Feiten
1. Op 7 augustus 2007 is overleden [X] , vader van [B]
(zelf op dat moment 12 jaar oud).
Bij testament1 had vader [B] zijn gehele vermogen aan zijn minderjarige zoon nagelaten, waaronder een tweetal effectenportefeuilles ondergebracht bij Friesland Bank ter waarde van ruim acht miljoen EURO.
Bij testament had [X] bepaald dat het erfdeel onder bewind zou worden gesteld tot het vijfentwintigste levensjaar van zijn zoon en heeft hij twee bewindvoerders benoemd:
[Y] en [Z] .
Van [Y] en [Z] is bekend dat zij beiden tot midden 2004 in dienst van Friesland Bank waren, zomede dat [Y] vanaf juli 2007 directeur van het vastgoedbeleggingsfonds Reggehuys Management B.V.2 was geworden.
2. De toezichthoudende kantonrechter heeft deze bewindvoerders als zodanig aangesteld en in overleg met hen op 15 oktober 2007 bepaald dat het vermogen van [B] , in overeenstemming met de landelijke richtlijn voor minderjarigen, risicoloos, gematigd defensief moest worden belegd.
Dit uitgangspunt is op 16 oktober 2007 door de bewindvoerders aan de Friesland Bank medegedeeld3 en door de Friesland Bank als uitgangspunt geaccepteerd.
3. De bewindvoerders hebben echter uit naam van [B] vervolgens opdracht gegeven uit zijn vermogen in zeer korte tijd zeer aanzienlijke bedragen over te maken naar het vastgoedbeleggingsfonds van één der bewindvoerders ( [Y] ), Reggehuys Management B.V.4(verder te noemen Reggehuys).
Dit is in strijd met genoemde richtlijn en hetgeen de toezichthoudende kantonrechter had bepaald.
In totaal heeft Friesland Bank in opdracht van de bewindvoerders in een periode van negen maanden (althans minder dan één jaar) een bedrag van € 4.000.000,-- aan het vermogen van [B] onttrokken en naar Reggehuys overgemaakt.
De vorderingen van [A] en [B]
4. [B] verwijt de Friesland Bank voormelde onttrekkingen te hebben uitgevoerd althans daar aan te hebben medegewerkt zonder de wettelijk vertegenwoordiger van
[B] dan wel de toezichthoudende kantonrechter te waarschuwen dat de door de bewindvoerders gegeven betalingsopdrachten strijdig waren met het belang van
[B] respectievelijk de eerder gegeven beleggings-/beheersinstructie.
5. Het vastgoedbeleggingsfonds Reggehuys is in 2010 failliet verklaard.
Nadat de curator de toezichthoudende kantonrechter had geïnformeerd over de inhoud van de betalingen uit het vermogen van [B] aan dat fonds, is die toezichthoudende kantonrechter bij beschikking5 van 16 juni 2011 overgegaan tot het ontslag van de twee bewindvoerders en heeft hij [A] tot bewindvoerder benoemd.
6. De rechtbank neemt hier -in gescande vorm- de volledige beschikking van de toezichthoudende kantonrechter over en acht die hiermede in dit vonnis ingelast en woordelijk herhaald:
SCAN NIET GEPUBLICEERD
10. Het overmaken van voormelde -grote- bedragen ten laste van de betaalrekening naar Reggehuys, was volgens [A] alleen mogelijk door het “communicerende vaten”-effect tussen die betaalrekening en de effectendepots.
In praktijk komt dat bovendien neer op (versnelde) verkoop van waardes uit die depots, die op zich al in strijd zijn te achten met de beleggingsinstructie dienaangaande dan wel tot (tijdelijke) kredietverruiming op die betaalrekening (moeten) hebben geleid, te weten tot het moment dat weer aanvulling van het saldo vanuit de depots zou hebben plaatsgevonden.
