Rechtbank noord-holland
zaaknummers: HAA 20/2133 tot en met HAA 20/2140, HAA 20/5052 tot en met HAA 20/5054 en HAA 20/5443
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2023 in de zaken tussen
[eiser]
, wonende te [plaats] , eiser,
de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Hoorn, verweerder.
HAA 20/2133 en HAA 20/2134
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: ib/pvv) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.757, alsmede een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: Zvw). Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een vergrijpboete van € 7.990 opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 55.707 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd. De boete is bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
HAA 20/2135 en HAA 20/2136
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2014 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.641, alsmede een aanslag Zvw. Bij beschikking is belastingrente berekend.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 55.707 en de beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd.
HAA 20/2137 en HAA 20/2138
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2015 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.667, alsmede een aanslag Zvw. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en is een vergrijpboete van € 8.446 opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar, de beschikking belastingrente en de boete gehandhaafd.
HAA 20/2139 en HAA 20/2140
Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2016 een aanslag ib/pvv opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.088, alsmede een aanslag Zvw. Bij beschikking is belastingrente berekend en is een vergrijpboete van € 7.532 opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de navorderingsaanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen van € 51.184, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de vergrijpboete verminderd tot € 7.306.
HAA 20/5052
Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: ob) opgelegd ten bedrage van € 2.786. Bij beschikking is belastingrente berekend.
Verweerder heeft de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
HAA 20/5053
Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013 een naheffingsaanslag ob opgelegd ten bedrage van € 11.607. Bij beschikking is belastingrente berekend.
Verweerder heeft de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
HAA 20/5054
Verweerder heeft aan eiser over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 een naheffingsaanslag ob opgelegd ten bedrage van € 31.150. Bij beschikkingen is belastingrente berekend en een vergrijpboete ten bedrage van € 9.343 opgelegd.
Verweerder heeft de naheffingsaanslag, de beschikking belastingrente en de vergrijpboete bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
HAA 20/5443
Verweerder heeft aan eiser bij afzonderlijke beschikking een vergrijpboete ten aanzien van de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het jaar 2013 opgelegd ten bedrage van € 3.482.
Verweerder heeft de vergrijpboete bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.
Alle zaken
Eiser heeft tegen voormelde uitspraken op bezwaar beroepen ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2021 te Haarlem.
Eiser is daar niet verschenen. Eiser is bij aangetekende brief van 14 december 2020, die volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL is afgeleverd op het door eiser opgegeven adres, uitgenodigd voor de zitting. Eiser is derhalve op een juiste wijze voor de zitting van de rechtbank uitgenodigd.
Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. [inspecteur] , drs. [inspecteur 1] en [inspecteur 2] .
De rechtbank heeft het onderzoek nadat dat ter zitting was gesloten, heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld zijn ter zitting gedane bewijsaanbod gestand te doen.
Verweerder heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan eiser.
Eiser heeft op deze nadere stukken gereageerd. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.
Op 29 juni 2021 heeft een nader onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [inspecteur 3] , drs. [inspecteur 1] , [inspecteur 2] en [inspecteur 4] .
1. Eiser drijft sinds 6 maart 1995 een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam [bedrijf] . De activiteiten van de onderneming bestaan onder meer uit de exploitatie van een administratiekantoor. De opbrengsten worden voor een groot deel behaald met “Hulp bij aangifte”, waarbij aangiftebiljetten voor particulieren worden ingevuld. Daarnaast is eiser gespecialiseerd in financiële dienstverlening, te weten zorgverzekeringen, schadeverzekeringen, uitvaartverzekeringen en andere verzekeringen. Eiser staat bij de Belastingdienst niet geregistreerd als belastingconsulent en heeft geen zogenoemd beconnummer.
2. Eiser heeft voor de onderhavige jaren aangifte ib/pvv gedaan naar belastbare inkomens uit werk en woning van € 7.748 (2013), € 4.853 (2014), € 5.112 (2015) en € 10.056 (2016). Eiser heeft op aangifte omzetbelasting voldaan naar bedragen van - € 1.739 (2012), - € 2.711 (2013), - € 2.079 (2014), - € 3.332 (2015) en - € 797 (2016).
3. De aanslagen ib/pvv 2013 en Zvw voor het jaar 2013 zijn met dagtekening 10 april 2015 overeenkomstig de aangifte vastgesteld.
4. Naar aanleiding van een melding van een belastingplichtige is door het Combiteam Aanpak Facilitators (hierna: CAF) een onderzoek naar eiser gestart. In een ambtsedige verklaring met dagtekening 16 februari 2016 van de heer [inspecteur 4] , [functie] van het CAF, staat voor zover van belang het volgende:
“In mei 2014 ontving de Belastingdienst een signaal dat er wellicht ten onrechte aftrekposten waren opgevoerd in een door belastingconsulent [eiser] voor één van zijn klanten ingediende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen. Dit signaal was afkomstig van een belastingplichtige die tegenover een medewerker van de Belastingdienst verklaarde dat de in haar aangifte opgevoerde zorgkosten in werkelijkheid niet waren gemaakt. De aangifte was, aldus de belastingplichtige, ingevuld door de heer [eiser] uit [plaats] . Zoals bij dit soort signalen gebruikelijk, is vervolgens getracht het klantenbestand van deze consulent in kaart te brengen om zo een beeld te krijgen van de aantallen onjuist ingediende aangiften. Dit bleek aanvankelijk niet mogelijk omdat de heer [eiser] geen gebruik maakt van een zogenaamd beconnummer. Bovendien werden aangiften ingediend via frequent wisselende ip-adressen waarvan de tenaamstelling meestal niet was op te vragen. (...) In augustus 2014 waren toch 837 aangiften in beeld die mogelijk door [eiser] waren ingediend. Er kon echter niet met zekerheid gezegd worden dat deze aangiften door [eiser] waren ingestuurd en evenmin was zeker of de opgevoerde PGA onjuist was. Een bestand waarvan met zekerheid gezegd kon worden dat het alleen klanten van [eiser] betrof, kon toen nog niet gemaakt worden. Daarom is begin 2015 besloten om voor 25 tot 30 aangiften uit het bestand van 387 aangiften een verzoek om informatie te sturen. Hieruit bleek dat vaak gecorrigeerd moest worden.
Gedurende het jaar 2015 kwamen er opnieuw signalen dat de heer [eiser] onjuiste aangiften indiende voor zijn klanten. Deze signalen kwamen van belastingplichtigen die op het retourformulier van aan hen verzonden verzoeken om informatie, aangaven dat de aangifte was ingevuld door de heer [eiser] . Ook nu was weer er weer sprake van ip-adressen die slechts enkele malen gebruikt waren voor het insturen van aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen. Pas eind 2015 is het gelukt een bestand samen te stellen met daarin de gegevens van 1.336 klanten van [eiser] . (...)
Doordat er in veel gevallen sprake was van wisselende (vaak buitenlandse) ip-adressen, kon slechts door middel van meerdere query’s van de ip-adressen die op naam staan van [eiser] en/of op meerdere dagen door [eiser] gebruikt zijn, een compleet klantenbestand worden samengesteld. (...)
Door [eiser] zijn over de jaren 2011 tot en met 2014 in totaal vermoedelijk 4.381 aangiften voor derden ingediend. Van deze 4.381 aangiften zijn er 1.742 inhoudelijk beoordeeld (...). Van deze 1.742 aangiften zijn er 1.237 (71,01%) in het nadeel van de belastingplichtige gecorrigeerd op het punt van de persoonsgebonden aftrek.”
5. In een proces-verbaal inzake IP-adressen opgemaakt op 2 mei 2016 en ondertekend door [naam] staat voor zover van belang het volgende:
“Omdat [eiser] niet in het bezit is van een Beconnummer en gebruik maakte van vele IP adressen was het voor de Belastingdienst moeilijk om aan te geven welke belastingplichtigen er gebruik hebben gemaakt van de diensten van [eiser] .
