“Voor het door [gedaagde 1] te maken werk bleek een budget bij [eiser] beschikbaar van EUR 350.000. Ik was verantwoordelijk voor het welslagen van de tentoonstelling en had ook vanuit het museum een eigen budget. Dit stond los van de productiebudgetten voor nieuw werk die [eiser] beschikbaar stelde, maar ik voelde me wel verantwoordelijk voor het niet bestaan van onduidelijkheden tussen verzamelaar en kunstenaars over wie wat zou betalen. Wij zouden in ieder geval niet voor het nieuwe werk betalen. Ik weet niet hoeveel [eiser] heeft betaald voor de werken van de andere twee kunstenaars.
U vraagt mij wanneer de afspraken over nieuw werk definitief zijn geworden. Het is eigenlijk pas echt rond als het kunstwerk er is. Maar het voornemen om het productieproces in te gaan was er in december 2012 al. Toen was echter voor mij nog niet duidelijk of de kunstenaar en de [gedaagde 2] het voor dat budget zouden kunnen doen. In mijn herinnering kwam dat pas rond op 9 januari 2013. U vraagt mij hoe dat rondkomen op 9 januari 2013 zich verhoudt tot mijn eerdere verklaring dat het pas echt rond is als het kunstwerk arriveert. Uit mijn dertig jaar ervaring als conservator weet ik dat een kunstenaar misschien niet hetzelfde wil als de opdrachtgever, van idee verandert of dat er iets anders tussen komt, maar op 9 januari 2013 was er tussen [eiser] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een overeenkomst bereikt. Als er zo’n afspraak is en daarna komt er een kink in de kabel waardoor je niet kunt nakomen, dan moet je direct contact opnemen om de lucht helder te maken. Zo werk ik.
(...)
De volgende ochtend zijn [gedaagde 2] en [gedaagde 1] samen met [eiser] en [persoon 1] naar het Gemeentemuseum gekomen. Daar is gesproken over welke ruimte beschikbaar zou zijn. (...) Ik was heel blij dat [gedaagde 1] heel graag in de middelste zaal, ik meen zaal 38, met het bovenlicht, iets wilde doen.
(...)
Op een bepaald moment is ook echt – dat was in de zaal – afgesproken dat er een installatie gemaakt zou worden. Daarbij waren [eiser] , [gedaagde 2] , [persoon 1] , [gedaagde 1] en ikzelf aanwezig. Er was een ‘yes’, een overeenstemming ‘we gaan het doen’. Ik weet nog dat ik met [gedaagde 1] weg liep en terug kwam in de zaal, hij liep ook met mij door andere zalen. Er is heel concreet ook over bedragen gesproken. Gevraagd is of het werk geproduceerd kon worden voor het genoemde bedrag. De reactie was: ja, dat kan. Dat bedoel ik met de ‘yes’. Tussen wie die uitwisseling plaatsvond kan ik niet precies zeggen, maar als u zou aandringen dan zou ik gokken [persoon 1] en [gedaagde 2] . Ik zei daarnet dat het werk voor USD 350.000 gemaakt zou worden. Ik besefte direct dat ik beter had kunnen zeggen ‘binnen’ USD 350.000. Het ging om de afbakening van de randvoorwaarden. Ik wil als museum niet voor verrassingen komen te staan, bijvoorbeeld omdat er geen dekking is voor de vervoerskosten. De USD 350.000 moest ruim voldoende zijn voor het maken van een ruimtevullende installatie. Daarmee bedoel ik werk over drie muren. Het zou op zich ook wel over twee wanden kunnen bijvoorbeeld, als het kunstwerk maar de hele ruimte erbij betrok.
(...) Als u mij voorhoudt dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] ter comparitie hebben gezegd dat de gesprekken in het museum nog verkennend van aard waren en dat met de kunstenaar nooit over geld wordt gesproken, dan verbaast mij dat zeer.
(...)
Het ontbreken van een schriftelijk contract is heel gebruikelijk.
[gedaagde 2] en [gedaagde 1] stonden in mijn herinnering ook positief ten opzichte van het hebben bereikt van een overeenstemming, zij waren er blij mee. Oké, we gaan het doen, dat is het beeld dat mij bijstaat, dat was de intentie die zij ook hadden.
(...)
Als er een budget van USD 50.000 beschikbaar was geweest, dan had ik [eiser] nog wel gevraagd wat hij voor dat bedrag dacht te kunnen verwachten. [gedaagde 2] heeft het bedrag van USD 350.000 geaccepteerd en in de normale lijn van verwachting lag dat het uiteindelijke werk dat budget ook ongeveer zou weerspiegelen. [gedaagde 2] had aangegeven ‘voor dat bedrag gaan we dat doen’ of woorden van die strekking.
(...)
Er zijn wel degelijk handen geschud toen overeenstemming was bereikt, volgens mij door [eiser] en [gedaagde 2] . U vraagt mij hoe zich dit verhoudt tot mijn eerdere verklaring dat de overeenstemming tussen [persoon 1] en [gedaagde 2] leek te zijn bereikt. [persoon 1] stelde de scherpe vragen, maar het waren [eiser] en [gedaagde 2] die op die manier tot overeenstemming kwamen.
(...)
Als ik aan het begin van de verklaring heb gezegd EUR 350.000, excuus, dat moest zijn USD 350.000.
(...) Toen [eiser] zei dat hij USD 350.000 ter beschikking zou stellen, vond ik dat heel genereus. Hij bepaalde dat budget, niet ik. Het productiebudget moet u zien als een soort aanneemsom. Als je een bestaand werk in een [gedaagde 2] koopt, dan is de prijs gewoon de aankoopprijs. Het afspreken van een productiebudget impliceert in mijn ervaring dat je eigenaar van het te maken werk wordt, tenzij de kunstenaar uitdrukkelijk daarover een andere afspraak wil maken. Als je afspreekt dat je het werk na de tentoonstelling als kunstenaar terug wilt, dan betaal je meestal ook de productiekosten geheel of gedeeltelijk terug, nadat je het werk aan een derde hebt verkocht en de prijs hebt ontvangen. Een schriftelijk contract is in deze wereld niet per se usance. Hoe opener je het houdt, des te meer ruimte je geeft aan de kunstenaar om te excelleren. Je moet tijdens het proces steeds goed contact houden om te kijken of alles door kan gaan zoals voorzien. In die zin is het inderdaad een open proces waarin je zo nodig gaandeweg nadere afspraken maakt.
U vraagt mij of ten tijde van de ‘handshake’ de eigendomsvraag nog een rol speelde. De eigendomsvraag speelde in mijn ogen toen geen rol. (...) Nu u dit zo dicteert, wil ik preciseren dat mijn perspectief dat van de conservator van het museum is, voor het museum speelde de eigendomsvraag geen rol.
(...)
Er is nooit gesproken over de verwerving van het nieuwe werk, de installatie, door het Gemeentemuseum.”