3.1.
[verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] heeft:
a. a) primair, verzocht:
- de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Decla te vernietigen;
- te bepalen dat Decla het loon dient te betalen over de maanden juli en augustus 2015, op straffe van een dwangsom;
- te bepalen dat Decla de wettelijke rente en de maximale wettelijke verhoging ad artikel 7:625 BW is verschuldigd aan [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek], te berekenen vanaf 29 juli 2015 tot de dag van voldoening;
- te bepalen dat Decla het overeengekomen salaris aan [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] blijft betalen totdat het dienstverband rechtsgeldig zal zijn beëindigd;
- Decla te veroordelen in de proceskosten.
Aan dit verzoek legt [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] ten grondslag – in aanvulling op de feiten – het volgende ten grondslag.
Er is geen sprake van een rechtsgeldige opzegging.
Artikel 7:652 lid 8 sub d BW bepaalt dat het proeftijdbeding nietig is, indien het beding is opgenomen in een opvolgende arbeidsovereenkomst tussen een werknemer en dezelfde werkgever, tenzij die overeenkomst duidelijk andere vaardigheden of verantwoordelijkheden van de werknemer eist dan de vorige arbeidsovereenkomst. Het proeftijdbeding zoals opgenomen in de arbeidsovereenkomst d.d. 9 juni 2015 is nietig, omdat [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] al vanaf juli 2013 werkzaam is als bedrijfsleider bij Decla, en er per 1 juli 2015 dus niets is gewijzigd ten aanzien van de vaardigheden of verantwoordelijkheden ten opzichte van de vorige overeenkomst.
Indien het proeftijdbeding niet nietig verklaard wordt, geldt dat het beroep hierop misbruik van recht oplevert, alsmede strijd met goed werkgeverschap. De bevoegdheid om op te zeggen tijdens de proeftijd is in deze situatie immers niet ingegeven door het gebrek aan kwaliteiten van de werknemer. [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] heeft – volgens Decla - slechts één dag als bedrijfsleider gewerkt, namelijk op 1 juli 2015. De heer [naam directeur], directeur van Decla en direct leidinggevende van [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] (hierna: [naam directeur]), was op die dag niet aanwezig. De hoedanigheid en geschiktheid van [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] voor de functie van bedrijfsleider is dan ook niet te beoordelen. Totdat [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] zich ziek meldde, was Decla zeer tevreden over het functioneren van [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek]. Het kan niet anders dan dat de ziekmelding van [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] reden was de arbeidsovereenkomst op te zeggen.
Voorts heeft [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek]:
b) subsidiair, alleen indien de opzegging terecht zou zijn, een verzoek gedaan te bepalen dat aan [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek]:
- een transitievergoeding moet worden betaald,
- een billijke vergoeding dient te worden betaald, en
- Decla te veroordelen in de kosten van de procedure.
[verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] stelt dat Decla op grond van artikel 7:673 lid 1 BW een transitievergoeding verschuldigd is.
In dat verband heeft [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] het volgende aangevoerd.
Het dienstverband heeft meer dan 24 maanden geduurd en het initiatief van de beëindiging ligt aan de zijde van Decla.
Voor wat betreft de datum van indiensttreding geldt het volgende.
[verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] heeft haar eerste stage bij de rechtsvoorgangster van Decla, Van Oort Interieurs (hierna: Van Oort), gevolgd van 14 februari 2012 tot april 2012. Direct aansluitend is zij, naast haar studie, werkzaamheden voor Van Oort gaan verrichten. Dit is gebeurd in de periode van april 2012 tot 8 augustus 2012. Decla heeft [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] vervolgens gevraagd of de tweede stage per 8 augustus 2012 zou kunnen ingaan in plaats van per 3 september 2012. Dat was echter niet mogelijk vanwege de vakantie van het opleidingsinstituut. [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] is dus vanaf 3 september 2012 werkzaam bij Decla, aldus [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] bij het verzoekschrift.
Ter zitting heeft [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] gemotiveerd aangegeven dat het dienstverband per medio april 2012 is aangevangen, waarover meer onder De beoordeling.
Tevens moet volgens [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] een billijke vergoeding worden toegekend, vanwege de volgende omstandigheden.
Decla heeft misbruik gemaakt van de situatie door de arbeidsovereenkomst op te zeggen tijdens de arbeidsongeschiktheid van [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek]. [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek], die als gevolg van een te hoge werkdruk is uitgevallen, was door haar ziekte al labiel en psychisch minder weerbaar. Door deze opzegging heeft Decla de gesteldheid van [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] niet verbeterd. Integendeel, de gezondheidstoestand van [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] is hierdoor verder verslechterd. Over re-integratie is niet nagedacht en een bedrijfsarts is niet ingeschakeld. Voorts heeft Decla in de mail van 29 juli 2015 gesteld dat [verzoekster in het verzoek/verweerster in het voorwaardelijk tegenverzoek] zodanige fouten zou hebben gemaakt dat de onderneming zeer ernstige schade zou hebben opgelopen, terwijl deze verwijten onterecht zijn.