2 De feiten
2.1.
[verweerder] , geboren 19 mei 1977, is op 17 juni 1996 in dienst getreden bij Ferwerda. De laatste functie die [verweerder] vervulde, is die van Expeditie/Magazijnmedewerker, met een salaris van € 1.854,08 bruto per maand, exclusief vakantiebijslag en overige emolumenten.
2.2.
Ferwerda is een bedrijf met ongeveer 100 werknemers (86 fte's) en 9 vestigingen. Ferwerda heeft geen ondernemingsraad.
2.3.
Vanaf medio april 2008 maakt Ferwerda gebruik van zichtbare camerabewaking bij de in- en uitgangen van haar bedrijfspand in Leeuwarden en in een aantal ruimtes van dit pand. Bij de ingang van het bedrijfspand is met bordjes aangegeven dat er cameratoezicht is. Ferwerda heeft ook gebruik gemaakt van verborgen camera's. Begin 2014 is er een verborgen camera opgehangen in het kantoortje achter de balie waar het kasgeld werd geteld, omdat bij het tellen wel eens geld was verdwenen. Voorts is begin 2015 een verborgen camera geplaatst op een stelling in de showroom die gericht stond op een slagmoersleutel ter waarde van € 435,--. Reden daarvoor was dat drie keer eerder een dergelijke sleutel was verdwenen.
2.4.
Op 16 februari 2010 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verweerder] en de heren [naam] (hierna: [naam] ), destijds vestigingsleider/teamleider te Leeuwarden en operationeel manager van alle vestigingen, en C. [naam] (hierna: [naam] ), eveneens werkzaam bij Ferwerda. Van dit gesprek is een (interne) gespreknotitie gemaakt door [naam] waarin, voor zover hier van belang, staat:
Gesprek gehad met [verweerder] over hoe het gene dat er wat geruchten de ronde gaan over dat [verweerder] het niet eens zou zijn met hoe het binnen de vestiging Leeuwarden gaat en dat hij dat zou uiten in de kantine.
Ik heb [verweerder] aangegeven dat als hij problemen heeft hij zich bij mij moet melden en dat hij hier vrijwillig is gekomen maar ook vrijwillig weer weg mag als hij het met de gang van zaken niet eens is.
[verweerder] gaf zelf aan dat dit niet aan de orde was "waar ik overigens zeer mijn twijfels bij heb".
2.5.
Medio september 2014 is [naam] aangesteld als vestigingsleider/teamleider te Leeuwarden. Hiermee werd hij de direct leidinggevende van [verweerder] . [naam] bleef operationeel manager van alle vestigingen.
2.6.
Op 24 april 2015 heeft een aantal medewerkers, waaronder [verweerder] , bij opruimwerkzaamheden de verborgen camera die gericht stond op de slagmoersleutel ontdekt. Zij hebben [naam] daarop aangesproken. Vervolgens heeft de directie van Ferwerda op dezelfde dag een kantinebijeenkomst gehouden voor alle medewerkers in de vestiging Leeuwarden over het gebruik van (verborgen) camera's binnen Ferwerda.
2.7.
Per 1 september 2015 heeft een wijziging plaatsgevonden in de organisatiestructuur bij Ferwerda, in die zin dat de functie van [naam] is opgesplitst. [naam] kreeg de leiding over de telefonische verkoop, de lakafdeling en de voorbalie en de heer [naam] (hierna: [naam] ) kreeg de leiding over het magazijn, de expeditie en de zijbalie. Daarmee werd [naam] de direct leidinggevende van [verweerder] . Ferwerda heeft op dezelfde dag al haar medewerkers in Leeuwarden in een kantinebijeenkomst hierover ingelicht.
2.8.
Op 3 september 2015 is de werkplek van [verweerder] door Ferwerda van de bandenhal verplaatst naar de zijbalie in het magazijn.
2.9.
Op 4 september 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de heer J.W. van Dort (hierna: Van Dort), directeur, de heer [naam] , controller, en [verweerder] en zijn collega [A] . Aanleiding voor dit gesprek was de melding van [naam] bij Van Dort dat [verweerder] en [A] op 2 september 2015 tegen hem gezegd zouden hebben dat zij zijn verkooporders hadden gecontroleerd en vraagtekens plaatsten bij een aantal bonnen, dat alle medewerkers van de afdeling hierbij betrokken waren en dat [naam] zelfs zijn bureaulade had doorzocht op zoek naar bewijsmateriaal. Van dit gesprek is door Ferwerda een verslag opgesteld. Daarin staat onder meer:
(…). [verweerder] geeft direct aan dat zij inderdaad orders controleren en nog veel meer. Hij geeft aan dat zij op een aantal zaken aangesproken worden en vinden/vermoeden dat de leiding ook zaken bewust niet goed doet en willen dat onderzoeken. (…).
Daarnaast vindt Jan William van Dort het vreemd dat jullie ineens het onderzoek bekend maken aan [naam] , terwijl dit onderzoek tegen [naam] gericht is. Wij kunnen hier niet anders uit opmaken dat jullie hiermee onrust brengen in de vestiging, waarmee jullie schade toebrengen aan [naam] , de werksfeer en daarmee aan het bedrijf Ferwerda. Hierbij waarschuwen wij jullie voor jullie gedrag en geven wij aan dat wij dit soort acties niet accepteren.
[verweerder] vindt dat Ferwerda eens wat zou moeten doen aan Teambuilding. De laatste jaren groeien de medewerkers meer en meer uit elkaar. Het management wil dat de neuzen dezelfde kant op moeten gaan staan, maar ik merk niet dat daar gericht aan gewerkt wordt.
[naam] vraagt hoe [verweerder] team building ziet en wat er volgens hem dan gedaan moet worden. [verweerder] geeft aan dat indien zij ideeën, voor naar hun idee verbetering hebben, er sterk het gevoel leeft dat zij tegen een muur aanlopen, die nimmer een inhoudelijke reactie terug geeft. Er wordt niets mee gedaan en er verandert niets. (…) [naam] geeft duidelijk aan dat een aantal wijzigingen of verplichtingen zijn doorgevoerd en dan niet, omdat de directie het personeel tot last wil zijn, maar dat Ferwerda tot bepaalde beslissingen gedwongen wordt vanwege veiligheid, wet en regelgeving. Het lijkt er regelmatig op dat medewerkers daar aan voorbij gaan en de directie van Ferwerda verantwoordelijk houden voor minder leuke voorgeschreven regels.
Teambuilding begint bij jezelf, accepteren dat bepaalde (minder plezierige) regels nu eenmaal zo zijn, dus uitvoeren en zeker niet door activiteiten te ondernemen zoals eerder in dit gesprek besproken zijn. Pas dan laat je zien dat er inzet is voor teambuilding. [verweerder] wil teambuilding, maar werkt dat zelf tegen door eerder genoemde activiteiten te verrichten.