Tijdens het verhoor van de belastingdienstmedewerker [inspecteur 4] op 3 maart 2016 in Amsterdam legde deze uit hoe de Belastingdienst met behulp van IP-adressen en query’s het klantenbestand van [eiser] grotendeels heeft weten bloot te leggen. Hieronder is dit kort zakelijk weergegeven:
Query’s en selectie IP adressen
- Er is een query gedraaid op het IP-adres die de tenaamstelling van [eiser] heeft. Dit is IP adres [IP adres] (...). Uit het resultaat van deze query “Resultaat_IP adressen.xlxs” zijn de dubbele burgersofinummers (hierna: BSN) gefilterd waarna er 533 BSN overblijven. Van deze burgerservicenummers is zeker dat ze afkomstig zijn van een IP-adres van [eiser] . De query is digitaal beschikbaar in het onderzoeksdossier.
- Er is een query gedraaid op het BSN van [eiser] (...) en van [bedrijf] B.V. (...). FM. [eiser] is eigenaar van [bedrijf] B.V. sinds 6 maart 1995. Uit het resultaat van deze query, genaamd “Resultaat_Fi nummers.xlxs” komen 41 IP-adressen naar voren waarbij het BSN van [eiser] of het BSN van [bedrijf] is gebruikt. Het resultaat is digitaal beschikbaar in het onderzoeksdossier.
Vervolgens is over de periode 2011 tot en met 2014 een overzicht opgevraagd bij de Anti Fraude Box (hierna AFB) van de IP adressen om in beeld te krijgen welke activiteiten de afgelopen vier jaar zijn geweest waarbij deze IP adressen gebruikt zijn. Uit dit overzicht zijn die IP-adressen gefilterd die op meer dan één datum voorkwamen. Daarnaast is gekeken uit welke regio’s de belastingplichtigen kwamen, of er bovengemiddeld zorgkosten werden opgevoerd. Ook is beoordeeld of het IP-adres op naam van [eiser] erbij zat.
Dit resulteerde in vijf IP adressen:
[#]
[##]
[###]
[####]
[#####]
Van het IP- adres [####] is bekend dat dit eind 2015 korte tijd op naam stond van mevrouw [naam 2] uit [woonplaats] . Omdat dit IP-adres weleens wisselt van houder is deze niet meegenomen in de verdere selectie.
Het IP adres [#####] staat op naam van [eiser] . Van de overige drie IP-adressen is de tenaamstelling opgevraagd maar de providers zaten in het buitenland.
Voor de overige IP-adressen heeft de Belastingdienst een overzicht over de jaren 2011 tot en met 2014 (...) opgevraagd bij de AFB. In dit overzicht komt naar voren dat [eiser] in de jaren 2011 tot en met 2014 voor 1336 klanten aangifte heeft gedaan (hiervan zijn er inmiddels 71 overleden). Het overzicht is digitaal beschikbaar in het onderzoeksdossier.
Selectie getuigen en verdachten
Voor het onderzoek was het noodzakelijk om een aantal klanten als getuige dan wel als verdachte te horen. De klanten zijn geselecteerd vanuit het overzicht [van de AFB]. Voor de selectie is uitgegaan van 1265 klanten (1336-71) (...) Uiteindelijk zijn er negen klanten geselecteerd die door de FIOD als getuige of verdachte gehoord zijn.
Daarnaast hebben de overige belastingplichten een brief ontvangen van de Belastingdienst waarin om informatie wordt gevraagd over de aftrekpost ziektekosten. Op deze brief heeft de Belastingdienst verschillende reacties ontvangen van belastingplichten. Een aantal van deze belastingplichtigen is eveneens gehoord als getuigen. (...)
Uit de verhoren van de getuigen en de reacties van de belastingplichtigen op de brief van de Belastingdienst is naar voren gekomen dat in alle gevallen de belastingadviseur [eiser] was. Er zijn geen reacties gekomen dat [eiser] de aangifte niet heeft gedaan.
Invulling aangiften inkomstenbelasting
Voor de invulling van de aangiften gebruikte verdachte [eiser] alleen de gratis programma’s van de Belastingdienst, en dus geen commerciële aangifteprogramma’s zoals bijvoorbeeld Elzevier of Kluwer. Om te boordelen welk programma [eiser] heeft gebruikt voor het invullen van de aangiften bekeek de Belastingdienst per IP adres en per jaar in het overzicht [van de AFB] welke leveranciers code is gebuikt.
De volgende leverancierscodes zijn buiten beschouwing gelaten (12 aangiften in totaal): (...)
De overige 1.711 binnengekomen aangiften zijn alle ingediend met de volgende vier (gratis) Belastingdienst-aangifteprogramma’s: (...)
De door de FIOD gehoorde klanten van [eiser] verklaarden dat [eiser] voor het indienen van hun aangiften gebruik maakte van hun eigen DigiD-codes.
Resumé
[eiser] verzorgt als belastingadviseur de aangiften inkomstenbelasting voor een groot aantal particulieren. Hierbij valt op dat:
- [eiser] niet in het bezit is van een BECON-nummer;
- de aangiften ondertekend zijn met de DigiD-code van de belastingplichtigen zelf en niet zoals gebruikelijk bij belastingadviseurs met gebruikmaking van een machtiging;
- op de aangiften geen contactpersoon is vermeld;
- [eiser] de aangiften vanaf verschillende IP-adressen indiende.;
- de meeste IP adressen op naam stonden van buitenlandse providers;
- hierdoor onduidelijk blijft vanaf welk (woon/kantoor) adres de aangiften zijn ingediend;
- er vier IP adressen met zekerheid aan [eiser] te linken zijn;
- het IP adres [#####] op naam van [eiser] staat
- er een duidelijk patroon waarneembaar is in de gebruikte aangifte programma’s op de vier IP adressen die te linken zijn aan [eiser] namelijk het gebruik van gratis te gebruiken aangifteprogramma’s;
- de vier (gratis te gebruiken) aangifteprogramma’s van de Belastingdienst verschillen van elkaar maar elkaar ook aanvullen;
- het daarom aannemelijk is dat deze vier IP adressen door één persoon of door één bedrijf gebruikt zijn om aangifte te doen.
Gezien bovenstaande is het vermoeden ontstaan dat [eiser] voor het doen van aangiften inkomstenbelasting voor zijn klanten opzettelijk gebruik heeft gemaakt van veel verschillende IP adressen en door de gebruikt DigiD-codes de indruk heeft proberen te wekken dat zijn klanten zelf hun aangiften invulden om op deze manier onder de radar van de Belastingdienst te blijven. Door te zorgen dat zijn klanten altijd geld terug kregen kon hij zijn klantenbestand vergroten.”
6. In een overzichtsproces-verbaal van de FIOD met dagtekening 22 juni 2016 wordt eiser aangemerkt als verdachte van het indienen van onjuiste en valse belastingaangiftes voor meerdere personen. In dit proces-verbaal verklaren in totaal twaalf personen dat eiser hun aangifte ib/pvv heeft ingediend, te weten: [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , [naam 12] , [naam 13] en [naam 14] .
7. Op 27 juli 2017 is naar aanleiding van de uitkomsten van het FIOD-onderzoek een boekenonderzoek ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften ib/pvv over de jaren 2013 tot en met 2016 van eiser en de aangiften omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 2016 van de onderneming. Van het boekenonderzoek is een rapport met dagtekening 12 februari 2019 opgesteld. In dit rapport staat onder meer het volgende:
“2.2 Administratie
Belastingplichtige verzorgt zelf de administratie. Deze wordt bijgehouden en verwerkt met het boekhoudprogramma Davilex.
