoerd. Het aantal transporten van Frankrijk en Duitsland naar Nederland wordt geschat op 67. Voor 43 transporten zijn aanknopingspunten te vinden in de aangetroffen administratie en het totaal van die vervoerde bedragen wordt geschat op ongeveer drie miljoen euro. Eén van beide koeriers is op 30 januari 2012 aangehouden met ongeveer 2 ton aan contanten. Zoals hierboven beschreven kunnen deze gedragingen aan verdachte worden toegerekend. Aldus heeft hij telkens grote bedragen verworven en voorhanden gehad.

De rechtbank is het met de raadsman eens dat Hawala-bankieren niet hetzelfde is als witwassen. Als informeel systeem om geld over te boeken vervult Hawala-bankieren traditioneel binnen bepaalde etnische groepen een functie. Bij het eerste feit gaat het echter niet om het overboeken van geld maar om het vervoeren van geld. Verder haalden beide koeriers deze gelden telkens op bij kledingwinkels in Frankrijk en Duitsland die beheerd werden door etnische Chinezen. Verdachte zelf is net als zijn twee medewerkers in de [adres 1] van Indiase origine en behoort daarmee tot een geheel andere etnische groep.

Er is geen enkele redelijke verklaring voor het gegeven dat kledingwinkels in Frankrijk en Duitsland grote bedragen in contanten telkens toevertrouwden aan verdachte en zijn koeriers, gelet op het Europese bancaire systeem dat veilig en kostenefficiënt is. De rechtbank merkt op dat de transporten grote kosten en risico’s met zich hebben gebracht. Aldus is er een redelijke vermoeden ontstaan van witwassen door verdachte.

Verdachte heeft op geen enkel moment een concrete en min of meer verifieerbare verklaring geboden voor zijn activiteiten waaronder de uitgevoerde geldtransporten. Hij was zich wel degelijk bewust van de risico’s en de kosten die de geldtransporten met zich brachten. Aan de beide koeriers keerde hij arbeidsbeloningen uit, hij vergoedde onkosten en hij betaalde de auto’s. In de auto’s waren geheime bergplaatsen voor de transporten aangebracht. Als ondernemer had verdachte de verplichting om een administratie te voeren betreffende de vermogenstoestand van zijn onderneming en de rechten en verplichtingen die met die onderneming verband hielden, en deze ingevolge de bepalingen van de Algemene wet inzake rijksbelastingen in voorkomende gevallen ter beschikking te stellen van de overheid voor controledoeleinden. Als betaaldienstverlener of uitvoerder van betalingsdiensten had verdachte de verplichting om een vergunning aan te vragen bij de Nederlandsche Bank. Door zo te handelen heeft verdachte minst genomen zijn opdrachtgevers en de begunstigden van zijn opdrachtgevers geholpen de geldstromen te onttrekken aan het toezicht van de overheden in de betrokken landen en zo stelselmatige belastingfraude van directe en indirecte belastingen gefaciliteerd. Nu de identiteit van zijn opdrachtgevers en de begunstigden van zijn opdrachtgevers niet kon worden vastgesteld is verder onderzoek naar de herkomst van de geldstromen onmogelijk gebleken. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat verdachte door zijn koeriers gelden heeft verworven en voorhanden gehad die geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk, afkomstig waren van enig misdrijf.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 2 en 3

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de ten laste gelegde feiten het gehele strafdossier in ogenschouw dient te worden genomen en niet alleen de specifieke zaaksdossiers.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en heeft hierbij de volgende overwegingen ten aanzien van de termen “begunstigde(n)/betaler(s)” en “betaaldienstverlener” in acht genomen:

De rechtbank overweegt dat de in feit 2 genoemde personen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] aangemerkt dienen te worden als “koeriers” en de in feit 3 genoemde personen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] aangemerkt dienen te worden als “geldwisselaars”, en derhalve niet als “begunstigde(n)/betaler(s)”.