Het gespreksverslag, dat op 1 oktober 2015 door Ferwerda aan [verweerder] is overhandigd, heeft [verweerder] niet ondertekend. Ook [A] heeft het gespreksverslag niet ondertekend.
2.10.
Op 7 oktober 2015 heeft Ferwerda een aangetekende brief, gedateerd 14 september 2015, afkomstig van "Personeel Ferwerda Leeuwarden" ontvangen over de camera's die Ferwerda heeft opgehangen in haar vestiging in Leeuwarden. In de brief, die als onderwerp "aansprakelijkheidsstelling schending cameratoezicht" heeft, staat het volgende:
Hierbij zou ik u aandacht willen vragen voor het volgende.
Enige tijd geleden heeft u op de werkplek camera's opgehangen. U heeft als werkgever de werknemers hiervan niet op de hoogte gesteld en deze voelen zich dan ook aangetast in hun privacy. Door het cameratoezicht is een belastende druk voor de werknemers ontstaan. Werknemers moeten er namelijk redelijkerwijs vanuit kunnen gaan dat zij op hun werk in privacy verkeren.
Wet
In de wet is het zo geregeld dat het in het algemeen niet toegestaan is om medewerkers in de gaten te houden met videocamera's mits er zwaarwegende argumenten zijn.
Voorwaarde is dat zij de werknemers vooraf op duidelijke wijze in kennis hebben gesteld van de mogelijke inzet van verborgen camera's op de werkvloer. Dit kan bijvoorbeeld in de vorm van een personeelscirculaire. Als het gaat om een verborgen camera, gelden er aanvullende regels. Eigenlijk kan een verborgen camera alleen gebruikt worden in het geval een werkgever een vermoeden heeft dat er diefstal plaatsvindt. In dat geval mogen er verborgen camera's opgehangen worden op de plek waar de diefstal plaatsvond, en niet door het hele bedrijf. Elk opzettelijk filmen of fotograferen van personen met een aangebrachte camera in de openbare ruimte is verboden, tenzij dit vooraf duidelijk is aangekondigd (artikel 441b Wetboek van Strafrecht).
Beperkingen
Ten eerste mag de werkgever alleen specifiek die werknemers filmen die mogelijk betrokken zijn bij een onrechtmatige daad. Dus niet preventief iedereen.
Ten tweede moet de werkgever vooraf hebben gemeld dat er verborgen camera's gebruikt kunnen worden (maar natuurlijk niet waar die staan).
En ten derde moet het middel wel proportioneel zijn. Er moeten geen andere mogelijkheden zijn om de onregelmatigheden aan te pakken.
Protocol of reglement
Video-opnamen van personen zijn te beschouwen als verwerking van persoonsgegevens. Dit betekent dat bij cameratoezicht waarbij opnames worden gemaakt, een reglement cameratoezicht moet worden gepubliceerd. Dit reglement (ook wel protocol) legt vast waarom men opnames maakt, wie daar toegang toe heeft, hoe men een kopie van de opnames kan krijgen en wanneer deze worden gewist.
Gebruik van camera's
Gebruik van verborgen camera's (waarvan medewerkers dus niet kunnen zien waar ze hangen) mag alleen voor kortdurende periodes, maximaal drie maanden, en alleen bij ernstige misstanden. Die dus ook specifiek genoemd moeten zijn.
Bewaartermijn van camerabeelden
Camerabeelden mogen zo lang worden bewaard als nodig is voor het doel waarvoor ze worden gemaakt. Echter, wanneer de beelden langer dan vier weken worden bewaard, moet het toezicht worden gemeld bij het College bescherming persoonsgegevens.
Conclusie
Bij het niet hebben van zwaarwegende argumenten voldoet u niet aan de eisen van de wet en pleegt u een strafbaar feit.
Om voorgaande genoemde redenen zouden wij u hierbij willen verzoeken om de camera's op korte termijn te verwijderen.
Mocht u toch een reden hebben voor het ophangen van de camera's dan vernemen wij deze graag.
2.11
Bij de brief zijn 17 ongedateerde, gelijkluidende verklaringen gevoegd, met vermelding van de naam en de handtekening van een werknemer. De bovenste verklaring is van [naam] . De verklaringen luiden als volgt:
Zoals jullie inmiddels weten of hebben kunnen zien, hangen er door het pand zichtbare en onzichtbare camera's. Met deze camera's worden we niet alleen gefilmd, maar worden de beelden ook opgenomen!
Het filmen van ons als personeel met geheime camera's mag niet. De directie/werkgever mag in principe geen gebruik maken van verborgen camera's om ons als personeel te filmen. Een werkgever mag alleen wanneer er bijvoorbeeld veel wordt gestolen of gefraudeerd onder strikte voorwaarden gebruikmaken van een verborgen camera. Andere inspanningen van de werkgever moeten dan niet hebben gewerkt en de controle moet tijdelijk zijn.
Een werknemer heeft óók in de werksituatie recht op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer. Het controleren van het functioneren van werknemers door camera-observaties kan ingrijpend zijn en grote gevolgen hebben voor werknemers die een (financiële) afhankelijkheidsrelatie hebben met hun werkgever. Er kan in zo'n relatie ook geen sprake zijn van 'vrije' toestemming voor geheime camera-observaties.
De juiste werkwijze
In elk geval moet een werkgever die camera's ophangt zich houden aan de Wet Bescherming Persoonsgegevens: er moeten zwaarwegende redenen zijn om camera's op te hangen (proportionaliteit: niet met een kanon op een mug schieten) en andere, minder ingrijpende maatregelen moeten aantoonbaar niet hebben gewerkt (subsidiariteit). Het belang van de werkgever moet opwegen tegen de schending van de privacy van de werknemers. En het personeel moet in elk geval op de hoogte zijn: stiekem filmen mag niet!
Wanneer jij het eens bent met het bovenstaande en wilt dat de directie wordt aangesproken op de ongevraagde camera-observaties zet dan je naam en handtekening hieronder. Wij, als werknemers, gaan collectief de directie aanschrijven.
2.12.
Na ontvangst van de brief heeft Ferwerda een aantal medewerkers, los van elkaar, gevraagd wie de initiatiefnemers zijn geweest van de brief en wie de brief heeft gepost. De namen van [verweerder] , [A] en hun collega [B] zijn genoemd.
2.13.