De volgende stukken zijn beschikbaar gesteld:
- Jaarstukken;
- Grootboek;
- A4-tje met namen en factuurnummers voor wie belastingplichtige aangiftebiljetten inkomstenbelasting heeft ingediend;
- Inkoop- en kostenfacturen;
- Privé-bankafschriften van belastingplichtige met uitzondering van de afschriften van gedane privé-uitgaven bij de American Express.
2.3 Administratieplicht
(…)
Ten aanzien van de door belastingplichtige op zelfstandige wijze ondernomen activiteiten, “Hulp bij aangifte” het invullen van aangiftebiljetten voor particulieren, met daarbij voornamelijk een contante geldstroom, vormt de kasadministratie een essentieel onderdeel van de administratie.
Ten aanzien van de wijze waarop de kasadministratie door belastingplichtige wordt bijgehouden is het volgende geconstateerd:
- Belastingplichtige houdt notitie van de opbrengsten op een A4-tje. Van een zuivere weergave van de contante geldstromen (kasadministratie) is dan ook géén sprake. Als gevolg van deze handelswijze ontbreekt dan ook de mogelijkheid om door middel van de administratie een kassaldo vast te stellen en dit te vergelijken met het daadwerkelijke kasgeld;
- Privé-opname uit de kas, dan wel privé-stortingen in de kas worden niet vastgelegd.
Door deze gebreken is de controle op de juistheid en volledigheid van de administratie en daarmee de omzet en kosten onmogelijk geworden.
Op grond van de hiervoor genoemde feiten kan worden opgemerkt dat de (kas)administratie niet voldoet aan de hieraan gestelde vereisten. Hetgeen hiervoor wordt opgemerkt in dit rapport dient dan ook te worden gelezen als een
- waarschuwing administratieve verplichtingen -.
Belastingplichtige wordt door middel van dit rapport gewezen op de hiervoor geschetste tekortkomingen. Vanwege het belang van een goede kasadministratie, in relatie tot de ondernomen activiteiten, zal bij een eventueel volgend onderzoek aan dit punt de nodige aandacht worden besteed.
4.1 Opbrengsten
De opbrengsten worden hoofdzakelijk behaald met “Hulp bij aangifte”, het invullen van aangiftebiljetten voor particulieren. De klanten betalen een vaste prijs van € 80, die niet afhankelijk is van de hoogte van de teruggaaf van inkomstenbelasting. De klanten betalen bijna allemaal contant en er wordt sporadisch een factuur opgemaakt. Ten aanzien van de jaren welke in het onderzoek zijn begrepen zijn de volgende opbrengsten exclusief omzetbelasting voor het invullen van aangiftebiljetten verwantwoord in aangiften inkomensheffing:
- Jaar 2013: € 27.800;
- Jaar 2014: € 20.586;
- Jaar 2015: € 19.859;
- Jaar 2016: € 15.640.
4.1.1. Kasverantwoording / geldbeweging
Binnen de onderneming speelt de kas een centrale rol bij het bepalen van de omzet. Er wordt geen kasadministratie bijgehouden terwijl de klanten bijna allemaal contant betalen. Als gevolg van deze handelswijze ontbreekt dan ook de mogelijkheid om door middel van de administratie een kassaldo vast te stellen en dit te vergelijken et het daadwerkelijke kasgeld. Privé-opnamen uit de kas, dan wel privé-stortingen in de kas worden niet vastgelegd.
Uit onderzoek is gebleken dat er meer opbrengst is behaald met “Hulp bij aangifte, het invullen van aangiftebiljetten voor particulieren. In het jaar 2013 heeft belastingplichtige in totaal 1.155 aangiften ingediend, in 2014 1.077, in 2015 1.043 en in 2016 926 aangiften. Dit zou neerkomen op een opbrengst van:
- Jaar 2013: 1.155 x € 80 is € 92.400 inclusief omzetbelasting;
- Jaar 2014: 1.077 x € 80 is € 83.160 inclusief omzetbelasting;
- Jaar 2015: 1.043 x € 80 is € 83.440 inclusief omzetbelasting;
- Jaar 2016: 926 x € 80 is € 74.080 inclusief omzetbelasting.
De door belastingplichtige aangegeven winst uit onderneming is niet in overstemming met de werkelijk behaalde winst en zal gecorrigeerd worden.
Inkomstenbelastingcorrectie:
Meer winst 2013 € 48.563
Meer winst 2014 € 50.620
Meer winst 2015 € 49.100
Meer winst 2016 € 45.583
Omzetbelastingcorrectie:
Meer verschuldigde omzetbelasting 2013 € 10.198
Meer verschuldigde omzetbelasting 2014 € 10.631
Meer verschuldigde omzetbelasting 2015: € 10.311
Meer verschuldigde omzetbelasting 2016 € 9.573
4.2.1. Autokosten
Belastingplichtige brengt autokosten ten laste van het resultaat. Op de balans is er geen auto geactiveerd. De zakelijk gereden kilometers met de privéauto dienen aangetoond te worden met een kilometeradministratie, de kilometeradministratie is niet aangetroffen in de administratie. In een eerder uitgevoerd boekonderzoek zijn de autokosten ook gecorrigeerd omdat in eerste instantie de kilometeradministratie niet aanwezig was en deze later achteraf is opgemaakt. Belastingplichtige is belastingadviseur en moet in zijn hoedanigheid als adviseur weten dat er een kilometeradministratie aanwezig moet zijn. De autokosten worden gecorrigeerd.
Inkomstenbelastingcorrectie:
Meer winst 2013 € 5.020
Meer winst 2014 € 6.881
Meer winst 2015 € 6.881
Meer winst 2016 € 3.290
Omzetbelastingcorrectie:
Meer verschuldigde omzetbelasting 2013 € 1.054
Meer verschuldigde omzetbelasting 2014 € 966
Meer verschuldigde omzetbelasting 2016: € 93
4.2.2. MKB-vrijstelling
Doordat de winst over de jaren 2012 tot en met 2015 wordt verhoogd, wordt tevens de MKB-vrijstelling verhoogd. De verhoging bedraagt in de 2013 tot en met 2016 14% van de winstcorrectie voor de jaren 2012 tot en met 2015.
Inkomstenbelastingcorrectie:
Minder winst/meer MKB-vrijstelling 2013 € 7.501
Minder winst/meer MKB-vrijstelling 2014 € 8.050
Minder winst/meer MKB-vrijstelling 2015 € 7.601
Minder winst/meer MKB-vrijstelling 2016 € 6.841
(...)
5. Inkomstenbelasting
(...)
5.2 Persoonsgebonden aftrekposten
5.2.1 Uitgaven voor specifieke zorgkosten
In de jaren 2013 tot en met 2015 zijn er kosten voor extra kleding en beddengoed alsmede daarmee samenhangende extra uitgaven in aftrek gebracht. (...)
Belastingplichtige heeft op geen enkele manier de uitgaven van extra kleding en beddengoed onderbouwd met bescheiden. Er zijn geen betalingsbewijzen overlegd. Er is ook op geen enkele wijze aangetoond dat de uitgaven “extra uitgaven zijn” ten aanzien van het gebruikelijke. De kosten voor extra kleding en beddengoed worden gecorrigeerd.
De uitgaven voor vervoer in verband met ziekte of invaliditeit en genees- en heelkundige hulp in het jaar 2013 blijven beneden het drempelbedrag.
Inkomstenbelastingcorrectie:
Geen aftrek specifiek zorgkosten 2013 € 1.267
Geen aftrek specifiek zorgkosten 2014 € 1.177
Geen aftrek specifiek zorgkosten 2015 € 1.175
5.2.2 Kosten aftrek levensonderhoud
In de jaren 2013 en 2014 worden kosten levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar in aftrek gebracht. (...)