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde bewezen kan worden voor zover het ziet op (het aanhouden van) betaalrekeningen. De rechtbank overweegt hiertoe dat in de administratie die in de woning aan de [adres 1] in Amsterdam is aangetroffen lijsten met namen (veelal niet volledige namen of bijnamen) met daarbij viercijferige nummers zijn opgenomen. In een telefoongesprek op 22 november 2011 wordt over een dergelijke naam gesproken en wordt het daarmee corresponderende viercijferige nummer geduid als bankrekeningnummer. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat de in die lijsten opgenomen nummers als betaalrekeningnummers zijn te duiden en dat het verlenen van betaaldiensten, zoals ten laste gelegd, eveneens het leveren van diensten met betrekking tot betaalrekeningen omvat, een en ander in overeenstemming met artikel 1:1 van de Wet op het financieel toezicht, onderdelen ‘betaaldienst’, ‘betaaldienstverlener’ en ‘richtlijn betaaldiensten’, in samenhang met de bijlage betalingsdiensten bij Richtlijn 2007/64/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 13 november 2007 betreffende betalingsdiensten in de interne markt.

4.2.

Bewezenverklaring

In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij,

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 oktober 2011 tot en met

30 januari 2012,

te Amsterdam, althans (elders) in Nederland en/of Frankrijk en/of Duitsland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen,

immers heeft hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s),

meerdere voorwerpen, te weten meerdere grote geldbedragen (van enkele miljoenen euro's) verworven en voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en/of gebruik gemaakt van deze voorwerpen,

terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerpen

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar (telkens),

-grote geldbedragen vanuit Frankrijk en/of Duitsland opgehaald en/of laten halen en/of vervolgens overgebracht en/of (laten) overbrengen naar Nederland en/of

-grote geldbedragen in Nederland in ontvangst genomen en/of

-grote geldbedragen voorhanden gehad;

2.

hij,

op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 14 oktober 2011 tot en met

30 januari 2012,

te Amsterdam, althans (elders) in Nederland en/of het Verenigd Koninkrijk,

(telkens) tezamen en ín vereniging met een ander of anderen,

(telkens) opzettelijk zonder vergunning van de Nederlandsche Bank het bedrijf van betaaldienstverlener heeft uitgeoefend als bedoeld in artíkel 2:3a lid 1 van de Wet op het fínancieel toezicht,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of zíjn mededader(s),

ten behoeve van en/of op verzoek van meerdere begunstigde(n) en/of betaler(s) waaronder [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 5] en/of één of meer ander(en)

één of meer (contante) geldtransactie(s) en/of (één of meer) (contante) geldtransfer(s) uítgevoerd en/of voor rekening van een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) ontvangen en/of aan een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) beschikbaar gesteld en/of voor een of meer van de voornoemde begunstigde(n) en/of betaler(s) gehouden;

3.

hij,

op één of meer tijdstíp(pen) in of omstreeks de periode van 14 oktober 2011 tot en met

30 januari 2012,

te Amsterdam, althans (elders) in Nederland,

(telkens) tezamen en ín verenigíng met een ander of anderen,

(telkens) opzettelijk als geldtransactiekantoor werkzaam is geweest,

immers heeft/hebben hij verdachte en/of zijn mededader(s),

beroepsmatig en/of bedrijfsmatig ten behoeve van en/of op verzoek van begunstigde(n) en/of betaler(s) [medeverdachte 3] (Zaaksdossier Gesner) en/of [medeverdachte 4] (Zaaksdossier Coanda) en/of één of meer ander(en)

één of meer (contante) geldtransactie(s) uitgevoerd,

te weten

-(meermalen) (grote) geldbedragen omgewisseld van kleine naar grote coupures.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid feiten

De onder 1 en 2 bewezen feiten leveren op:

1.

van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

2.

een overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 2:3a, eerste lid van de Wet op het financieel toezicht, opzettelijk begaan

Strafbaarheid feit 3

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren was het verboden om als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn. Dit was tot 1 januari 2012 strafbaar gesteld in artikel 6, eerste lid, juncto artikel 1, onder 2° van de Wet op de economische delicten (hierna: WED).

Per 1 januari 2012 is artikel V van de Wijzigingswet financiële markten 2012 in werking getreden (Staatsblad 2011, nrs. 610 en 611). Hiermee is de zinsnede met betrekking tot de Wet inzake de geldtransactiekantoren in artikel 1, onder 2° WED komen te vervallen. Hierdoor is de strafbaarstelling van een overtreding van artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren op dat moment vervallen. Weliswaar is met de Wijzigingswet financiële markten 2012 overtreding van artikel 2:54i van de Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft) als economisch delict strafbaar gesteld in artikel 1, onder 2° WED en heeft dit Wft-artikel, getuige de Memorie van Toelichting van die wijzigingswet, te gelden als vervanging van het verbod om als geldtransactiekantoor werkzaam te zijn, maar dit artikel is pas per 1 juli 2012 in werking getreden (Besluit van 22 december 20111, Stb 2011, 671).