Op 8 oktober 2015 heeft Van Dort een gesprek gevoerd met [naam] over de door hem ondertekende verklaring. Van dat gesprek heeft Ferwerda een verslag gemaakt dat door [naam] is ondertekend. Volgens het verslag heeft [naam] onder meer het volgende verklaard:
Medio april 2015 ben ik benaderd door [verweerder] om mijn handtekening te plaatsen in een collectief verweer van personeel Ferwerda Leeuwarden tegen bewakingscamera's in de zaak. In een opwelling heb ik getekend op een formulier zonder datum aanduiding, maar het zal ongeveer april/mei 2015 zijn geweest.
De volgende dag realiseerde ik mij dat ik als leidinggevende hieraan niet behoorde mee te doen, ik heb impulsief gehandeld! Ik ben die dag naar [verweerder] gegaan en heb hem gevraagd om het getekende formulier terug te geven. [verweerder] antwoorde dat hij de formulieren thuis had en deze dus niet terug kon geven. Ik heb vervolgens duidelijk aangegeven hier niet meer aan mee te willen doen en heb hem gevraagd mijn formulier te vernietigen. [verweerder] heeft mij verzekerd dat mijn formulier niet gebruikt zou worden.
Vandaag wordt ik geconfronteerd met een aangetekende brief waar mijn formulier als eerste bijgevoegd is.
Ik voel mij belazerd!
2.14.
Op 9 oktober 2015 zijn [verweerder] , [A] en [B] , elk afzonderlijk, opgeroepen voor een gesprek met Van Dort, mede-directeur I. van Dort, [naam] en [naam] over de op 7 oktober 2015 ontvangen brief. [verweerder] wilde dit gesprek alleen aangaan in aanwezigheid van een advocaat. Hierop is [verweerder] door Van Dort en [naam] te verstaan gegeven dat hij per direct op non-actief werd gesteld. Vervolgens is [verweerder] door hen naar buiten begeleid. [A] en [B] zijn het gesprek wel aangegaan. Tijdens deze gesprekken is ook hen meegedeeld dat zij per direct op non-actief werden gesteld. Daarna zijn ook zij door Van Dort en [naam] naar buiten begeleid.
2.15.
Bij brief van dezelfde datum heeft Ferwerda bevestigd dat [verweerder] bij wijze van ordemaatregel per direct op non-actief is gesteld. In de brief is daarvoor als reden gegeven dat [verweerder] onrust stookt en creëert op de werkvloer waardoor de orde in de vestiging Leeuwarden is verstoord en dat hij bovendien collega's, leidinggevenden en Ferwerda beschadigt. Ferwerda acht de non-actiefstelling noodzakelijk om het werkproces weer op gang te brengen en de rust op de werkvloer te kunnen herstellen. Daarnaast heeft Ferwerda te kennen gegeven dat zij de non-actiefstelling wil benutten om onderzoek te verrichten naar eventuele (andere) onrechtmatige gedragingen dan wel onacceptabel gedrag van [verweerder] . Tijdens de op non-actiefstelling wordt het [verweerder] door Ferwerda verboden om contact te hebben met zijn collega’s, met de andere collega’s die op non-actief zijn gesteld en met klanten van Ferwerda.
2.16.
Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat [verweerder] op 9 oktober 2013, 19 augustus 2014 en 22 januari 2015 personeelsaankopen heeft gedaan en dat de ter zake opgemaakte facturen op respectievelijk 4 maart 2014, 5 januari 2015 en 27 februari 2015 door hem zijn voldaan.
2.17.
Op verzoek van [verweerder] hebben (ex-)collega's en klanten schriftelijke verklaringen afgelegd over [verweerder] die door hem in het geding zijn gebracht. Deze verklaringen zijn positief van aard voor wat betreft de persoon van [verweerder] en zijn inzet voor het bedrijf en voor klanten.
3 Het verzoek
3.1.
Ferwerda verzoekt de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden op grond van artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, van het Burgerlijk Wetboek (BW), primair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel e BW (verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer), subsidiair in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g BW (een verstoorde arbeidsverhouding). Tevens verzoekt Ferwerda een verklaring voor recht dat [verweerder] daarbij geen recht heeft op de transitievergoeding of enige andere vergoeding en veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
3.2.
Aan haar primaire verzoek heeft Ferwerda - samengevat - ten grondslag gelegd dat sprake is van verwijtbaar handelen van [verweerder] , zodanig dat van Ferwerda in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ter onderbouwing daarvan heeft Ferwerda naar voren gebracht dat [verweerder] al langere tijd doelbewust zijn verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst negeert en onrust veroorzaakt op de werkvloer. [verweerder] laat zich in het bijzijn van collega's negatief uit over Ferwerda en ondermijnt het gezag van zijn leidinggevenden structureel. Hoewel [verweerder] hierop diverse malen is aangesproken, onder meer in 2010, is zijn gedrag in de loop van de tijd alleen maar verslechterd. Ferwerda heeft hiertoe enkele verklaringen van collega’s overgelegd, die zijn opgetekend door de directie en ondertekend door de betreffende werknemer naar aanleiding van individuele gesprekken van de directie met die werknemers (kort) na de op non-actiefstelling. Ook houdt [verweerder] zich niet aan de binnen Ferwerda geldende regels met betrekking tot het eigen aankoopbeleid van het personeel. Ferwerda wijst er in dit verband op dat uit het na de op non-actiefstelling verrichte onderzoek is gebleken dat [verweerder] - hoewel als regel geldt dat aankopen bij de eerstvolgende betalingsronde afgerekend worden - de facturen voor zijn privé-aankopen pas veel later uitdraaide en betaalde. Voorts heeft [verweerder] geweigerd mee te werken aan de verplaatsing van zijn werkplek naar het magazijn, zodat Ferwerda zich genoodzaakt zag de werkplek zelf te verplaatsen op een dag dat [verweerder] afwezig was. Verder heeft [verweerder] toegegeven dat hij samen met [A] de verkooporders van [naam] , een leidinggevende, heeft onderzocht en tegen [naam] heeft gezegd dat de hele afdeling daarbij betrokken was en [naam] gesnuffeld zou hebben in diens bureaulade. Hieruit blijkt volgens Ferwerda dat [verweerder] erop uit was om [naam] te beschadigen en [naam] zwart te maken en zodoende hun gezag te ondermijnen.
3.3.