Uit de bankafschriften blijkt niet dat aan de voorwaarden “uw aandeel in de totale kosten van levensonderhoud” is voldaan. De kosten aftrek levensonderhoud van kinderen jonger dan 21 jaar worden gecorrigeerd.
Inkomstenbelastingcorrectie:
Geen aftrek levensonderhoud 2013 € 1.660
Geen aftrek levensonderhoud 2014 € 1.160
(...)
7.1 Aangiften
(...)
Vanwege correcties in zowel de omzet als de voorbelasting is bij het boekenonderzoek besloten een nieuwe herrekening van de omzetbelasting te maken voor de gecontroleerde jaren.
Jaar 2012
Omzet volgens administratie € 23.815 x 19% af te dragen OB € 4.525
Omzet volgens administratie € 9.406 x 0% af te dragen OB € 0
Voorbelasting kosten € 0
Verschuldigd € 4.525
Kleine ondernemersregeling € 0
Verschuldigd € 4.525
Op aangifte afgedragen € 1.739
Na te heffen volgens administratie € 2.786
Jaar 2013
Omzet volgens administratie € 27.800 x 21% af te dragen OB € 5.838
Omzet volgens administratie € 5.092 x 0% af te dragen OB € 0
Voorbelasting kosten € 2.772
Verschuldigd € 3.066
Kleine ondernemersregeling € 0
Verschuldigd € 3.066
Op aangifte afgedragen € 2.711
Na te heffen volgens administratie € 355
Correctie: meer af te dragen (winstcorrectie en autokosten) € 11.252
Na te heffen € 11.607
Jaar 2014
Omzet volgens administratie € 20.586 x 21% af te dragen OB € 4.323
Omzet volgens administratie € 11.896 x 0% af te dragen OB € 0
Voorbelasting kosten € 3.273
Verschuldigd € 1.050
Kleine ondernemersregeling € 1.050
Verschuldigd € 0
Op aangifte afgedragen € 2.079
Na te heffen volgens administratie € 2.079
Correctie: meer af te dragen (winstcorrectie en autokosten) € 11.597
geen recht op kleine ondernemersregeling € 1.050
Na te heffen € 10.568
Jaar 2015
Omzet volgens administratie € 19.859 x 21% af te dragen OB € 4.170
Omzet volgens administratie € 10.940 x 0% af te dragen OB € 0
Voorbelasting kosten € 1.096
Verschuldigd € 3.074
Kleine ondernemersregeling € 0
Verschuldigd € 3.074
Op aangifte afgedragen € 3.332
Na te heffen volgens administratie € 258
Correctie: meer af te dragen (winstcorrectie en autokosten) € 10.311
Na te heffen € 10.053
Jaar 2016
Omzet volgens administratie € 19.859 x 21% af te dragen OB € 3.284
Omzet volgens administratie € 10.940 x 0% af te dragen OB € 0
Voorbelasting kosten € 1.624
Verschuldigd € 1.660
Kleine ondernemersregeling € 770
Verschuldigd € 890
Op aangifte afgedragen € 797
Na te heffen volgens administratie € 93
Correctie: meer af te dragen (winstcorrectie en autokosten) € 9.666
Na te heffen € 10.529
8.1.3. Inkomen uit werk en woning (box 1)
|
JAAR 2013
|
JAAR 2014
|
JAAR 2015
|
JAAR 2016
|
|
Aangegeven of vastgesteld inkomen uit werk en woning (box 1)
|
€ 7.748
|
€ 4.853
|
€ 5.112
|
€ 10.056
|
|
Winstcorrectie
|
€ 46.082
|
€ 49.451
|
€ 46.697
|
€ 42.032
|
|
Correctie specifieke uitgaven zorgkosten
|
€ 1.267
|
€ 1.177
|
€ 1.175
|
|
|
Correctie aftrek uitgaven levensonderhoud kinderen
|
€ 1.660
|
€ 1.160
|
-
|
-
|
|
Gecorrigeerd inkomen uit werk en woning
|
€ 56.757
|
€ 56.641
|
€ 54.667
|
€ 52.088
|
|
|
(...)”
In het rapport van het boekenonderzoek is voorts onder meer kennis gegeven van het voornemen om bij de naheffingsaanslagen ob over de jaren 2013 tot en met 2016 vergrijpboeten op te leggen ingevolge artikel 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) alsmede van het voornemen om bij de (navorderings)aanslagen ib/pvv over de jaren 2013, 2015 en 2016 vergrijpboeten op te leggen ingevolge artikel 67e dan wel artikel 67d van de Awr.
8. Naar aanleiding van de uitkomsten van het boekenonderzoek zijn de onderhavige (navorderings)aanslagen ib/pvv, Zvw, naheffingsaanslagen ob en vergrijpboeten opgelegd.
9. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. In bezwaar heeft eiser factuurlijsten van de jaren 2013, 2014 en 2016 overgelegd. Volgens deze lijsten heeft eiser in het jaar 2013 346 aangiften voor betalende klanten ingediend, in het jaar 2014 310 aangiften en in het jaar 2016 195 aangiften.
10. Op 10 september 2017 heeft het [tv zender] programma “ [titel programma] ” een aflevering uitgezonden met als titel: “ [titel] ”. Daarin zijn beelden getoond over de werkwijze van eiser. In de uitzending komen enkele klanten van eiser aan het woord en zijn verborgen opnamen gemaakt van eiser terwijl hij potentiële klanten zijn werkwijze uitlegt.
11. Op 26 juni 2018 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam vonnis gewezen in een strafzaak tegen eiser. De rechtbank acht bewezen dat eiser in de periode 26 februari 2012 tot en met 24 april 2015 te [plaats] , telkens opzettelijk belastingaangiften ten name van een zestal van zijn klanten onjuist heeft gedaan door opzettelijk op de bij de Belastingdienst ingediende elektronische aangiften ten name van genoemde personen over genoemde perioden onjuiste aftrekposten, waaronder uitgaven voor specifieke zorgkosten, kleding en beddengoed, kosten voor genees- en heelkundige hulp en dieetkosten op te geven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven. Na hoger beroep, ingesteld door het openbaar ministerie, tegen dit vonnis is eiser bij arrest van het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor (kort gezegd) valsheid in geschrift bij het doen van aangiften ib/pvv voor een achttal van zijn klanten alsmede voor valsheid in geschrift ter zake van een brief van 27 november 2013.
12. Verweerder heeft bij nader stuk aan de rechtbank van 14 april 2021 zogenoemde blauwdrukken overgelegd. Dit zijn afdrukken van Excel-bestanden waarin gegevens uit de bronbestanden van de Belastingdienst zijn opgenomen, bestaande uit onder meer aangiftegegevens, de bij de Belastingdienst bekende loongegevens, gegevens over de aangiftebehandeling, vermindering en navordering, en gegevens over afwijkingen op de aangiften. In de blauwdrukken zijn de aangiften inkomstenbelasting die zijn ingediend vanaf de aan eiser gekoppelde IP-adressen per jaar aangegeven. Vermeld daarin zijn de naam, Burgerservicenummer, naam van de fiscale partner, adresgegevens en datum van indiening van de aangifte.
13. In geschil is of de (navorderings)aanslagen, de vergrijpboeten en de naheffingsaanslagen terecht en tot de juiste hoogte zijn opgelegd. Meer specifiek is in geschil of verweerder (zo nodig) beschikt over een nieuw feit (ib/pvv en Zvw 2013 en omzetbelasting 2012 en 2013), of de omzet voor hulp bij aangiften terecht en tot het juiste bedrag is gecorrigeerd of (daarbij) sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast wegens het niet doen van de vereiste aangifte, en of sprake is van onrechtmatige selectie voor onderzoek naar de onderhavige belastingjaren. De bij de (navorderings)aanslagen aangebrachte correcties ten aanzien van de autokosten, de specifieke zorgkosten en de uitgaven voor levensonderhoud van kinderen zijn in beroep niet meer in geschil. De standpunten en stellingen van partijen ter zake zullen bij de overwegingen worden besproken.