De rechtbank concludeert aldus dat in de ten laste gelegde periode van 1 tot en met 30 januari 2012 het optreden als geldtransactiekantoor niet meer strafbaar gesteld was in de WED en dat het vervangende artikel 2:54i Wft nog niet in werking was getreden.

De rechtbank zal de verdachte daarom, voor wat betreft de periode van 1 tot en met 30 januari 2012, ontslaan van alle rechtsvervolging.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert, met inachtneming van hiervoor overwogene, op:

een overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, opzettelijk begaan.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

6 Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

7 Motivering straf

7.1.

Algemene overweging

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

7.2.

Feiten waarop de straf is gebaseerd

De verdachte heeft zich als hoofd van een duurzaam stelselmatig samenwerkingsverband schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. Hij heeft aanzienlijke geldbedragen, waarvan hij wist dat deze uit enig misdrijf afkomstig waren, verworven en voorhanden gehad. Tevens heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het verlenen van betaaldiensten zonder vergunning, door aanzienlijke geldbedragen te ontvangen, te houden en beschikbaar te stellen, en is hij opzettelijk werkzaam geweest als geldtransactiekantoor, waarbij hij meerdere malen contante geldbedragen heeft omgewisseld van kleine naar grote coupures.

Voornoemde strafbare feiten vormen een bedreiging voor de legale economie en tasten de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het in omloop zijn van grote witgewassen geldbedragen heeft een sterk corrumperende werking en faciliteert veelal ander strafbaar handelen.

De verdachte heeft over de hem ten laste gelegde en bewezen verklaarde gedragingen op geen enkel moment verantwoording afgelegd. Verdachte heeft geen inzicht getoond in de laakbaarheid van zijn handelen noch op enig moment berouw getoond.

7.3.

Persoonlijke omstandigheden van de verdachte

7.3.1.

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van

26 januari 2015, waaruit blijkt dat de verdachte niet is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten als de bewezenverklaarde.

7.4.

Conclusies van de rechtbank

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.

Gelet op de ernst van de feiten en de leidende rol die verdachte daarbij heeft gespeeld, kan niet worden gekomen tot een andere dan een vrijheidsbenemende straf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), in aanmerking genomen.

In een zaak als de onderhavige geldt als uitgangspunt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis dient te worden gewezen. In de onderhavige zaak gaat de rechtbank uit van het moment waarop verdachte in verzekering is gesteld als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen, te weten 9 januari 2013. Tussen die datum en de datum van het vonnis – 21 december 2015 – ligt een periode die de redelijke termijn met ruim 11 maanden overschrijdt. Dit tijdsverloop is niet aan de verdediging toe te rekenen, terwijl het ook niet kan worden gerechtvaardigd door bijvoorbeeld de

ingewikkeldheid van de zaak; op het moment van inverzekeringstelling was het opsporingsonderzoek immers nagenoeg afgerond.

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd. In beginsel acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 36 maanden geboden. Echter, rekening houdend met de hiervoor geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn zal de rechtbank deze straf met twee maanden matigen.

De rechtbank ziet gelet op de op te leggen gevangenisstraf geen aanleiding om de schorsing van de voorlopige hechtenis nog langer te laten voortduren. Overeenkomstig de uitspraak aanpassing schorsingsvoorwaarden d.d. 16 februari 2015 loopt de schorsing derhalve met de uitspraak van heden af.

De rechtbank ziet geen aanleiding om verdachte naast de gevangenisstraf nog een geldboete op te leggen zoals door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend worden na te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaringen, passend en geboden geacht.

8 In beslag genomen voorwerpen

Van de lijst met in beslag genomen voorwerpen is een kopie als bijlage III aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De officier van justitie heeft gevorderd om de onder 2, 3, 5 t/m 11, 13 en 16 t/m 18 vermelde voorwerpen verbeurd te verklaren en de overige op de lijst van in beslag genomen voorwerpen genoemde voorwerpen, met uitzondering van nr. 1, terug te geven aan de verdachte.