11. [A] acht het in deze omvang en frequentie in een zeer korte tijdspanne onttrekken via de betaalrekening van dergelijke substantiële bedragen aan de effectendepots, geen vorm van risicoloos en gematigd beheer van die depots, maar de facto liquidatie althans georganiseerde “leegloop” ervan is, waaraan Friesland Bank geen medewerking had moeten verlenen en in ieder geval de wettelijk vertegenwoordiger dan wel de toezichthoudende kantonrechter had moeten waarschuwen.
Zulks temeer waar hier een z.g. “private banking”-situatie aan de orde was, hetgeen inhoudt dat binnen de Friesland Bank ten aanzien van het (beheer van het) daar rustende vermogen van [B] een “personal banker” in de persoon van mevrouw [C] , als gekwalificeerd notarieel jurist, was aangewezen.
Deze mevrouw [C]8 was/is afgestudeerd notarieel juriste en in haar functie verantwoordelijk voor de financiële dienstverlening aan [B] als client van Friesland Bank.
Gegeven het feit dat de opdracht tot betaling van voormelde bedragen9 door de bewindvoerder(s) alle als telefonische spoedoverboeking nagenoeg allemaal aan mevrouw [C] zijn gegeven en die vervolgens ook door haar zijn afgehandeld, moet er alle aanleiding voor haar zijn geweest om in voormelde zin “aan de bel te trekken”.
12. Het nalaten daarvan respectievelijk uitvoeren van die betalingsopdrachten acht [A] in strijd met de voor Friesland Bank geldende zorgplicht ten aanzien van
(het vermogen van) [B] .
De vorderingen
13. [A] en [B] vorderen bij dagvaarding, uitvoer bij voorraad:
I. Voor recht te verklaren dat Friesland Bank jegens [B] aansprakelijk is voor de door hem geleden schade primair als gevolg van de onderhavige toerekenbare tekortkoming van Friesland Bank subsidiair onrechtmatige daad;
II. Friesland Bank veroordeelt tot betaling van de door [B] geleden schade
ad € 4.000.000,--;
III. Friesland Bank veroordeelt tot betaling van de in artikel 6:119 BW bedoelde wettelijke rente vanaf de datum dat de betalingen door Friesland Bank aan Reggehuys zijn uitgevoerd als opgenomen onder sub 65 der dagvaarding, subsidiair vanaf de datum van de aansprakelijkstelling d.d. 5 februari 2013, meer subsidiair vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
IV. Friesland Bank veroordeelt tot betaling van de buitengerechtelijke kosten ad € 20.810,83 subsidiair tot betaling van het bedrag dat de rechtbank in goede justitie redelijk acht;
V. Friesland Bank veroordeelt in de kosten van het geding.
Het verweer
14. Friesland Bank voert verweer, dat hierna bij de beoordeling aan de orde zal komen.
De verdere beoordeling
15. De feitelijke gang van zaken omtrent het testament van [X] , de effectendepots/betaalrekening bij de Friesland Bank, de rol van de bewindvoerders
[Y] en [Z] , het verloop van die rekeningen en de litigieuze, door Friesland Bank betaalde bedragen aan Reggehuys gedurende de bewindsperiode vanaf 15 oktober 2007 tot 16 juni 2011, staan op grond van de hiervoor gerelateerde beschikking van de toezichthoudende kantonrechter van 16 juni 2011 respectievelijk de reconstructie door
[A] van het verloop van de rekeningen op basis van de dagafschriften, tussen partijen vast.
16. Tevens staat vast dat het totaal van die litigieuze bedragen een bedrag beslaat van
€ 4.000.000,--, waarvan de toezichthoudende kantonrechter in zijn beschikking van
16 juni 2011 -naar het oordeel van de rechtbank terecht- overweegt en vaststelt dat die aan Reggehuys betaalde bedragen (onder de titel “geldlening”, investering” of welke dan ook) niet in het belang van de minderjarige [B] zijn geweest.
Het waren enkel geldleningen aan CEG (i.e. Reggehuys) om crediteuren van CEG te kunnen betalen.