Ook heeft [verweerder] een grote rol gespeeld in de onrust die op de werkvloer is ontstaan na ontvangst van de anonieme brief van 7 oktober 2015 over het cameratoezicht bij Ferwerda. Uit verklaringen van diverse medewerkers is gebleken dat [verweerder] betrokken is geweest bij het opstellen dan wel verzenden van deze brief en de daarbij gevoegde verklaringen. Niet alleen wordt in deze anonieme brief ten onrechte de suggestie gewekt dat de meerderheid van het personeel daarachter staat, ook is gebleken dat de meeste verklaringen al rond de ontdekking van de verborgen camera op 24 april 2015 zijn getekend en dat de ondertekenaars niet bekend zijn met de inhoud van de begeleidende brief of met het feit dat hun handtekening alsnog zou worden gebruikt. Voorts zijn er verklaringen gebruikt van twee medewerkers, waaronder [naam] , die hebben aangegeven dat zij deze wensten in te trekken. Er bestond ook geen directe aanleiding om de brief (pas) begin oktober 2015 aan Ferwerda te versturen. Ferwerda maakte immers al sinds 2008 gebruik van zichtbare camera's en de kwestie van het verborgen cameragebruik was na de kantinebijeenkomst op 24 april 2015 genoegzaam afgekaart.
3.4.
Dit alles wijst erop dat de brief niets meer was dan een volgende stap om het gezag van de leiding van Ferwerda te ondermijnen op het moment dat (onder meer) het functioneren van [verweerder] onder een vergrootglas lag, aldus Ferwerda. Bevestiging hiervan ziet Ferwerda in het feit dat de verklaring van [naam] bovenop lag, terwijl hij [verweerder] diverse malen had gevraagd om zijn verklaring terug te geven en hem door [verweerder] was verzekerd dat zijn verklaring niet zou worden gebruikt. Dat [verweerder] [naam] thans beticht van leugenachtigheid, sluit hier naadloos bij aan. Ook acht Ferwerda veelzeggend dat [verweerder] heeft geweigerd om met haar in gesprek te gaan over de brief van 7 oktober 2015. Door dit alles heeft [verweerder] ernstig verwijtbaar gehandeld en kan van Ferwerda in redelijkheid niet worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren.
3.5.
Subsidiair stelt Ferwerda dat er door bovenvermelde gedragingen geen vertrouwen meer bestaat in [verweerder] . Veel medewerkers hebben ook aangegeven dat zij een terugkeer van [verweerder] niet zien zitten. Er is derhalve sprake van een ernstig verstoorde arbeidsrelatie. Nu [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, dient de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 7:671b lid 8 sub b BW ontbonden te worden op een zo kort mogelijke termijn, zonder inachtneming van enige opzegtermijn. Vanwege dit ernstig verwijtbaar handelen van [verweerder] kan hij geen aanspraak maken op een transitievergoeding of een billijke vergoeding.
4 Het verweer en het voorwaardelijk tegenverzoek van [verweerder]
4.1.
verweert zich tegen het verzoek en concludeert primair tot afwijzing van de verzochte ontbinding, met veroordeling van Ferwerda in de proceskosten. [verweerder] voert daartoe - samengevat - het volgende aan. Ferwerda heeft hem allerlei ongefundeerde verwijten gemaakt over zijn functioneren en (werk)houding. Hij heeft echter altijd goed gefunctioneerd en is nooit aangesproken op zijn functioneren of (werk)houding. Ook verwijst hij in dit verband naar de positieve verklaringen die een aantal (ex-)collega's en klanten over hem heeft afgelegd. [verweerder] betwist dat hij heeft geweigerd om zijn werkplek te verplaatsen. Voorts betwist [verweerder] de juistheid van het gespreksverslag van 4 september 2015. Hetgeen hij en [A] hebben gezegd is daarin door Ferwerda verdraaid weergegeven. Hij en [A] hebben nooit de verkooporders van [naam] gecontroleerd en aangegeven dat zij bij een aantal bonnen vraagtekens plaatsten. Zij hebben alleen, nadat [naam] hen naar hun mening vroeg over het besluit van Ferwerda om [naam] verantwoordelijk te maken voor het magazijn en aandrong op een open en eerlijke reactie, in alle eerlijkheid gezegd dat zij [naam] niet de meest aangewezen persoon vonden om het magazijn aan te sturen. Na enig aandringen door [naam] hebben zij daarvoor als reden gegeven dat [naam] op eigen initiatief de bureaulades van [naam] had doorzocht, omdat deze [naam] niet helemaal vertrouwde inzake een bon die al langere tijd had opengestaan en vervolgens uit het systeem was verdwenen en waarover op de werkvloer werd gesproken. Er is dan ook zeker geen sprake geweest van een doelbewuste actie om [naam] zwart te maken.
4.2.
Ook wat betreft de brief van 7 oktober 2015 heeft [verweerder] niet verwijtbaar gehandeld. Vanaf 2008 heeft Ferwerda welbewust alle regels omtrent cameratoezicht overtreden. Zij wilde ook niet ingaan op verzoeken van het personeel om daarover met elkaar in gesprek te gaan. Toen eind april 2015 opnieuw onrust ontstond onder het personeel na de vondst van een verborgen camera, werd enkel uitgelegd dat cameratoezicht nodig was in verband met diefstal en werd daarvoor begrip geëist. Er was geen ruimte om een mening te geven. Om toch in gesprek te geraken met Ferwerda heeft een aantal personeelsleden bedacht om de bezwaren juridisch te verwoorden en een brief naar Ferwerda te sturen. Net als vele andere collega’s, waaronder [naam] , heeft [verweerder] dit initiatief ondersteund door een verklaring te ondertekenen. [verweerder] ontkent dat [naam] hem op een later moment heeft gevraagd zijn verklaring te vernietigen. Als [naam] dat had gedaan, had [verweerder] daar gevolg aan gegeven, maar [naam] heeft hem dat niet gevraagd.
4.3.
Hoewel het logisch zou zijn geweest dat Ferwerda na ontvangst van de brief in gesprek was gegaan met de ondertekenaars van de brief, heeft zij de brief om haar moverende redenen opgevat als een aanval op haar gezag en heeft zij door ondervraging van haar personeel trachten te achterhalen wie de initiatiefnemers van de brief zijn geweest. Vervolgens heeft Ferwerda de drie medewerkers die dit volgens haar waren op non-actief gesteld, kennelijk ook om nader onderzoek te kunnen doen naar eventuele onrechtmatige handelingen door deze medewerkers. Deze non-actiefstelling is volstrekt onrechtmatig. Niet alleen is [verweerder] ten onrechte aangemerkt als de initiator van de brief, maar ook was er helemaal niets mis met de inhoud van de brief. Het betrof een keurige brief met daarin het legitieme verzoek om een eind te maken aan een onrechtmatige situatie.
4.4.
Tevens bestond er geen enkele aanleiding voor een onderzoek naar onrechtmatige handelingen door [verweerder] . Uit het verrichte onderzoek is ook gebleken dat hij niet op enigerlei wijze onrechtmatig jegens Ferwerda heeft gehandeld. Het te laat betalen van een aantal facturen kan niet als zodanig gelden, aldus [verweerder] . Ferwerda heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat [verweerder] verwijtbaar jegens haar heeft gehandeld. Ferwerda heeft juist zelf uiterst verwijtbaar jegens hem gehandeld en door haar handelswijze de arbeidsverhouding ernstige schade toegebracht.
