RECHTBANK ROTTERDAM
Sector civiel recht
Zaak-/rolnummer: 374955 / HA ZA 11-732
Uitspraak: 20 juni 2012
VONNIS van de enkelvoudige kamer in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Argos Service Stations B.V.,
gevestigd te Hoogvliet, gemeente Rotterdam,
eiseres,
advocaat mr. M.A.T. Schroots,
- tegen -
[gedaagde],
wonende te Vlaardingen,
gedaagde,
advocaat mr. P-P.F. Tummers.
1 Het verloop van het geding
1.1 De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:
- dagvaarding d.d. 8 maart 2011 en de door eiseres overgelegde producties;
- conclusie van antwoord;
- tussenvonnis van deze rechtbank d.d. 29 juni 2011, waarbij een comparitie van partijen
is gelast;
- proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 19 oktober 2011;
- ter gelegenheid van de comparitie van partijen door eiseres overgelegde
producties;
- conclusie van repliek, met producties;
- conclusie van dupliek.
2 De vaststaande feiten
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen - voorzover van belang - het volgende vast:
2.1 Eiseres drijft onder meer een “fullservice tankstation” aan [adres]. Bedoeld tankstation is voorzien van een wasstraat.
2.2 Gedaagde heeft, nadat hij had ontdekt dat zich op het dak van zijn personenauto een roze substantie bevond, op 12 juni 2009, kort nadat het tankstation om 06.30 uur was geopend, het bewuste voertuig in de bedoelde wasstraat van eiseres laten wassen. Tevoren heeft gedaagde niet geprobeerd vast te stellen wat voor substantie het betrof. Gedaagde is, nadat hij had vastgesteld dat de bedoelde substantie niet weg was maar slechts verder over de auto was verspreid, weggereden uit de wasstraat, zonder de manager van het tankstation in te lichten.
2.3 Aan een schriftelijke verklaring van [A], manager van vorenbedoeld tankstation, wordt het volgende ontleend:
“(...) Op 12-06-2009 is [gedaagde] komen wassen, vroeg in de morgen. Toen ik op het station kwam en er een volgende klant wilde wassen, wees deze mij op de schade aan de borstels. Na (…) het bekijken van de camerabeelden ben ik er achter gekomen dat het [gedaagde] was die met een plak roze verf o.i.d. op zijn dak en motorkap de wasstraat heeft gebruikt.
Ik ken [gedaagde] nog van gezicht en naam omdat hij klant is geweest van “Unique B.V. (de vorige eigenaar van dit station. (…) “
2.4 Bij e-mail d.d. 31 oktober 2011 heeft [B], voormalig medewerker van eiseres, aan de heer [C] (Insurance Manager van eiseres) het volgende bericht:
“(…) Op jouw verzoek heb ik even in mijn geheugen zitten graven, over de [gedaagde].
Na het voorval in de car wash met de verf ben ik tweemaal naar het adres van de [gedaagde] geweest (na een telefonische afspraak) Beide keren trof ik niemand op het adres aan.
De derde keer (zonder telefonische afspraak) trof ik de [gedaagde] wel aan.
Ik heb hem gemeld dat ik graag de schade wilde regelen voor onze locatie.
De [gedaagde] had veel haast omdat er iemand was overleden, ik heb hem netjes gecondoleerd en gevraagd of hij alle gegevens langs wilde brengen op locatie Vlaardingen.
Hier stemde hij mee in, echter hij is deze afspraak niet nagekomen. (…)”
2.5 De heer [C], die het dossier van [B] na diens uit dienst treden bij eiseres heeft overgenomen, heeft gedaagde bij aangetekende brief d.d. 31 maart 2010 onder meer het volgende bericht:
“(…) Allereerst onze excuses voor deze laat verstuurde brief. Dit is gelegen in het feit dat mijn collega die dit dossier in behandeling had momenteel niet meer bij Argos in dienst is. Ik weet echter dat hij meerdere keren heeft getracht met u in contact te komen voor het uitwisselen van informatie. Ondanks telefonische toezeggingen is dat tot op heden nog niet gelukt. Nu wij inmiddels uw adres hebben kunnen achterhalen wenden wij ons nu schriftelijk tot u.
Op of omstreeks 12 juni 2009 heeft u uw auto –vervuild met verf- in onze wasstraat aan [adres] gewassen. Als gevolg daarvan zijn onze wasborstels zodanig onbruikbaar geworden dat wij ze hebben moeten vervangen. Voor deze schade en de gevolgen daarvan stellen wij u hierbij aansprakelijk.