17. Voor de beoordeling van de vorderingen van [A/B] tegen de Friesland Bank is echter van belang of en, zo ja wanneer, de Friesland Bank gedurende de bewindsperiode van 15 oktober 2007 tot 16 juni 2011 naar aanleiding van actie(s) van de bewindvoerders in het kader van het beheer van de onder de Friesland Bank berustende effectendepots respectievelijk de litigieuze onttrekkingen aan het vermogen van
[B] middels de aan die depots gekoppelde betaalrekening van medewerking daaraan had moeten afzien althans eerst aan enige (spreekwoordelijke) bel had moeten trekken als bijvoorbeeld het inlichten/waarschuwen van de toezichthoudende kantonrechter.
18. Uitgangspunt van die beoordeling is voor de rechtbank het beheer van het onder de Friesland Bank berustende vermogen van de minderjarige [B] , door twee bij testament benoemde bewindvoerders, waarbij de belangen van die minderjarige centraal (behoren te) staan.
In het verlengde daarvan bepaalde de toezichthoudende kantonrechter aan het begin van de bewindvoering dat dat vermogen (in overeenstemming met de geldende richtlijn) risicoloos gematigd defensief belegd moest worden, hetgeen door de bewindvoerders aan de
Friesland Bank is medegedeeld en door Friesland Bank is geaccepteerd als uitgangspunt bij het beheer van het vermogen althans de door [B] bij Friesland Bank aangehouden rekeningen.
19. Binnen voormeld kader strekt de zorgplicht van de Friesland Bank er dan allereerst toe dat Friesland Bank ervoor zorg draagt, althans er op toeziet, dat die effecten en/of waardes in de door [B] van zijn vader geërfde effectendepots, die niet aan het door de kantonrechter aangegeven criterium voldoen, (zonodig) binnen enig tijdsbestek worden afgestoten en binnen die portefeuille door andere, wel in aanmerking komende effecten/waardes worden vervangen.
20. Voor zover de opbrengst van verkochte effecten uit de effectendepots enkel werd aangewend om door toedoen van de bewindvoerders gedane uitkeringen aan Reggehuys de al te zeer opgelopen debetstand van de gekoppelde betaalrekening terug te brengen, acht de rechtbank zulks niet in overeenstemming met de voor de Friesland Bank geldende zorgplicht ten opzichte van de belangen van [B] .
Datzelfde geldt -mutatis mutandis- in het geval de bewindvoerders de opbrengst van verkochte effecten niet (hebben laten) aanwenden voor herbelegging binnen de depots, maar die deden overmaken naar de betaalrekening teneinde die gelden vervolgens aan Reggehuys te doen overmaken.
21. Met name in de vorige alinea geschetste situaties was de Friesland Bank, naar het oordeel van de rechtbank, gehouden “aan de bel te trekken” en (primair) zich te verstaan met de bewindvoerders ter verificatie althans toelichting in hoeverre een substantiële (enkele tonnen euro’s) betaling aan Reggehuys enkel op basis van telefonische spoedopdracht onder een non-descripte omschrijving (“conform afspraak, voorfinanciering, etc.) zich verhoudt met het initieel afgesproken beleggingsprofiel binnen de effectendepots en (subsidiair) bij onvoldoende duidelijk antwoord van de bewindvoerders zich met de toezichthoudende kantonrechter en/of voogd te verstaan.
22. Uit de inmiddels overgelegde betalingsopdrachten met betrekking tot de litigieuze betalingen aan Reggehuys blijkt, dat die allemaal door de bewindvoerders aan de
Friesland Bank gegeven zijn in de vorm van een telefonische spoedopdracht en nagenoeg alle aan “personal banker” mevrouw [C] .
Van enige spoedeisendheid aan de zijde van [B] voor het doen van die betalingen is de rechtbank niets gebleken. Evenmin heeft de Friesland Bank gesteld of is anderszins gebleken dat harerzijds en meer in het bijzonder door mevrouw [C] enige toets en/of controle als hiervoor omschreven, is toegepast alvorens die betalingsopdrachten uit te voeren.