Beoordeling van het geschil
Uitspraken op bezwaar ib/pvv en Zvw 2014
14. Eiser heeft terecht opgemerkt dat boven de uitspraak op bezwaar betreffende de aanslag ib/pvv 2014 ten onrechte is vermeld “Vermindering”. Aangezien deze onjuiste aanduiding geen nadelige gevolgen heeft gehad (ook gelet op de motivering daarvan bij brief van verweerder van 18 december 2019), en eiser tijdig in bezwaar en beroep is gekomen, leidt dit niet tot een andere conclusie dan dat sprake is van een kennelijke verschrijving en dat voor “Vermindering” moet worden gelezen “Uitspraak op bezwaar”.
15. Eiser heeft aangevoerd dat de onderhavige navorderingsaanslagen en gecorrigeerde aanslagen zijn voortgekomen uit een onrechtmatige selectie op grond van het Project 1043 in samenhang met de registratie in FSV. Eiser stelt op die grond dat de navorderings- en naheffingsaanslagen dienen te worden vernietigd en dat (naar de rechtbank begrijpt) de gecorrigeerde aanslagen dienen te worden verminderd overeenkomstig de aangiften.
16. De controle door de Belastingdienst van de door eiser (voor zichzelf) ingediende aangiften ib/pvv en ob voor de jaren 2012 tot en met 2016 die heeft geleid tot de onderhavige correcties, is geïnitieerd op de wijze zoals vermeld bij de feiten in onderdeel 4 en 5, doordat een klant van eiser zich bij de Belastingdienst heeft gemeld met de mededeling dat de door eiser voor hem ingediende aangifte niet juist was. Het is niet onrechtmatig dat verweerder op basis hiervan het IP-adressen onderzoek is gestart en vervolgens gelet op de aanwijzingen die zijn verkregen naar aanleiding van het IP-adressen onderzoek ook onderzoek heeft gedaan naar de (eerder en later ingediende) aangiften van eiser. De controle van de aangiften van eiser is niet voortgevloeid uit een risicoselectie, een verwerking van persoonsgegevens in een databank of een gebruik van een databank waarin persoonsgegevens zijn opgeslagen, op basis van een criterium dat jegens eiser leidt tot een schending van een grondrecht zoals een schending van het verbod op discriminatie naar afkomst, geaardheid of geloofsovertuiging (vgl. HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748). Dat betekent dat van een onrechtmatige selectie op grond van het Project 1043 in samenhang met een registratie in FSV zoals eiser heeft gesteld, naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is. Het enkele feit dat eiser (ook) was opgenomen in het Project 1043 en, zoals eiser heeft gesteld, geregistreerd stond in FSV, brengt niet mee dat de belastingaanslagen verminderd dienen te worden. Ook niet als geconstateerd zou worden dat de Belastingdienst het recht van eiser op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer heeft geschonden door zijn gegevens te verwerken op een wijze die door de inhoud, het gebruik of de verspreiding van de desbetreffende bestanden – eventueel op onderdelen – in strijd is met de Wet bescherming persoonsgegevens of de AVG (vgl. HR 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748, r.o. 5.4).
Nieuw feit aanslagen ib/pvv en Zvw 2013 en ob 2012 en 2013
17. Te weinig geheven of te veel teruggegeven belasting kan op grond van artikel 16, eerste lid, van de Awr worden nagevorderd. Navordering is niet mogelijk op grond van een feit dat de inspecteur ten tijde van het opleggen van de (primitieve) aanslag bekend was of redelijkerwijs bekend had moeten zijn.
18. Volgens vaste rechtspraak mag de inspecteur bij het vaststellen van een aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die een belastingplichtige bij zijn aangifte heeft verstrekt. Navordering is evenwel niet mogelijk als de inspecteur een ambtelijk verzuim heeft begaan. Daarvan is sprake als de inspecteur, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, en mede gelet op de overige in aanmerking komende omstandigheden van het geval, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven in redelijkheid behoorde te twijfelen. Voor twijfel is geen aanleiding indien de niet onwaarschijnlijke mogelijkheid bestaat dat de in de aangifte opgenomen gegevens juist zijn (vgl. HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, HR 22 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165 en HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082).
19. De aangifte van eiser geeft op zichzelf beschouwd geen reden aan de juistheid daarvan te twijfelen. De opgevoerde bedragen aan specifieke zorgkosten, uitgaven levensonderhoud en autokosten zijn niet dermate hoog dat verweerder nader onderzoek had moeten doen en ook overigens bestond tot nader onderzoek geen aanleiding. De omstandigheid dat verweerder de juistheid van de aftrekposten niet voorafgaand aan het opleggen van de primitieve aanslagen heeft onderzocht vormt derhalve geen aan navordering in de weg staand ambtelijk verzuim.
20. Eiser heeft aangevoerd dat zijn aangifte voor het jaar ib/pvv 2013 reeds eerder gecontroleerd is en wijst hierbij op een brief van verweerder van 10 maart 2016 , waarin eiser onder meer werd verzocht de opgevoerde specifieke zorgkosten en uitgaven voor levensonderhoud kinderen nader te onderbouwen. Nu deze vragenbrief pas is verzonden na oplegging van de primitieve aanslag ib/pvv 2013 (die is gedagtekend 10 april 2015) staat dit onderzoek niet aan navordering aan de weg. Voor zover eiser zich ook ten aanzien van de naheffingsaanslagen omzetbelasting 2012 en 2013 heeft beroepen op het ontbreken van een nieuw feit, geldt (anders dan voor het opleggen van een navorderingsaanslag) dat voor het opleggen van een naheffingsaanslag niet vereist is dat sprake is van een nieuw feit. Feiten of omstandigheden die aanleiding zouden kunnen zijn voor de conclusie dat sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur bij de oplegging van de naheffingsaanslagen omzetbelasting zijn niet gesteld, zodat deze beroepsgrond faalt.
21. Of sprake is van kwade trouw aan de zijde van eiser, zoals verweerder nog heeft gesteld, behoeft gelet op het voorgaande geen behandeling.
Naheffingsaanslag ob 2012
22. Wat betreft de naheffingsaanslag omzetbelasting 2012 geldt dat verweerder voor dit jaar geen omzetcorrectie heeft toegepast, maar enkel heeft nageheven ter zake van de omzetbelasting die eiser volgens zijn eigen administratie zou moeten hebben afgedragen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht nageheven voor het verschil tussen de uit de administratie blijkende omzet en de aangegeven omzet. Eiser heeft hiertegen geen afzonderlijke klachten aangevoerd zodat het beroep betreffende de naheffingsaanslag omzetbelasting 2012 en de daarbij behorende beschikking belastingrente ongegrond is.
Omkering bewijslast ter zake van het niet doen van de vereiste aangiften ib/pvv en ob 2013-2016
23. Verweerder heeft zich erop beroepen dat de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard, omdat eiser de vereiste aangiften ib/pvv en ob voor de jaren 2013 tot en met 2016, niet heeft gedaan. Hiertoe stelt verweerder dat eiser in de jaren 2013, 2014, 2015 en 2016 in totaal 1.155, 1.077, 1.043 respectievelijk 926 aangiften heeft ingediend namens klanten en dat als uitgegaan wordt van het door eiser gehanteerde tarief van € 80 dit resulteert in aanzienlijk hogere winsten en omzetten dan door eiser aangegeven. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verweerder bij zijn nadere stuk van 14 april 2021 lijsten overgelegd van de aangiften die zijn ingediend vanaf de vier IP-adressen die volgens het IP-adressen onderzoek aan eiser konden worden gekoppeld. Verweerder heeft in zijn nadere stuk van 14 april 2021 verder uiteengezet dat als enkel aangiften in aanmerking worden genomen met een uniek adres (hierbij zijn de aangiften van personen die woonachtig zijn op hetzelfde adres slechts eenmaal in aanmerking genomen, waardoor partners en kinderen buiten beschouwing zijn gelaten), dit alsnog resulteert in de volgende aantallen aangiften 831 (2013), 773 (2014), 751 (2015) en 651 (2016). In dit scenario zijn aanzienlijke bedragen aan winst en omzet niet aangegeven van € 27.142 (2013), € 30.521 (2014), € 29.794 (2015), respectievelijk € 27.401 (2016). Ook dan zijn de vereiste aangiften ib/pvv en ob niet gedaan, aldus verweerder.