Hierbij het vriendelijke verzoek deze brief met bijlage door te sturen naar uw verzekering. Wij zouden het zeer op prijs stellen als u bijgaand schadeformulier wilt invullen en in bijgaande enveloppe aan ons retourneren.
Als bijlage heb ik een kopie van de herstelfactuur bijgevoegd. (…)”
2.6 Bij aangetekende brief van 25 juni 2010 heeft de heer [C] gedaagde onder meer het volgende geschreven:
“(…) Op 31 maart jl. heb ik u een aangetekende brief gestuurd en u gevraagd ons uw verzekeringsgegevens te verstrekken. Vervolgens heb ik u meerdere keren gebeld met hetzelfde verzoek. Telkenmale komt u uw toezeggingen niet na. Met dit schrijven verzoek ik u het schadebedrag binnen 7 dagen na dagtekening van deze brief aan ons over te maken. Indien u in verzuim blijft zullen wij onze vordering zonder nadere aankondiging uit handen geven door een deurwaarder in te schakelen. De kosten van de deurwaarder zullen wij eveneens op u verhalen. (…)”
2.7 De incassogemachtigde van eiseres heeft gedaagde diverse keren aangemaand tot betaling van de hoofdsom ad
€ 6.915,--, verhoogd met rente en incassokosten.
2.8 Bij e-mailbericht d.d. 9 augustus 2010 heeft gedaagde aan (de incassogemachtigde van) eiseres het volgende bericht:
“(…) In deze kwestie is [gedaagde] geen partij;
DE auto was geleasd bij Best Car Lease BV en verzekerd bij Turin
DE lease maatschappij is failliet verklaard en of de verzekeraar deze schade in behandeling heeft is onbekend (…)”
2.9 Terzake van de vervanging van de borstels van de wasstraat op 20 juli 2009 heeft de firma Washtec aan eiseres bij factuur d.d. 9 september 2009 een bedrag ad € 5.511,21 (€ 6.558,34 inclusief BTW) in rekening gebracht.
2.10 De wasborstels waren ongeveer een jaar vóór het voorval op 12 juni 2009 op of aan de wasstraat geïnstalleerd. De levensduur van de borstels is vier tot vijf jaar.
2.11 Best Car Lease B.V. is op 23 maart 2010 door de rechtbank Haarlem in staat van faillissement verklaard.
3 De vordering
De vordering luidt - verkort weergegeven - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad gedaagde te veroordelen om aan eiseres te betalen € 7.800,43, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW vanaf 20 januari 2011 tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien gedaagde niet binnen veertien dagen na de uitspraak mocht betalen en nakosten.
Tegen de achtergrond van de vaststaande feiten heeft eiseres aan de vordering de volgende stellingen ten grondslag gelegd:
3.1 Primair stelt eiseres zich op het standpunt dat gedaagde jegens haar een onrechtmatige daad heeft gepleegd, doordat hij (doel)bewust zijn auto met een grote plak roze verf op de motorkap en op het dak door de wasstraat van eiseres heeft laten rijden. Hij heeft hierdoor schade veroorzaakt bij eiseres, althans had gedaagde zich er bewust van moeten zijn dat hij, door zijn auto met een grote plak roze verf daarop door de wasstraat te laten rijden, schade zou veroorzaken bij eiseres.
3.2 Subsidiair baseert eiseres zich op de overeenkomst van opdracht ex artikel 7:400 BW. Naar haar oordeel levert de gedraging van gedaagde onafhankelijk van de door hem begane onrechtmatige daad een schending van de verbintenis uit hoofde van de overeenkomst van opdracht tussen partijen op.
3.3 Gedaagde is gehouden de door eiseres geleden schade te vergoeden. Deze schade bestaat uit de hoofdsom ad
€ 6.915,34, € 117,09 aan vervallen wettelijke rente van 28 juni 2010 tot en met 19 januari 2011 en € 768,-- aan buitengerechtelijke kosten.
4 Het verweer
Het verweer strekt tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van eiseres in de kosten van het geding.
Gedaagde heeft daartoe het volgende aangevoerd:
4.1 Gedaagde betwist iedere aansprakelijkheid voor (eventuele) schade als gevolg van het feit dat hij met een auto met daarop een roze substantie door de wasstraat van eiseres is gereden. Gedaagde wist niet c.q. was zich er niet van bewust dat er, zoals eiseres stelt, sprake was van roze verf. Of dat het geval was is ook thans niet duidelijk.