Ten aanzien van het op de beslaglijst als nr. 1 vermelde voorwerp (een auto) behoeft de rechtbank geen beslissing te nemen, aldus de officier van justitie, nu op deze auto conservatoir beslag ligt.

De rechtbank overweegt het volgende:

De op de lijst van in beslag genomen voorwerpen genoemde voorwerpen onder 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 13, 16, 17 en 18 worden verbeurd verklaard nu de bewezen feiten met betrekking tot en met behulp van deze voorwerpen begaan.

Ten aanzien van de onder 12, 14 en 15 op de lijst van in beslag genomen voorwerpen genoemde voorwerpen zal een last worden gegeven tot teruggave aan de verdachte.

De rechtbank gaat ervan uit dat het openbaar ministerie zal overgaan tot teruggave van het paspoort van verdachte, voorwerp nr. 4, aan hem, nu dit zich naar zijn aard niet leent voor (langdurige) beslaglegging en het openbaar ministerie dit voorwerp in het kader van de schorsing van de voorlopige hechtenis onder zich heeft genomen en deze schorsing eindigt met de uitspraak in deze strafzaak.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op:

- de artikelen 33, 33a, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht;

- de artikelen 1, 2, 6 en 7 van de Wet op de economische delicten;

- artikel 3 van de Wet inzake de geldtransactiekantoren en

- artikel 2:3a van de Wet op het financieel toezicht.

10 Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11 Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar voor de periode van 14 oktober 2011 tot en met 31 december 2011;

verklaart het onder 3 bewezenverklaarde niet strafbaar voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 30 januari 2012 en ontslaat de verdachte ten aanzien daarvan van alle rechtsvervolging;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 34 (vierendertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;


beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van in beslag genomen en nog niet terug gegeven voorwerpen, als volgt:
- verklaart verbeurd als bijkomende straf voor de feiten 1, 2 en 3:

2. GSM zaktelefoon zwarte NOKIA (code: Po021.02.01.001);

3. GSM zak telefoon zwarte SAMSUNG met oplader (code: Po021.02.04.002);

5. Simkaart LYCA (code: Po021.02.08.002);

6. GSM zaktelefoon zwarte NOKIA (code: Po021.02.08.004);

7. BLACKBERRY-papiertje en 2 papiertjes (code OS841.01.03.002);

8. Defecte Blackberry-GSM (code OS841.02.01.003);

9. Rood adresboek (code: OS841.02.01.004);

10. Simkaart LYCAMOBILE (code: OS841.07.01.001);

11. Geldtelmachine (code: OS841.09.02.001);

13. Groene map (code: Po021.02.08.002);

16. Twee boekjes (code: OS841.02.01.001);

17. Zeven papieren (code: Po021.02.04.001);

18. Twee papieren (twee A4’tjes met aantekeningen) (OS841.02.01.001b);

- gelast de teruggave aan verdachte van:

12. Dertien opnamebewijzen van ABN AMRO (code: Po021.02.08.001a);

14. Rode etui met kettingen (code: Po021.05.01.002);

15. Rode Etui met 5 sieraden (code: Po02.05.01.003), te weten, (15B) één gouden armband, (15C) twee halskettingen, (15D) een paar oorbellen, (15E) één defecte oorbel.

Verstaat dat de officier van justitie over zal gaan tot teruggave aan verdachte van diens paspoort (nr. 4 op de lijst van in beslag genomen en nog niet terug gegeven voorwerpen).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.A.F.M. Wouters, voorzitter,

en mrs. A.A.J. de Nijs en R. Terpstra, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.G. Kuijs, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 december 2015.

De griffier is wegens afwezigheid niet in staat dit vonnis mede te ondertekenen.

De gegevens worden opgehaald

Hulp bij zoeken

Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over:

Selectiecriteria

De Rechtspraak, Hoge Raad der Nederlanden en Raad van State publiceren uitspraken op basis van selectiecriteria:

  • Uitspraken zaken meervoudige kamers
  • Uitspraken Hoge Raad en appelcolleges
  • Uitspraken met media-aandacht
  • Uitspraken in strafzaken
  • Europees recht
  • Richtinggevende uitspraken
  • Wraking

Weekoverzicht

Selecteer een week en bekijk welke uitspraken er in die week aan het uitsprakenregister zijn toegevoegd.