23. Aan de hand van de formulieren voor de telefonische spoedopdrachten respectievelijk de afschrijvingen van de corresponderende bedragen op de dagafschriften, is eenvoudigweg vast te stellen, dat mevrouw [C] die opdrachten van de bewindvoerders terstond en
-kennelijk- klakkeloos heeft uitgevoerd.
Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat binnen bankinstellingen als de Friesland Bank en daarmee te vergelijken financiële instellingen, de gebruikelijke toetsingskaders (aan beleggingsprofiel) en andere controlemechanismes (grotere bedragen c.q. overtrekken debetstand) middels toepassing van dergelijke telefonische spoedopdrachten gemakkelijker te omzeilen zijn althans die toetsing of controle veel marginaler en (soms) alleen achteraf wordt uitgeoefend.
De rechtbank ziet hier een duidelijk verband met het feit dat de bewindvoerders beiden tot betrekkelijk kort voor de aanvang van de bewindvoering in dienst van de Friesland Bank zijn geweest en mitsdien de interne werkwijze van de Friesland Bank kenden en mogelijk ook gebruik hebben gemaakt van bij het personeel van de Friesland Bank, althans
mevrouw [C] in hen bestaand vertrouwen.
24. Het meest sprekende voorbeeld hiervan vindt de rechtbank in de gang van zaken
medio maart 2008.
- In de email10 van 24 december 2007 kondigt het hoofd vermogensadvies [M] nader advies aan van de afdeling juridische zaken en de riskcontroller van het Effectenbedrijf van de Friesland Bank.
- In de email11 van 21 januari 2008 geeft [M] aan dat de kantonrechter aan de bewindvoerders toestemming moet gaan geven voor beleggen met geleend geld.
- In de brief12 van 6 maart 2008 geeft de Friesland Bank aan de bewindvoerders aan dat de
betaalrekening de limiet zodanig overschreden heeft, dat door hen geen geld meer kan
worden opgenomen.
- Vervolgens wenden de bewindvoerders zich per brief13 van 9 maart 2008 tot de kantonrechter met het verzoek de leningsfaciliteit bij de Friesland Bank te mogen verruimen: ”Aangezien wij de komende tijd grote bedragen dienen te betalen, zoals de juwelier, de weduwe, de tuinman etc........” waarop de kantonrechter middels stempel van 14 maart 2008 positief heeft beschikt.
- Daags daarna, om precies te zijn op 17 maart 2008 te 14.00 uur, geeft bewindvoerder
[Y] een telefonische spoedopdracht aan mevrouw [C] om € 2.000.000,-- als “tijdelijke lening” naar Reggehuys over te maken, hetgeen zij vervolgens ook terstond heeft gedaan.
Gezien het eerdere standpunt van de Friesland Bank van 6 maart 2008 dat geen verdere opnames door de bewindvoerders konden plaatsvinden, kon deze betaling van twee miljoen EURO alleen maar plaatsvinden dan nadat de Friesland Bank van de beschikking van de kantonrechter van 14 maart 2008 en dus de inhoud van de onderliggende brief van
9 maart 2008 van de bewindvoerders had kennisgenomen.
25. Het lijdt geen twijfel dat betaling van een dergelijk substantieel bedrag onder het mom van “tijdelijke lening” aan Reggehuys, zich niet verhoudt met de eerder opgegeven redenen (weduwe, juwelier, tuinman etc.) waarom door de bewindvoerders aan de kantonrechter uitbreiding van de kredietfaciliteit werd gevraagd, laat staan met het oorspronkelijke beleggingsprofiel van de effectendepots van [B] .
De rechtbank kan hieruit geen andere conclusie trekken, dan dat de Friesland Bank niet alleen deze, maar ook elke andere telefonische spoedopdracht van de bewindvoerders tot betaling van de litigieuze bedragen aan Reggehuys terstond en klakkeloos -te weten zonder enige toets aan de belangen van [B] - heeft uitgevoerd.