4.2 Als er al schade is, hetgeen door gedaagde wordt betwist, nu de wasstraat kennelijk nog een maand na het voorval in gebruik is geweest, komt die geheel voor rekening van eiseres, aangezien dergelijke schade, indien eiseres daarvoor niet was verzekerd, als het bedrijfsrisico van eiseres dient te worden beschouwd, met uitzondering van opzet of grove roekeloosheid. Gedaagde betwist dat door zijn toedoen schade is veroorzaakt, althans dat de gestelde schade aan hem kan worden toegerekend. Indien er sprake zou zijn van schade aan de zijde van eiseres is er sprake van 100% eigen schuld, althans van 100% bedrijfsrisico voor het onderhavige voorval, waarvoor eiseres is verzekerd, althans als goed ondernemer verzekerd had moeten zijn. Voorts heeft eiseres niets, althans zeer onvoldoende, ondernomen om mogelijke schade zoals door haar gesteld te voorkomen.
4.3 Gedaagde bestrijdt dat artikel 7:400 BW hier toepasselijk is. Subsidiair, voor het geval artikel 7:400 BW wel toepasslijk is, stelt gedaagde zich op het standpunt dat eiseres jegens hem haar zorgplicht ex artikel 7:401 BW, welke zorgplicht mede een waarschuwingsplicht inhoudt, heeft geschonden, door hem niet te waarschuwen dat bij bepaalde, ernstiger vormen van vervuiling, de auto eerst manueel of op andere wijze dient te worden gereinigd, alvorens deze door de wasstraat te laten rijden.
4.4. Gedaagde betwist voor zoveel nodig de hoogte van de gestelde schade en de hoogte van de buitengerechtelijke kosten, aangezien de inspanningen van de incassogemachtigde beperkt zijn gebleven tot het verzenden van enkele standaardbrieven.
5 De beoordeling
5.1 Allereerst zal de primaire grondslag van de vordering van eiseres, dat gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan een onrechtmatige daad, worden behandeld.
5.2 Ook in het kader van een overeenkomst kan sprake zijn van een onrechtmatige daad, mits de gedraging onafhankelijk van de schending van de verbintenis (voortvloeiend uit de overeenkomst) een onrechtmatige daad oplevert. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij zaaksbeschadiging. Toegepast op deze zaak: tussen partijen is een overeenkomst tot stand gekomen, waarbij gedaagde tegen betaling gebruik mocht maken van de wasstraat van eiseres. Enerzijds diende eiseres ervoor te zorgen dat door het gebruik van de wasstraat geen schade kon ontstaan aan de auto van gedaagde, terwijl anderzijds gedaagde op zodanige wijze gebruik dient te maken van de wasstraat, dat daaraan geen schade kon ontstaan. Schending van deze verplichtingen levert in beide gevallen wanprestatie op, maar indien deze gepaard gaat met zaakschade (aan de auto of aan de wasstraat) kan tevens sprake zijn van een onrechtmatige daad. Dit laatste vormt klaarblijkelijk de grondslag van de primaire vordering van eiseres. Voor zover nodig vult de rechtbank de rechtsgronden in deze zin aan.
5.3 Onderzocht moet dan worden of sprake is van een daad die onrechtmatig is, of de onrechtmatigheid aan gedaagde kan worden toegerekend, of er causaal verband aanwezig is en of daardoor schade is ontstaan.
5.4 Vast staat dat gedaagde met zijn auto door de wasstraat is gegaan, terwijl deze vervuild was met een roze substantie. Gelet op hetgeen gedaagde ter comparitie heeft verklaard over het voorval, waarbij hij meermalen heeft gesproken over verf op zijn auto, neemt de rechtbank aan dat gedaagde zijn verweer bij antwoord, dat ook thans nog niet duidelijk is of er sprake was van verf, heeft laten varen. Op grond van de stukken en hetgeen partijen hebben verklaard staat mitsdien genoegzaam vast dat de substantie die aanwezig was op de auto van gedaagde verf was.