24. Eiser bestrijdt dat hij de door verweerder gestelde aantallen aangiften heeft gedaan. Voorts bestrijdt eiser gemotiveerd dat hij voor al deze aangiften betaald heeft gekregen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft eiser bij zijn nadere stuk van 14 mei 2021 zestien verklaringen van klanten overgelegd, waarin wordt verklaard dat zij in één of meerdere jaren in de periode 2013 tot en met 2016 niet hebben betaald voor het indienen van hun aangifte, dan wel dat zij voor het indienen van hun aangifte en die van hun partner gezamenlijk, slechts eenmaal hebben betaald.
25. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 27e, eerste lid, van de Awr, bepaalt dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van een of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast.
26. Verweerder zal voor ieder jaar of tijdvak afzonderlijk feiten en omstandigheden aannemelijk moeten maken die de conclusie rechtvaardigen dat de vereiste aangiften ib/pvv en ob niet zijn gedaan.
27. Verweerder heeft ter onderbouwing van de door hem gestelde aantallen aan de IP-adressen van eiser gekoppelde ingediende aangiften verwezen naar de verklaring van [inspecteur 4] (zie 4) en het proces-verbaal van Odijk (zie 5) en uiteindelijk naar de in het nadere stuk van verweerder van 14 april 2021 overgelegde blauwdrukken, waarin per jaar de volgens verweerder door eiser ingediende aangiften zijn weergegeven. Ter zitting van 29 juni 2021 heeft [inspecteur 4] het verloop van het IP-adressen onderzoek ter zake van de jaren 2015 en 2016 als volgt nader toegelicht:
“Het heeft aanvankelijk heel veel moeite gekost om het klantenbestand van eiser in beeld te brengen door de constant wisselende IP-adressen. Normaal zien we via een IP-adres dat is te koppelen aan een adviseur 100 aangiftes per IP-adres. Maar in het geval van eiser zagen we per aangifte een ander IP-adres. De basis ligt in oudere jaren, toen was er nog sprake van één IP-adres of een aantal vaste IP-adressen. En daar zijn controles op los gelaten om te zien of die mensen nog steeds klant waren van eiser. Ik ben hier maanden mee bezig geweest. Een van de controles die we hebben gedaan voor 2015 en 2016 is of de aangiften die toen in beeld zijn gekomen via de vier IP-adressen waarvan was vastgesteld dat deze van eiser waren, de jaren erna constant wisselende IP-adressen hadden. Dat hebben niet veel mensen, een wisselend IP-adres, dus die mensen die klant waren van eiser die hadden in de volgende jaren iedere keer een wisselend IP-adres. Als er dus sprake was van een wisselend IP-adres in de volgende aangiftes was dat een duidelijke indicatie dat ze nog steeds klant van eiser waren.”
En:
“Voor 2015 en 2016 konden we de mensen niet in beeld krijgen, dus voor volgende jaren is daar allemaal controle op gedaan om te kijken of zij nog steeds behoorden tot het klantenbestand van eiser. In 2012 en 2013 behoorden ze tot het klantenbestand van eiser en het jaar erop hadden ze een wisselend IP-adres. Dat zag je in die tijd bijna nooit. De kans dat ze waren overgestapt naar een andere adviseur die ook gebruik maakte van wisselende IP-adressen en hoge zorgkosten opvoerde is klein. De aantallen die ik heb genoemd zijn eerder de laag dan te hoog.”
28. Uit de blauwdrukken volgen de door verweerder (en in het boekenonderzoek) gestelde aantallen, met één afwijking aangezien voor het jaar 2015; volgens de blauwdrukken zijn 1.042 aangiften gedaan in plaats van de door verweerder gestelde 1.043. De bij de blauwdrukken schriftelijk en ter zitting gegeven verklaringen over de wijze waarop het onderzoek is gedaan, de ambtsedige verklaring van [inspecteur 4] en de verklaring in het proces-verbaal inzake IP-adressen ondertekend door Odijk zijn door eiser niet bestreden. Eiser heeft erkend dat hij gebruik maakte van wisselende IP-adressen en hij heeft niet bestreden dat de door verweerder bij zijn onderbouwing van de aantallen aangiften in aanmerking genomen IP-adressen met nummers [#] , [##] , [###] en [#####] door eiser zijn gebruikt om de door hem verzorgde aangiften in te dienen. De rechtbank acht gelet hierop aannemelijk dat eiser de door verweerder gemotiveerd gestelde aantallen aangiften heeft gedaan in 2013, 2014, 2015 en 2016. Weliswaar heeft eiser de door verweerder gemotiveerd gestelde aantallen in zijn algemeenheid betwist, maar hij heeft, ook nadat hij de blauwdrukken en toelichtingen heeft ontvangen die betwisting niet nader gemotiveerd. De enkele stelling van eiser dat de blauwdrukken niet een lijst bevatten van betalende klanten, is daartoe onvoldoende. De door eiser overgelegde factuurlijsten voor de jaren 2013, 2014 en 2016, zijn tegenover het door verweerder aangevoerde eveneens van onvoldoende gewicht. Die factuurlijsten vertonen tegenstrijdigheden met andere gegevens, zoals de door eiser overgelegde verklaringen bij zijn nadere stuk van 14 mei 2021 en op die factuurlijsten staan alleen gegevens van klanten die volgens eiser wel betaald zouden hebben. Een totaaloverzicht van de aantallen door eiser voor klanten ingediende aangiften wordt hiermee dus niet verkregen.
29. Als niet, dan wel onvoldoende bestreden is komen vast te staan dat eiser in de onderhavige jaren als uitgangspunt een tarief van € 80 per aangifte rekende. Indien eiser zou worden gevolgd in zijn stelling dat partners (en eventueel inwonende kinderen) maar éénmaal een bedrag van € 80 hoefden te betalen, resulteert dit alsnog in zowel absoluut als relatief grote bedragen aan te weinig aangegeven belasting. Als ook de eigen aangiften ib/pvv van eiser uit de aantallen worden geschrapt alsmede de personen die in de door eiser op 14 mei 2021 overgelegde verklaringen hebben aangegeven vanwege een vriendschapsrelatie niets te hebben betaald voor de aangiften, bedragen de aantallen ingediende aangiften 821 (2013), 764 (2014), 743 (2015) en 643 (2016) en bedraagt de te weinig aangegeven winst en omzet nog steeds € 26.480 (2013), € 29.926 (2014), € 29.264 (2015), en € 26.872 (2016). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met deze gegevens aannemelijk gemaakt dat sprake is van zowel absoluut als relatief grote bedrag aan verschuldigde belasting waarvoor door eiser geen aangiften ib/pvv en ob zijn gedaan in de jaren 2013 tot en met 2016. De rechtbank acht het verschil tussen de door eiser (middels de factuurlijsten) gestelde aantallen aangiften waarvoor betaald is (346 in 2013, 310 in 2014 en 195 in 2016) en de hiervoor genoemde (geschoonde) aantallen dermate groot dat niet geloofwaardig is dat voor het verschil sprake is van (nog meer) vriendendiensten, no cure no pay, mensen in de bijstand of klanten van wie ook de verzekeringen zijn gedaan. De betwisting van eiser met de stelling dat hij (gelet op de factuurlijsten) in 2013 maar voor 346 aangiften betaald heeft gekregen, in 2014 voor 310 aangiften en in 2016 voor 195 aangiften, dus ruim minder dan de helft (en in 2016 zelfs ruim minder dan één derde) van de al geschoonde aantallen zoals hiervoor vermeld, is onvoldoende gemotiveerd voor een ander oordeel. Dat eiser zich maar voor een zo klein deel van de door hem verzorgde werkzaamheden zou laten betalen is niet (zonder meer) geloofwaardig.