4.5.
Indien de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [verweerder] subsidiair bij wijze van tegenverzoek om toekenning van een transitievergoeding van € 16.186,15 bruto en een billijke vergoeding van € 48.558,45 bruto, nu volgens [verweerder] sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van Ferwerda. Het bedrag van de gevorderde billijke vergoeding heeft [verweerder] berekend door de transitievergoeding met een factor drie te vermenigvuldigen.
5 De beoordeling
5.1.
Gesteld noch gebleken is dat het verzoek verband houdt met één van de opzegverboden van artikel 7:670 BW of met enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst.
5.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. In geval van ontbinding moet ook worden beoordeeld of [verweerder] aanspraak kan maken op een transitievergoeding en of hem daarbij een billijke vergoeding dient te worden toegekend.
5.3.
De kantonrechter stelt voorop dat uit artikel 7:669 lid 1 BW volgt dat de arbeidsovereenkomst alleen kan worden ontbonden indien daar een redelijke grond voor is en herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. In artikel 7:669 lid 3 BW is nader omschreven wat onder een redelijke grond moet worden verstaan. Bij regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 23 april 2015 (Stcrt. 2015/12685) zijn daarvoor nadere regels gesteld (Ontslagregeling).
5.4.
Ferwerda voert aan dat de redelijke grond voor ontbinding primair is gelegen in verwijtbaar handelen van [verweerder] , zodanig dat van Ferwerda als werkgever in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Ferwerda voert daartoe kort gezegd aan dat [verweerder] onrust veroorzaakte op de werkvloer en structureel en bewust het gezag van zijn leidinggevenden ondermijnde. Naar het oordeel van de kantonrechter leveren de door Ferwerda in dit verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden onvoldoende redelijke grond voor ontbinding op. Daartoe wordt het volgende overwogen.
5.5.
De kantonrechter stelt allereerst vast dat [verweerder] inmiddels al bijna 20 jaar werkzaam is voor Ferwerda. De kantonrechter stelt voorts vast dat niet is gebleken dat [verweerder] tijdens zijn dienstverband ooit formeel is aangesproken op eventuele problemen met betrekking tot zijn functioneren of zijn (werk)houding. De interne gespreksnotitie van 16 februari 2010 biedt daarvoor, anders dan Ferwerda kennelijk meent, in elk geval geen enkele steun. In deze notitie wordt immers niets negatiefs gezegd over [verweerder] , maar enkel aangegeven dat [verweerder] in de kantine te kennen heeft gegeven het niet eens te zijn met de gang van zaken bij Ferwerda. Ter ondersteuning van haar standpunt dat [verweerder] al langere tijd, samen met [A] en [B] , onrust veroorzaakte op de werkvloer en gezagsondermijnend gedrag vertoonde, heeft Ferwerda verklaringen van een aantal collega's en leidinggevenden ( [naam] , [naam] en [naam] ) van [verweerder] overgelegd. Aan deze verklaringen gaat de kantonrechter voorbij. Nog daargelaten dat niet altijd duidelijk is op wie van deze drie werknemers de verklaringen precies betrekking hebben, zijn de verklaringen door [verweerder] gemotiveerd weersproken. Hij heeft ter ondersteuning van de betwisting ondertekende verklaringen van een aantal (ex-)collega's en klanten overgelegd, waarin lovend wordt gesproken over de werkhouding en inzet van [verweerder] . Voorts weegt mee dat de verklaringen door Ferwerda zijn opgesteld aan de hand van één op één gesprekken met werknemers nadat [verweerder] op non-actief is gesteld en dat het hier gaat om verklaringen van personen die ten opzichte van Ferwerda in een afhankelijke positie verkeren. Bij de waarde van deze verklaringen kunnen dan ook vraagtekens worden geplaatst, ook al omdat de betreffende leidinggevenden het thans zo verwijtbaar geoordeelde gedrag eerder kennelijk niet zo ernstig achtten dat zij [verweerder] daarop formeel of informeel uitdrukkelijk hebben aangesproken. Dat blijkt in ieder geval uit niets. Voor zover [verweerder] op enig moment in het verleden - anders dan zo'n 6 jaar geleden - al eens mondeling zou zijn aangesproken op zijn functioneren, was dit voor Ferwerda kennelijk niet van zodanig gewicht dat hiervan een formele aantekening is gemaakt. Zulks mag van een werkgever met de omvang van Ferwerda (zo'n 100 werknemers, met 9 vestigingen) zeker wel worden verwacht. Gelet op het voorgaande moet het er dan ook voor worden gehouden dat zich ten aanzien van [verweerder] gedurende het inmiddels 20 jaar durende dienstverband nimmer enig noemenswaardige functioneringsprobleem heeft voorgedaan.
5.6.
Voorts stelt de kantonrechter vast dat [verweerder] - overigens net als [A] - de juistheid van het verslag dat is opgemaakt van het gesprek dat hij en [A] op 4 september 2015 hebben gehad met Van Dort en Van der Veen over hun gesprek met [naam] op 2 september 2015, gemotiveerd heeft betwist. Hij heeft het gespreksverslag - dat hij pas op 1 oktober 2015 stelt te hebben ontvangen - naar zijn zeggen om die reden ook niet ondertekend. Het is dus niet duidelijk wat precies tijdens dit gesprek (en het gesprek met [naam] ) door [verweerder] en [A] is gezegd en in welke context, maar dit acht de kantonrechter in het kader van het onderhavige verzoek ook niet van doorslaggevend belang. Maar zelfs als - veronderstellenderwijs - wordt uitgegaan van de juistheid van hetgeen in het gespreksverslag is neergelegd, kan Ferwerda niet worden gevolgd in haar stelling dat daaruit, in samenhang bezien met de brief die Ferwerda op 7 oktober 2015 heeft ontvangen, geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat [verweerder] het gezag van zijn leidinggevenden structureel en bewust ondermijnde, reeds omdat [verweerder] met betrekking tot bedoelde brief naar het oordeel van de kantonrechter niet verwijtbaar heeft gehandeld. De kantonrechter overweegt dienaangaande als volgt.
5.7.