5.5 Gedaagde heeft aangevoerd dat hij op het moment dat hij zijn auto in de wasstraat van eiseres liet reinigen meende dat het om roze vla of iets dergelijks ging en er niet bij heeft stilgestaan dat het om verf zou kunnen gaan. Voor zover gedaagde hiermee heeft willen aanvoeren dat hij geen schuld heeft kan dit verweer hem niet baten, aangezien het hier niet zozeer gaat om de vraag of gedaagde schuld heeft, d.w.z. opzettelijk schade heeft toegebracht aan de wasstraat, maar om de vraag of zijn gedraging hem kan verweten, of hij verwijtbaar heeft gehandeld. In dit verband is de rechtbank van oordeel, dat ieder redelijk denkend en handelend mens, die zijn auto in een wasstraat wil laten wassen er, ook zonder enige waarschuwing van eiseres, op bedacht had moeten zijn dat op hem, indien zich op of aan zijn auto een hem onbekende substantie bevindt, althans een hem onbekende substantie in de hier aan de orde zijnde hoeveelheid (en kleur), de plicht rust om te onderzoeken wat voor substantie het betreft, alvorens zijn auto door de wasstraat te laten gaan. Van gedaagde mocht in de gegeven omstandigheden dan ook worden verwacht, dat hij eerst onderzoek zou plegen naar de aard van de substantie die hij op zijn auto had aangetroffen, bijvoorbeeld door met zijn vinger aan de substantie te voelen of aan de substantie te ruiken en/of te proberen het goedje met een doek te verwijderen of iets dergelijks, dan wel de manager van het tankstation te raadplegen, alvorens met de vervulde auto door de wasstraat te gaan. Gedaagde heeft, door niet eerst te onderzoeken wat voor substantie zich op zijn auto bevond, het risico in het leven geroepen (en genomen) dat die substantie schade zou kunnen toebrengen aan (de borstels van) de wasstraat van eiseres en hij heeft door dit nalaten jegens eiseres niet de zorgvuldigheid betracht die in de gegeven omstandigheden van hem mocht worden verwacht. Zijn gedraging moet daarom als onrechtmatig worden aangemerkt en zij komt krachtens verkeersopvatting voor rekening van gedaagde, zodat zij hem ook kan worden toegerekend.
5.6 Naar het oordeel van de rechtbank is het bestaan van vorenbedoelde, op gedaagde rustende onderzoeksplicht, alsmede het risico van vervuiling en beschadiging van de wasborstels door verf bovenop een auto, zo evident, dat er op eiseres geen verplichting rustte om gedaagde te waarschuwen voor dergelijke vervuiling en de mogelijke gevolgen daarvan. Eiseres heeft dan ook geen op haar rustende waarschuwingsplicht geschonden.
Evenmin gaat het verweer van gedaagde op dat hij jegens eiseres niet aansprakelijk is voor eventuele schade omdat het voertuig van gedaagde was geleased en verzekerd was door de leasemaatschappij. Door de onrechtmatige handeling van gedaagde is een op hem rustende verbintenis jegens eiseres ontstaan om door haar geleden schade te vergoeden. De verplichting van de verzekering van de leasemaatschappij ziet slechts op de onderlinge relatie tussen gedaagde en de bedoelde verzekeraar, maar doet niet af aan de rechtstreekse verplichting van gedaagde tegenover eiseres uit hoofde van de onrechtmatige daad. Dat de leasemaatschappij geen verhaal biedt, omdat zij inmiddels is gefailleerd, baat gedaagde dan ook niet. Evenmin baat het gedaagde dat hij geen eigen aansprakelijkheidsverzekering had, omdat dit hem vanzelfsprekend niet ontslaat uit zijn verplichtingen op grond van zijn n aansprakelijkheid jegens eiseres.
Dat een derde de auto van gedaagde heeft vervuild met verf kan evenmin afdoen aan de aansprakelijkheid van gedaagde, want die derde heeft dan weliswaar de auto vervuild en heeft daarmee onrechtmatig gehandeld jegens gedaagde c.q. jegens de leasemaatschappij, maar niet jegens eiseres, omdat hij niet degene is die met de met verf besmeurde auto door de wasstraat van eiseres is gegaan en daarbij de wasborstels heeft vervuild.
5.7 Dat de verf nog niet droog was toen gedaagde met zijn auto door de wasstraat ging valt af te leiden uit het feit dat de verf tijdens de wasbeurt over een groter oppervlak van de auto is verspreid. Van algemene bekendheid is dat natte verf, die is aangebracht op een voorwerp, anders dan droge verf, door in aanraking te komen met andere voorwerpen ook op die andere voorwerpen terecht kan komen. De nog natte verf op de auto van gedaagde is in dit geval dus ook op de borstels van de wasstraat van eiseres terecht gekomen en heeft deze aldus kunnen vervuilen. Dat dit daadwerkelijk is gebeurd wordt bevestigd door de verklaring van de manager van het tankstation dat een klant die na gedaagde van de wasstraat gebruik wilde maken hem meldde dat de wasborstels vervuild waren.