26. Het verweer van de Friesland Bank, dat zij wel degelijk de toezichthoudende kantonrechter heeft geïnformeerd, snijdt geen hout, in die zin dat zulks eerst plaatsvond in april 2009 op welk moment de hier in het geding zijnde vier miljoen EURO reeds lang en breed (meer dan een jaar) aan Reggehuys waren overgemaakt en op dat moment al niet meer konden worden terugbetaald c.q. nadien ook nimmer zijn terugbetaald.
De stelling van de Friesland Bank dat het wel tijdig en deugdelijk inlichten van de toezichthoudende kantonrechter niet tot een ander resultaat dan het huidige zou hebben geleid, wordt verworpen.
Zoals uit de brief van die kantonrechter14 van 29 april 2009 blijkt, heeft die elke verdere betaling aan Reggehuys (CEG) verboden en die hebben nadien ook niet meer plaatsgevonden.
Verder is het blijkens die brief geenszins zo, dat de kantonrechter de eerdere door de bewindvoerders aan Reggehuys gedane betalingen (al dan niet als beleggingen) heeft goedgekeurd.
Conclusie
27. Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de Friesland Bank jegens [B] is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens [B] en daarmede aansprakelijk is voor de door [B] geleden schade. Daarmede heeft Friesland Bank de litigieuze onttrekkingen door de bewindvoerders aan het vermogen van [B] mogelijk gemaakt en is Friesland Bank gehouden de daardoor ontstane schade voor [B] te vergoeden in de zin dat Friesland Bank het risico van oninbaarheid bij Reggehuys Management B.V. van die onttrekkingen heeft te dragen.
Schade
28. [A/B] vorderen in hoofdsom een bedrag van € 4.000.000,--, zijnde het totaal van de litigieuze betalingen aan Reggehuys Management B.V.
29. Op het beroep van de Friesland Bank op beperking van dat bedrag wegens eigen schuld aan de zijde van [B] wordt niet toegekomen en als zodanig verworpen.
Uitgaande van het behoorlijk vervullen van haar zorgplicht door de Friesland Bank en dus het tijdig “aan de bel trekken” in geval van deze litigieuze betalingsopdrachten, zouden de effectendepots al dan niet met herbeleggingen conform het afgesproken beleggingsprofiel met de daarmede gemoeide bedragen in tact gebleven zijn en zonder de (verdere) uitgaven via de daaraan gekoppelde betaalrekening zich -in de zin van beheer- beperkt hebben tot de gebruikelijke uitgaven. In die laatste groep ziet de rechtbank nog wel een aantal mutaties, die vraagtekens oproepen15, maar deze maken geen onderdeel uit van het thans gevorderde.
30. De gevorderde wettelijke rente is ingevolge het bepaalde in artikel 6:74 lid 1 jo 83 sub
b BW toewijsbaar vanaf de datum dat de respectieve betalingen door de Friesland Bank aan Reggehuys Management B.V. zijn verricht conform de opstelling van bedragen en data onder punt 65 van de dagvaarding (en in gelijke zin punt 87 van de Conclusie van Repliek).
Buitengerechtelijke kosten
31. [A/B] vorderen een bedrag ad € 20.810,83 aan buitengerechtelijke kosten16.
De naar aard en daaraan bestede tijd gespecificeerde werkzaamheden over de periode oktober 2012 tot begin juni 2014 van mrs. Snel-De Kroon, Pieters, Pluymen, Borm,
Van der Werff en Schepel zijn duidelijk en hebben uitsluitend betrekking op het “voortraject” van deze procedure.
Mede gezien het van den beginne af aan door de Friesland Bank ingenomen afwijzende standpunt ten aanzien van de vorderingen, acht de rechtbank die werkzaamheden, mede gezien naar de aard en omvang van dit dossier, geheel en al gerechtvaardigd en gezien het daarmede gemoeide belang de omvang van die buitengerechtelijke kosten ook volstrekt redelijk en zullen die conform het gevorderde worden toegewezen.
Proceskosten
32. de Friesland Bank zal als in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.