Voorop wordt gesteld dat een werkgever gerechtigd is om gebruik te maken van cameratoezicht op de werkvloer, mits daarbij is voldaan aan de voorwaarden die voortvloeien uit de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), de Wet op de ondernemingsraden (WOR) en het Wetboek van Strafrecht (de artikelen 139f en 441b). Ook moet rekening gehouden worden met de algemene normstelling van het goed werkgeverschap (artikel 7:611 BW). In zijn algemeenheid vloeit uit deze wetgeving voort dat een werkgever een gerechtvaardigd belang moet hebben voor het cameratoezicht en dat het cameratoezicht noodzakelijk is, zoals bijvoorbeeld het stoppen van schadetoebrengend handelen. Hieraan is wel de voorwaarde verbonden dat de werkgever het bedrijfsbelang moet afwegen tegen het privacybelang van medewerkers (en klanten) en dat de inbreuk op de privacy zo klein mogelijk moet zijn. Ook mag de werkgever de beelden niet langer bewaren dan noodzakelijk is. De Autoriteit Persoonsgegevens geeft op haar website aan dat in dit kader als uitgangspunt geldt dat beelden niet langer dan vier weken bewaard mogen worden, tenzij hiervoor een goede reden is. Verder geldt dat de ondernemingsraad ingevolge de WOR instemmingsrecht heeft over een besluit om personeelsvolgsystemen (waaronder camera's) te plaatsen. Daarnaast dient de aanwezigheid van camera's op duidelijke wijze kenbaar te zijn gemaakt. Voor het gebruik van verborgen camera's geldt bovendien aanvullend dat deze alleen mogen worden ingezet als uiterste redmiddel en dat het cameratoezicht tijdelijk is. Voorts dienen de werknemers vooraf op duidelijke wijze in kennis te zijn gesteld van de mogelijkheid dat een verborgen camera zou kunnen worden gebruikt en dient de werkgever zijn werknemers achteraf te informeren over het gebruik van de verborgen camera’s. Verder geldt dat de werkgever het verborgen cameratoezicht vooraf dient te melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens en een voorafgaand onderzoek dient aan te vragen. De Autoriteit toetst dan of het gebruik van de verborgen camera voldoet aan de wettelijke vereisten.
5.8.
Vast staat dat Ferwerda op 7 oktober 2015 een brief heeft ontvangen over het gebruik van cameratoezicht in haar vestiging te Leeuwarden en dat deze brief de directe aanleiding is geweest voor de non-actiefstelling van [verweerder] en het onderhavige ontbindingsverzoek. Anders dan Ferwerda stelt, is de brief geen anonieme brief, nu bij de brief 17 verklaringen zijn gevoegd van werknemers die daarop hun naam en handtekening hebben gezet. Het betreft naar het oordeel van de kantonrechter qua inhoud een keurige brief waarin concrete zorgen en bezwaren worden geuit jegens de directie van Ferwerda over het gebruik van (verborgen) camera's door Ferwerda. Als goed werkgever dient Ferwerda op de hoogte te zijn van alle regels die voor het gebruik van cameratoezicht op de werkvloer gelden. Ferwerda had dan ook moeten weten, althans behoren te weten, dat zij niet (geheel) heeft voldaan aan die regels.
5.9.
De kantonrechter wijst er bijvoorbeeld op dat onweersproken vaststaat dat Ferwerda het cameratoezicht niet ter instemming heeft voorgelegd aan een ondernemingsraad. Ferwerda kan zich er in dit verband niet achter verschuilen dat zij geen ondernemingsraad heeft, nu een onderneming in Nederland met meer dan 50 werknemers verplicht is om die te hebben en Ferwerda (kennelijk ook al geruime tijd) ruim boven dit aantal zit. Ferwerda heeft ter zitting wel aangevoerd dat zij in het verleden heeft gepeild bij haar werknemers en dat er geen bereidheid was van werknemers om lid te worden van een ondernemingsraad, maar dit verweer getuigt naar het oordeel van de kantonrechter niet van voldoende inspanning van de zijde van de werkgever en wordt om die reden verworpen. Ferwerda heeft desgevraagd immers erkend ook geen concrete activiteiten te hebben ontplooid om haar werknemers voor een lidmaatschap te enthousiasmeren of cursussen of trainingen te hebben aangeboden aan mogelijk geïnteresseerde werknemers om hen over de streep te trekken. Bovendien heeft [naam] desgevraagd ter zitting verklaard dat hem wel eens werd gevraagd door werknemers waarom er geen ondernemingsraad was en dat hij dan aangaf dat werknemers die dat wilden zich ook vooral moesten realiseren dat daar niet alleen rechten, maar ook verplichtingen aan vast zaten. Deze gang van zaken komt ook overeen met de notulen van een door [verweerder] in het geding gebracht verslag van een werkoverleg van 8 oktober 2008 waar (onder meer) [naam] bij aanwezig was en waarbij zijdens Ferwerda wordt aangegeven dat de directie geen bezwaar heeft tegen een ondernemingsraad maar dat een ondernemingsraad moet worden opgericht door het personeel zelf en dat een ondernemingsraad erg veel kennis en tijd vergt en dat het daar vaak aan ontbreekt. Naar het oordeel van de kantonrechter getuigt dit alles niet van een vergaande inspanning van een werkgever om aan zijn verplichtingen onder de WOR te voldoen, hetgeen van een werkgever met de omvang van Ferwerda zeker verwacht mag worden. Voorts heeft Ferwerda in het ontbreken van een ondernemingsraad kennelijk ook geen aanleiding gezien om, vóórdat tot het inzetten van (verborgen) camera's werd besloten, in een bijeenkomst met haar personeel over haar voornemen te spreken, dit voornemen toe te lichten en de mening van het personeel daarover te peilen, alvorens de (verborgen) camera's te plaatsen. Ook dit acht de kantonrechter verwijtbaar.
5.10.
Voorts staat als onweersproken vast dat Ferwerda het verborgen cameratoezicht niet heeft gemeld bij de Autoriteit Persoonsgegevens. Ferwerda had zich er derhalve van bewust moeten zijn dat de brief een terecht punt aansneed. Gelet hierop had de brief voor haar dan ook aanleiding moeten zijn om (alsnog) een open en eerlijk gesprek met alle medewerkers aan te gaan, waarin zij hun zorgen konden uiten over het cameratoezicht en waarin Ferwerda openheid van zaken gaf. Maar ook los hiervan lag het voor de hand dat Ferwerda in de brief aanleiding zou zien om met de ondertekenaars van de brief in gesprek te gaan, nu het een alleszins redelijke brief betreft. De kantonrechter acht het onbegrijpelijk dat de directie van Ferwerda in plaats daarvan de brief louter heeft gezien als een aanval op haar gezag en direct allerlei medewerkers daarover is gaan ondervragen om te achterhalen wie de brief had geschreven en wie de brief had gepost. De kantonrechter acht het in het geheel niet relevant wie van de werknemers de brief heeft geschreven of gepost en wie de handtekeningen heeft verzameld. De brief heeft wellicht een wat onhandige benoeming van het onderwerp (aansprakelijkstelling schending cameratoezicht), maar is zogezegd verder een keurige brief waarmee een terecht punt van zorg werd aangesneden. Kennelijk zagen de betrokken werknemers dit als de enige manier om deze zorgen en bezwaren te uiten, nadat eerdere zorgen waren genegeerd of gebagatelliseerd. Hier wreekt zich ook dat het gebruik van cameratoezicht nimmer is voorgelegd aan een ondernemingsraad.