30. De rechtbank is gelet op het voorgaande ook van oordeel dat eiser ten tijde van het doen van de onderhavige aangiften wist of zich ervan bewust moest zijn dat een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven.
31. Het vorenoverwogene brengt de rechtbank tot het oordeel dat de vereiste aangiften ib/pvv en ob voor de jaren 2013 tot en met 2016 niet zijn gedaan.
32. Dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan betekent dat de beroepen betreffende de (navorderings)aanslagen ib/pvv en naheffingsaanslagen ob 2003 tot en met 2016 ongegrond worden verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn (omkering en verzwaring van de bewijslast). Daarbij geldt dat een aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar moet berusten op een redelijke schatting van de niet aangegeven winst of omzet. De beoordeling of een schatting redelijk (niet willekeurig) is, houdt een minder strenge toets in dan de beoordeling of en in hoeverre aannemelijk is dat de belastingplichtige een bedrag aan winst of omzet niet in zijn aangifte heeft verantwoord.
33. Verweerder heeft de schatting van de niet aangegeven winst en omzet steeds bepaald op basis van de door hem na het IP-adressen onderzoek gevonden aantallen aangiften dat door eiser per jaar is ingediend, waarbij het door eiser gehanteerde tarief van € 80 in aanmerking is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij sprake van een redelijke schatting. Daaraan doet niet af dat verweerder voor het jaar 2015 in afwijking van de lijst één aangifte meer in aanmerking genomen (namelijk 1.043 in plaats van 1.042), alsmede dat verweerder voor de correctie ervan is uitgegaan dat bij partners door eiser twee maal het tarief werd gerekend. Alhoewel aan de berekeningswijze van verweerder een zekere grofheid niet kan worden ontzegd, heeft hij zich gebaseerd op de gegevens uit het onderzoek waarbij verweerder heeft getracht inzicht te krijgen in de aantallen aangiften die eiser voor derden heeft gedaan. In situaties als de onderhavige, waarbij verweerder slechts over beperkte gegevens beschikt en de eigen administratie niet (goed) controleerbaar is doordat een afdoende kasadministratie ontbreekt, is dat eigen aan te maken schattingen. Aanvaard dient te worden dat daarbij nog enige marge in aanmerking wordt genomen, teneinde te voorkomen dat door voorzichtig te schatten – objectief – een te laag bedrag in de heffing wordt betrokken en de desbetreffende belanghebbende op die wijze wordt ‘beloond’ voor het niet doen van de vereiste aangifte. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat verweerder bij de selectie van de IP-adressen zorgvuldig te werk is gegaan en bij de minste twijfel over de vraag of een IP-adres permanent aan eiser kan worden gerelateerd, dat adres niet is meegenomen bij het bepalen van de aantallen. Aannemelijk is dan ook dat niet alle door eiser gedane aangiften in beeld zijn gekomen bij het IP-adressen onderzoek. Dat er minder is betaald door bijvoorbeeld vriendendiensten of partners, wordt dan gecompenseerd doordat niet alle door eiser verzorgde aangiften in de correctie zijn betrokken.
34. Aangezien de vereiste aangiften niet zijn gedaan, is het aan eiser om overtuigend aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar onjuist zijn, althans dat de (navorderings)aanslagen ib/pvv (na de vermindering bij uitspraken op bezwaar) en naheffingsaanslagen ob (zoals bevestigd bij uitspraken op bezwaar) te hoog zijn vastgesteld.
35. Eiser heeft gesteld dat hij enkel betaald heeft gekregen voor de aangiften die zijn vermeld op de door hem overgelegde factuurlijsten, dat hij voor (fiscale) partners slechts eenmaal het tarief van € 80 in rekening bracht, dat hij voor vrienden en familie gratis de aangiften indiende, alsook voor mensen in de bijstand en mensen waarvoor hij de verzekeringen deed en dat als de belastingteruggaaf minder dan € 100 bedroeg, hij ook geen tarief in rekening bracht. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft eiser op 14 mei 2021 zestien verklaringen overgelegd waarin klanten van eiser verklaren dat zij eiser niet hebben betaald voor het indienen van een of meer van hun aangifte(n) vanwege een vriendendienst, dan wel dat zij slechts eenmaal het tarief van € 80 hebben betaald voor de aangifte(n) van henzelf en die van hun partner gezamenlijk.
36. De (enkele) stelling van eiser dat hij in veel gevallen niet betaald kreeg voor de door hem verzorgde aangiften is onvoldoende voor het door hem te leveren bewijs. De rechtbank acht de zestien verklaringen die eiser heeft overgelegd ook onvoldoende om te doen blijken dat de (navorderings)aanslagen ib/pvv en naheffingsaanslagen ob te hoog zijn vastgesteld. Deze verklaringen betreffen slechts een klein aantal aangiften en de rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen in onderdeel 33 hierover. Eiser heeft (ook anderszins) niet doen blijken dat de (navorderings)aanslagen ib/pvv 2013 tot en met 2016 tot te hoge bedragen zijn vastgesteld.
Conclusie (navorderings)aanslagen ib/pvv en naheffingsaanslagen ob 2013 tot en met 2016
37. Gelet op het voorgaande zijn de (navorderings)aanslagen ib/pvv en naheffingsaanslagen ob voor de jaren 2013 tot en met 2016 niet te hoog vastgesteld. De bijbehorende beschikkingen belastingrente blijven dan ook in stand.
(Navorderings)aanslagen Zvw 2013 tot en met 2016
38. Eiser heeft geen specifieke gronden gericht tegen de (navorderings)aanslagen Zvw. Nu de (navorderings)aanslagen ib/pvv in stand blijven, wijzigt het bijdrage-inkomen niet. De (navorderings)aanslagen Zvw blijven dus ook in stand.
Vergrijpboete ib/pvv 2013
39. Verweerder heeft aan eiser bij de navorderingsaanslag ib/pvv 2013 een vergrijpboete opgelegd, waarbij verweerder is uitgegaan van een boete van 50% wegens voorwaardelijk opzet. Naar aanleiding van vragen van de rechtbank heeft verweerder zich in beroep nader op het standpunt gesteld dat de boete ib/pvv 2013 moet worden verminderd tot € 7.731 gelet op de vermindering van de boetegrondslag bij uitspraak op bezwaar voor dat jaar. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aldus verminderde boete passend en geboden is. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat een boete van 25% wegens grove schuld passend en geboden is.
40. Op de voet van artikel 67e van de Awr in samenhang met de paragrafen 25 en 27 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: het BBBB) kan verweerder een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete als het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat een aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld of anderszins te weinig belasting is geheven.
41. Verweerder heeft de gestelde voorwaardelijke opzet van eiser onderbouwd met de stelling dat hij de overtuiging heeft dat eiser het advies dat hij als belastingadviseur aan zijn klanten gaf, zoals het in aanmerking nemen van bepaalde (fictieve) kosten (zoals kosten van levensonderhoud en de (eventuele) betalingsbewijzen weggooien) en de “fiscale zinloosheid van het meer dan € 20.000 op papier verdienen” zelf ook heeft toegepast in zijn eigen aangiften. Hierbij heeft verweerder verwezen naar een passage in de uitspraak in de strafzaak tegen eiser van de Rechtbank Amsterdam van 26 juni 2018 en naar uitlatingen die eiser heeft gedaan in het [tv zender] -programma ‘ [titel programma] ’ waarin hij potentiële klanten uitleg over zijn werkwijze geeft.
42. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met hetgeen hij heeft aangevoerd, niet de feiten en omstandigheden doen blijken waaruit volgt dat eiser zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de aanslag tot een te laag bedrag zou worden vastgesteld. Verweerder verwijst voor het bewustzijn van eiser bij het doen van zijn eigen aangifte naar de bewustheid die eiser zou hebben gehad bij het doen van aangiften ib/pvv voor zijn klanten. Hierover gaat de strafzaak waarnaar verweerder verwijst en ook de uitzending van [tv zender] . Dit zegt evenwel naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende over de bewustheid van eiser bij het doen van zijn eigen aangifte. Verweerder heeft daarom de voor (voorwaardelijke) opzet benodigde bewustheid van eiser niet bewezen.
43. Verweerder heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van grove schuld, maar heeft hiervoor geen enkele onderbouwing gegeven, zodat dit subsidiaire standpunt faalt.
44. Dit betekent dat de boete bij de aanslag ib/pvv 2013 ten onrechte is opgelegd en dat de boetebeschikking zal worden vernietigd.
Vergrijpboeten ib/pvv 2015 en 2016
45. Verweerder heeft aan eiser bij de aanslagen ib/pvv 2015 en 2016 vergrijpboeten opgelegd, waarbij verweerder is uitgegaan van een boete van 50% wegens voorwaardelijk opzet.
46. Op de voet van artikel 67d van de Awr in samenhang met de paragrafen 25 en 26 van het BBBB kan verweerder een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete als het aan opzet van de belastingplichtige te wijten is dat de aangifte niet dan wel onjuist of onvolledig is gedaan.
47. Verweerder heeft de gestelde voorwaardelijke opzet van eiser op dezelfde wijze onderbouwd als genoemd in overweging 41. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelijk in overweging 42 overwogen, met hetgeen hij aldus heeft aangevoerd, niet de feiten en omstandigheden doen blijken waaruit volgt dat eiser zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat de aangiften onjuist of onvolledig waren. Verweerder heeft daarom de voor (voorwaardelijke) opzet benodigde bewustheid van eiser niet bewezen. Dit betekent dat de boeten bij de aanslagen ib/pvv 2015 en 2016 ten onrechte zijn opgelegd en dat de betreffende boetebeschikkingen zullen worden vernietigd.
Vergrijpboeten omzetbelasting
48. Ten aanzien van de nageheven omzetbelasting voor het jaar 2013 is bij afzonderlijke beschikking een vergrijpboete opgelegd ten bedrage van € 3.482. In zijn nadere stuk met dagtekening 14 april 2021 heeft verweerder naar aanleiding van vragen van de rechtbank zich nader op het standpunt gesteld dat deze boetebeschikking moet worden vernietigd, omdat deze boete niet gelijktijdig is opgelegd met de naheffingsaanslag omzetbelasting 2013 (artikel 67f, derde lid, van de Awr) en omdat geen tijdige mededeling is gedaan van een onderzoek naar de gerechtvaardigdheid van het opleggen van de boete (artikel 67f, vijfde lid, in verbinding met artikel 67e, derde lid, van de Awr). Gelet hierop is het beroep met kenmerk HAA 20/5443 gegrond en zal de rechtbank de boetebeschikking voor het jaar 2013 vernietigen.
49. Verweerder heeft ten aanzien van de nageheven omzetbelasting over de jaren 2014 tot en met 2016 een vergrijpboete opgelegd van 30%. Op de voet op de voet van artikel 67f van de Awr in samenhang met de paragrafen 25 en 28 van het BBBB kan verweerder een vergrijpboete opleggen van ten hoogste 100% van de grondslag voor de boete, als het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige te wijten is dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de wettelijke termijn is betaald.
50. Verweerder heeft de gestelde voorwaardelijke opzet van eiser op dezelfde wijze onderbouwd als genoemd in overweging 41. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelijk in overweging 42 overwogen, met hetgeen hij aldus heeft aangevoerd, niet de feiten en omstandigheden doen blijken waaruit volgt dat eiser zich ervan bewust is geweest dat er een aanmerkelijke kans bestond dat belasting welke op aangifte moet worden voldaan of afgedragen niet, dan wel niet binnen de wettelijke termijn werd betaald. Verweerder heeft daarom de voor (voorwaardelijke) opzet benodigde bewustheid van eiser niet bewezen. Voor zover verweerder zich ook hier subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van grove schuld, heeft hij hiervoor geen enkele onderbouwing gegeven, zodat dit subsidiaire standpunt faalt.
51. Dit betekent dat de boete bij de naheffingsaanslag ob 2014 tot en met 2016 ten onrechte is opgelegd en dat de boetebeschikking zal worden vernietigd.
52. Nu uit het hiervoor overwogene volgt dat alle boeten worden vernietigd, behoeven de overige beroepsgronden betreffende de boeten geen behandeling meer.
53. Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen betreffende de (navorderings)aanslagen ib/pvv 2013, 2015 en 2016 (HAA 20/2133, 20/2137 en 20/2139) gegrond, worden de daarbij opgelegde boeten vernietigd en worden de (navorderings)aanslagen ib/pvv 2013, 2015 en 2016 gehandhaafd, is het beroep betreffende de naheffingsaanslag ob 2014 tot en met 2016 (HAA 20/5054) gegrond, wordt de daarbij opgelegde boete vernietigd en wordt de naheffingsaanslag ob 2014 tot en met 2016 gehandhaafd, is het beroep betreffende de boete die ziet op de naheffingsaanslag ob 2013 (HAA 20/5443) gegrond, en zijn de beroepen betreffende de aanslag ib/pvv 2014 (HAA 20/2135), de (navorderings)aanslagen Zvw 2013 tot en met 2016 (HAA 20/2134, 20/2136, 20/2138 en 20/2140) en de naheffingsaanslagen ob 2012 en 2013 (HAA 20/5052 en 20/5053) ongegrond.
54. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.
Beslissing
- verklaart de beroepen betreffende de aanslag ib/pvv 2014 (HAA 20/2135), de (navorderings)aanslagen Zvw (HAA 20/2134, 20/2136, 20/2138 en 20/2140), en de naheffingsaanslagen omzetbelasting 2012 (HAA 20/5052) en 2013 (HAA 20/5053) ongegrond;
- verklaart de beroepen betreffende de navorderingsaanslag ib/pvv 2013 (HAA 20/2133), de aanslagen ib/pvv 2015 (HAA 20/2137) en 2016 (HAA 20/2139), en de naheffingsaanslag omzetbelasting 2014 tot en met 2016 (HAA 20/5054) gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar betreffende de (navorderings)aanslagen ib/pvv 2013, 2015 en 2016 en de naheffingsaanslag omzetbelasting 2014 tot en met 2016, doch uitsluitend voor zover daarbij de boeten zijn gehandhaafd;
- vernietigt de boetebeschikkingen die zijn opgelegd bij de (navorderings)aanslagen ib/pvv 2013, 2015 en 2016 en bij de naheffingsaanslag omzetbelasting 2014 tot en met 2016 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten;
- verklaart het beroep betreffende de boete omzetbelasting 2013 (HAA 20/5443) gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar betreffende de boete omzetbelasting 2013;
- vernietigt de naar aanleiding van de naheffingsaanslag omzetbelasting 2013 opgelegde boetebeschikking en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 226 aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. de Jong, rechter, in aanwezigheid van mr. N.G.U. Wasch, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2023.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.