5.8 Evident is dat de van de auto van gedaagde afkomstige verf, nadat deze was opgedroogd en hard was geworden, de functionaliteit van borstels als de onderhavige in ernstige mate heeft aangetast, enerzijds doordat de reinigende werking van de borstels als gevolg van de harde verf afneemt en anderzijds doordat als gevolg van de harde verf kans op beschadiging van de voertuigen van de klanten van eiseres ontstaat. Gelet op de zorgvuldigheid die eiseres in acht dient te nemen om de auto’s van derden deugdelijk te reinigen en om die voertuigen daarbij niet te beschadigen, is aannemelijk dat de borstels volledig onbruikbaar zijn geworden voor het doel waarvoor zij dienden en dus moesten worden vervangen.
5.9 Het verweer van gedaagde dat van schade aan de borstels geen sprake kan zijn, omdat de eerste klant die na het voorval de wasstraat bezocht zijn auto zonder dat deze vervuild is geraakt door de wasstraat heeft laten rijden, schiet tekort. Eiseres heeft immers, anders dan gedaagde suggereert, niet gesteld dàt die tweede klant daadwerkelijk met zijn auto door de wasstraat is geweest, maar slechts dat die klant bij haar manager heeft geklaagd dat de borstels vervuild waren. Dit laat de mogelijkheid open dat de bewuste klant de vervuiling heeft geconstateerd en toen heeft besloten zijn auto niet door de wasstraat te laten gaan. Van belang is in dit verband voorts dat eiseres heeft verklaard dat de wasstraat na het voorval tot aan de vervanging van de borstels een maand later niet in gebruik is geweest.
5.10 Nu eiseres de borstels van de wasstraat heeft moeten vervangen bestaat haar schade in de aanschafprijs van een set nieuwe borstels, met dien verstande dat daarop een korting voor ‘nieuw voor oud’ dient te worden toegepast. Die korting wordt vastgesteld op 25% van € 5.511,21, het bedrag exclusief omzetbelasting dat eiseres aan Washtec heeft moeten betalen, ofwel, afgerond, € 1.378,--. Bij het berekenen van de door eiseres geleden schade moet de omzetbelasting buiten beschouwing worden gelaten, aangezien eiseres deze met de fiscus kan verrekenen, zodat de BTW voor haar geen schadepost is. De directe schade bedraagt dan ook € 4.133,21. Dit bedrag is als gegrond toewijsbaar.
5.11 Eiseres heeft voorts gevorderd de wettelijke rente vanaf 28 juni 2010 tot en met 19 januari 2011 ad € 117,09, maar zij is hierbij uitgegaan van een hoofdsom van € 6.915,34. Overigens heeft eiseres niet onderbouwd hoe het dit laatste bedrag is samengesteld, behoudens dan dat daarin is begrepen het bedrag van de aanschafprijs van de nieuwe borstels ad € 5.511,21 en de BTW daarover ad € 1.047,13, tezamen mitsdien € 6.558,34. Voor het meerdere heeft eiseres geen grondslag gesteld. Wat hiervan ook zij, de rechtbank zal de wettelijke rente over € 4.133,21 toewijzen. De wettelijke rente is echter niet vanaf 28 juni 2010 opeisbaar, maar pas, gelet op de betalingstermijn die gedaagde is gegund in het onder 2.6 weergegeven schrijven van [C], vanaf 3 juli 2010.
5.12 De gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, nu niet is gebleken dat de werkzaamheden méér hebben omvat dan enige sommaties en de gebruikelijke voorbereiding van de procedure, waarvoor de proceskostenveroordeling mede een vergoeding pleegt te vormen.
5.13 Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
6 De beslissing
De rechtbank,
veroordeelt gedaagde om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiseres te betalen het bedrag van € 4.133,21 (zegge: vierduizend eenhonderd drieëndertig euro en eenentwintig eurocent, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag vanaf 3 juli 2010 tot aan de dag der voldoening;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van eiseres bepaald op € 568,-- aan vast recht, op € 76,31 aan overige verschotten en op € 1.152,-- aan salaris voor de advocaat;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.F. Lubberink.
Uitgesproken in het openbaar.
2020 (EAG)/80