5.11.
Dat het cameratoezicht binnen Ferwerda eerder in alle openheid met het personeel is besproken en dat het personeel zich daarin volledig kon vinden, zoals Ferwerda stelt, blijkt uit niets. Veelzeggend acht de kantonrechter in dit verband dat [naam] in reactie op de vondst van de verborgen camera op 24 april 2015, zo hij ter zitting heeft toegegeven, tegen degenen die hierover boos waren en erover met hem in gesprek wilden heeft gezegd "ik kots van jullie". Dit wijst er naar het oordeel van de kantonrechter niet bepaald op dat binnen Ferwerda een klimaat bestond waarin het personeel vrijelijk haar kritiek op het cameratoezicht (of anderszins) kon uiten. De daarop volgende kantinebijeenkomst heeft kennelijk ook niet alle bezwaren van het personeel kunnen wegnemen. Dit acht de kantonrechter ook niet onbegrijpelijk, aangezien ter zitting bleek dat er nog tal van vragen bestonden bij [verweerder] (en zijn collega's [A] en [B] ) over het cameratoezicht. Zo heeft de directie pas ter zitting bevestigd dat er na de laatste ontdekking thans geen verborgen camera’s meer hangen bij Ferwerda.
5.12.
Vastgesteld kan worden dat het standpunt van Ferwerda dat de brief een aanval op de directie behelst, in feite enkel is gestoeld op niet geconcretiseerde vermoedens. Met name wordt door Ferwerda in dit kader veel waarde gehecht aan het feit dat de bovenste getekende verklaring bij de brief afkomstig was van [naam] , terwijl deze tegenover haar heeft verklaard dat [verweerder] hem had verzekerd dat zijn verklaring niet zou worden gebruikt. [verweerder] heeft dit echter weersproken en er zijn verder geen concrete, verifieerbare gegevens die het relaas van [naam] ondersteunen, zodat niet valt in te zien waarom Ferwerda hierin desondanks het ultieme bewijs ziet dat de brief in weerwil van haar redelijke inhoud niets meer behelst dan een volgende stap van [verweerder] (en zijn collega's [A] en [B] ) om het gezag van de leiding van Ferwerda te ondermijnen.
5.13.
Bepaald ongepast acht de kantonrechter vervolgens de (wijze van) ondervraging die is gevolgd op de brief. De vermeende initiatiefnemers van de brief - [verweerder] , [B] en [A] - zijn één voor één opgeroepen voor een gesprek met de voltallige directie en twee leidinggevenden. Dit riekt naar een vorm van intimidatie en past niet in het verwijt dat hen wordt gemaakt, namelijk dat zij een brief hebben gestuurd waarin zij in nette bewoordingen aangeven moeite te hebben met het cameratoezicht binnen Ferwerda. Dat [verweerder] aangaf (na zijn ervaringen met het gesprek van 4 september 2015) niet te willen praten zonder advocaat, acht de kantonrechter niet vreemd en zeker niet zodanig verwijtbaar dat dat een non-actiefstelling rechtvaardigt. Het feit dat [verweerder] betrokken zou zijn bij het opzetten van de brief en/of het verzamelen van handtekeningen, is dat - zo uit het vorenoverwogene volgt - al evenmin. De kantonrechter kan dan ook tot geen andere conclusie komen dan dat de non-actiefstelling van [verweerder] een onnodige en overtrokken reactie is geweest, die onmiskenbaar een diffamerende werking heeft, vooral omdat Ferwerda het kennelijk ook nodig vond om [verweerder] "naar buiten te begeleiden" alsof hij een ernstig vergrijp had begaan. De kantonrechter acht dit een nodeloos kwetsende wijze van handelen. Ferwerda heeft aldus doende ernstig verwijtbaar jegens [verweerder] gehandeld.
5.14.
De overige verwijten die [verweerder] worden gemaakt (het niet meewerken aan werkplekverandering en het te lang wachten met het betalen van privé-aankopen) vallen, voor zover ze al zouden komen vast te staan - want gemotiveerd betwist - volledig in het niet bij het verwijtbaar handelen van Ferwerda, die daarmee een al jaren goed functionerende werknemer nodeloos heeft beschadigd en psychisch belast. Zo bleek ter zitting dat [verweerder] (nog steeds) zwaar was aangedaan door de hele gang van zaken. Van een voldragen “e-grond” is dan ook geen sprake, zodat het verzoek op de primaire grond zal worden afgewezen.
5.15.
Ferwerda heeft subsidiair de verstoorde arbeidsverhouding, zoals bepaald in artikel 7:669 lid 3 onderdeel g BW, als ontbindingsgrond aangevoerd.
5.16.
De kantonrechter stelt vast dat [verweerder] , ondanks zijn primair verweer tot afwijzing van het verzoek, desgevraagd ter zitting heeft erkend dat de handelswijze van Ferwerda een zodanig geestelijke impact op hem heeft gehad dat wat hem betreft inmiddels sprake is van een onherstelbaar verstoorde de arbeidsverhouding. Ook ziet [verweerder] geen mogelijkheden meer voor herplaatsing, bijvoorbeeld op een andere vestiging van Ferwerda, nu de verstoring niet de relatie met collega's, maar de relatie met de directie van Ferwerda betreft.
5.17.
Dit brengt de kantonrechter tot het volgende oordeel. Nu (ook) [verweerder] heeft erkend dat de arbeidsverhouding verstoord is, en partijen het erover eens zijn dat die verstoring onherstelbaar is en herplaatsing van [verweerder] niet meer mogelijk moet worden geacht, zal de kantonrechter het subsidiaire verzoek van Ferwerda toewijzen en de arbeidsovereenkomst ontbinden. Gelet op de standpunten van partijen is daarmee immers sprake van een redelijke grond voor ontbinding als bedoeld in artikel 7:671b lid 1, onderdeel a, BW, in verbinding met artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW, en is er geen mogelijkheid tot herplaatsing van de werknemer.
5.18.
Echter, de kantonrechter is voorts van oordeel dat de verstoring van de arbeidsrelatie geheel of grotendeels op het conto van Ferwerda dient te worden geschreven en dat haar hiervan een ernstig verwijt kan worden gemaakt, zoals ook voortvloeit uit hetgeen hiervoor is overwogen. Ferwerda heeft de zaak nodeloos opgeklopt, laten escaleren en op geen enkele wijze getoond daarbij ook mede de afweging te hebben gemaakt wat de (praktische en emotionele) gevolgen van haar handelen zouden zijn op [verweerder] , noch zich afgevraagd of zij misschien op een minder vergaande wijze de ergernissen die kennelijk bij haar bestonden over [verweerder] , ter sprake kon brengen. Ook ter zitting heeft Ferwerda er geen blijk van gegeven zich te realiseren dat de gang van zaken zoals die is gelopen na de ontvangst van de brief op 7 oktober 2015 toch echt geen pas gaf. Desgevraagd gaf Ferwerda aan dat zij, ook na het horen van de verhalen van de werknemers, achter haar handelswijze bleef staan omdat de werksfeer sinds de op non-actief stelling van de betreffende werknemers aanzienlijk was verbeterd.
5.19.
Dit brengt mee dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel a, BW wordt ontbonden per 1 juli 2016. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd. Als de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, behoeft de proceduretijd immers niet in mindering te worden gebracht en daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter, gezien het hiervoor overwogene, sprake.
5.20.
Uit artikel 7:673 lid 1 BW volgt dat Ferwerda onder de gegeven omstandigheden aan [verweerder] een transitievergoeding is verschuldigd. [verweerder] heeft de hoogte van de transitievergoeding berekend op € 16.186,15 bruto. Ferwerda heeft dat bedrag cijfermatig niet weersproken, zodat dat bedrag toewijsbaar is.
5.21.
Tevens ziet de kantonrechter aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen, nu de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van Ferwerda. Ter zake van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding overweegt de kantonrechter het volgende. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de hoogte van de billijke vergoeding - naar haar aard - in relatie moet staan tot het ernstig verwijtbare handelen of nalaten van de werkgever, en niet tot de gevolgen van het ontslag voor de werknemer (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 7, pag. 80-81). Als ontslag het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, dan dient de werknemer hiervoor volgens die wetsgeschiedenis te worden gecompenseerd, ook om dergelijk handelen of nalaten van de werkgever te voorkomen. In de billijke vergoeding ligt volgens het kabinet uitdrukkelijk níet het criterium besloten of het ontslag redelijk is mede in het licht van de gevolgen van het ontslag voor de werknemer en de door de werkgever getroffen voorzieningen om deze gevolgen te ondervangen (het 'gevolgencriterium'), omdat deze elementen al geacht worden te zijn verdisconteerd in de transitievergoeding (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 4, pag. 61).
5.22.
Uit het bovenstaande volgt dat de (hoogte van de) billijke vergoeding ook niet wordt afgeleid van de hoogte van de transitievergoeding, in die zin dat er een bepaalde vermenigvuldigingsfactor dient te worden toegepast op de transitievergoeding om tot een billijke vergoeding te komen (zoals door [verweerder] gevorderd). De hoogte van een toe te kennen billijke vergoeding dient niet te worden bepaald aan de hand van een formule, maar dient per geval te worden bepaald op een wijze die en op het niveau dat aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarbij criteria als loon en lengte van het dienstverband in beginsel geen rol hoeven te spelen. De kantonrechter betrekt bij de bepaling van de billijke vergoeding hetgeen hiervoor over het (ernstig verwijtbaar) handelen van Ferwerda is overwogen ter zake van de gebeurtenissen rondom het plaatsen van de camera's en haar reacties op de brief van 7 oktober 2015, zoals het feit dat de wijze waarop Ferwerda tot het plaatsen van camera's is overgegaan in strijd is met de daarvoor geldende regelgeving, dat Ferwerda, toen daarover terecht vragen kwamen van haar werknemers, daar in eerste instantie al niet op juiste wijze mee om is gegaan, dat Ferwerda vervolgens, toen de brief van 7 oktober 2015 arriveerde, niet alsnog heeft willen inzien dat zij de regels had overtreden en haar best heeft gedaan om de onrust die daardoor ontstaan was te doen verdwijnen, maar dat zij daarentegen met grote vasthoudendheid haar frustraties over de gang van zaken uitstrooide over haar werknemers, meer in het bijzonder [verweerder] en zijn collega's [B] en [A] , die zij kennelijk als de aanstichters van al het kwaad zag. Ook weegt de daarop volgende onterechte schorsing van [verweerder] zwaar mee, inclusief het onder escorte de deur wijzen, alsmede het feit dat Ferwerda daarbij ook nog, zonder gegronde redenen, aangaf op zoek te zullen gaan naar andere 'onrechtmatige gedragingen' van [verweerder] en de grote emotionele gevolgen die dit alles heeft gehad op [verweerder] , hetgeen ter zitting ook duidelijk merkbaar was. Dit alles in het licht van het feit dat [verweerder] in de bijna 20 jaar dat hij in dienst is van Ferwerda tot het incident begin september 2015 een vlekkeloos dienstverband had. Voorts weegt de kantonrechter nog mee dat Ferwerda [verweerder] ervan heeft beschuldigd dat hij malversaties had gepleegd bij het doen van privé-aankopen door met kortingen te sjoemelen en dat zij dit ook mede ten grondslag heeft gelegd aan haar ontbindingsverzoek, zonder enige onderbouwing van die stelling. Pas ter zitting heeft zij - nadat haar om onderbouwing van haar stellingen op dit punt was gevraagd - erkend dat deze beschuldiging niet op [verweerder] ziet. Hiermee heeft Ferwerda ook op dit punt uiterst onzorgvuldig jegens [verweerder] gehandeld. Bij de vraag hoe hoog de aan [verweerder] toe te kennen billijke vergoeding dient te zijn weegt de kantonrechter, naast het bovenstaande, ook mee dat [verweerder] zelf een bedrag van zo’n € 48.000,-- kennelijk passend vindt. Dit komt, zo heeft de kantonrechter berekend, ruwweg neer op zo'n twee jaar salaris. Alle omstandigheden in aanmerking genomen oordeelt de kantonrechter dat zo’n bedrag haar in dit geval inderdaad zeker als passend voorkomt. De billijke vergoeding wordt dan ook op € 48.000,-- bruto vastgesteld.
5.23.
Nu aan de ontbinding een vergoeding wordt verbonden, zal Ferwerda gelet op artikel 7:686a lid 6 BW in de gelegenheid worden gesteld om het verzoek in te trekken binnen de hierna genoemde termijn.
5.24.
Gelet op de uitkomst van de zaak, is de kantonrechter van oordeel dat de proceskosten voor rekening van Ferwerda komen, ook in het geval zij besluit tot intrekking van het verzoek. De proceskosten worden aan de zijde van [verweerder] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 600,-- aan salaris gemachtigde.