RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Civiel recht
kantonrechter
zaaknummer: 2389603 UC EXPL 13-15347 JOZ/9100
Vonnis van 26 maart 2014 (bij vervroeging)
[eiseres]
,
wonende te [woonplaats],
verder ook te noemen [eiseres],
eisende partij,
gemachtigde: mr. A. Borgers (DAS Nederlandse Rechtsbijstand N.V.),
de stichting
Stichting Stadsmuseum Woerden,
gevestigd te Woerden,
verder ook te noemen Stadsmuseum Woerden,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. J.K. den Haan.
2 De feiten
2.1.
[eiseres] is werkzaam geweest als conservator bij Stadsmuseum Woerden en heeft in die rol vanaf januari 2000 tot 1 juni 2013 werkzaamheden verricht, laatstelijk voor 32 uur per week tegen een salaris van € 3.107,56 bruto per maand exclusief vakantiebijslag;
2.2.
In de periode januari 2000 – april 2001 zijn de werkzaamheden verricht op basis van een uitzendovereenkomst. Aansluitend is zij in dienst getreden bij de Stichting Sociaal Kultureel Werk en van daaruit gedetacheerd bij Stadsmuseum Woerden. Vanwege opheffing van die stichting is [eiseres] per 1 januari 2008 in dienst getreden bij Stichting Kunstencentrum Het Klooster (hierna: Het Klooster), van waaruit zij wederom bij Stadsmuseum Woerden gedetacheerd is. Daartoe is een overeenkomst van inlening gesloten tussen Stadsmuseum Woerden en Het Klooster.
2.3
Stadsmuseum Woerden heeft de overeenkomst van inlening met Het Klooster opgezegd tegen 1 mei 2013. Het Klooster heeft in verband daarmee wegens bedrijfseconomische redenen toestemming voor opzegging van de overeenkomst met [eiseres] gevraagd en na verkregen toestemming, de overeenkomst tegen 1 juni 2013 opgezegd.
2.4
[eiseres] is tot 1 mei 2013 haar werkzaamheden als conservator bij Stadsmuseum Woerden blijven vervullen. Zij heeft geen gebruik gemaakt van de door Stadsmuseum Woerden geboden mogelijkheid van haar werkzaamheden vrijgesteld te worden.
2.5
Aan [eiseres] is bij het einde van de werkzaamheden geen enkele vergoeding betaald, noch door Het Klooster, noch door Stadsmuseum Woerden. Wel heeft Het Klooster een bedrag van € 5.000,-- exclusief btw aangeboden als tegemoetkoming in de eventuele kosten van outplacement, welk aanbod [eiseres] niet geaccepteerd heeft.
3 Het geschil
3.1.
[eiseres] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, een verklaring voor recht dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst heeft bestaan en voorts de schadevergoeding wegens het niet volledig in acht nemen van de opzegtermijn vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover. Over de gemiste maand opzegtermijn vordert [eiseres] verder een vergoeding voor niet uitbetaalde vakantiedagen en de in die periode normaliter op te bouwen eindejaarsuitkering en eenmalige uitkering en de vakantiebijslag. Ten slotte vordert [eiseres] een verklaring voor recht inhoudende dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is en een schadevergoeding van € 36.916,00 te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten, alles met veroordeling van Stadsmuseum Woerden in de proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van die vordering stelt [eiseres] dat zij op basis van een payroll constructie voor Stadsmuseum Woerden werkzaam is geweest. Er moet door die payroll constructie heen gekeken worden, zodat Stadsmuseum Woerden als werkgever aangemerkt moet worden. Stadsmuseum Woerden heeft immers het gezag uitgeoefend en was feitelijk verantwoordelijk voor alle kosten die verband hielden met de arbeidsrelatie, inclusief de beëindiging daarvan. Het Klooster, dat als payroll bedrijf geopereerd heeft, heeft [eiseres] exclusief ter beschikking gesteld aan Stadsmuseum Woerden. De conclusie is dan dat met de onjuiste opzegtermijn is opgezegd en voorts dat het gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, omdat de gevolgen van het ontslag [eiseres] onevenredig hard treffen en geen enkele voorziening getroffen is. De arbeidsovereenkomst is door Het Klooster op grond van een bedrijfseconomische reden opgezegd, maar feitelijk ging het om meer persoonlijke redenen bij Stadsmuseum Woerden, zodat opgezegd is wegens een valse of voorgewende reden. [eiseres] heeft door het gegeven ontslag schade geleden. Gelet op het feit dat haar door de gekozen constructie bovendien ontslagbescherming is ontnomen en zij zich in de UWV procedure niet goed heeft kunnen verweren is reëel haar schadevergoeding toe te kennen, die [eiseres] met toepassing van de kantonrechtersformule begroot heeft op € 36.916,00.
3.3.
Stadsmuseum Woerden heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering met als conclusie dat de kantonrechter deze zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten.
3.4.
Stadsmuseum Woerden baseert haar verweer - kort weergegeven en voor zover voor de verdere beoordeling relevant - op het volgende. Stadsmuseum Woerden kan niet als werkgever aangemerkt worden. Stadsmuseum Woerden heeft nimmer als zodanig opgetreden. De relatie kan ook niet als een vorm van payrolling gekwalificeerd worden, omdat het oogmerk om de relatie met [eiseres] flexibel(er) te maken volledig heeft ontbroken. Voor deze inleen-constructie is gekozen omdat Stadsmuseum Woerden niet beschikt over een structuur waarbij invulling gegeven kan worden aan de verantwoordelijkheden als werkgever. Die verantwoordelijkheid kan niet neergelegd worden bij een onbezoldigd bestuur dat slechts een paar keer bij jaar vergadert. Verder gaat [eiseres] volledig voorbij aan de intenties van partijen. Niet voor niets is tot drie maal toe geen overeenkomst tussen [eiseres] en Stadsmuseum Woerden gesloten, maar is steeds gekozen voor een andere constructie. Aangezien Stadsmuseum Woerden niet als werkgever kan gelden, dienen alle vorderingen afgewezen te worden
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4 De beoordeling
4.1.
[eiseres] heeft ruim 13 jaar als conservator bij Stadsmuseum Woerden gewerkt, aanvankelijk op basis van een uitzendovereenkomst (met inschakeling van een uitzendbureau) en later door detachering vanuit twee van overheidswege (gemeente Woerden) gesubsidieerde stichtingen. Hoewel eerst de stichting Sociaal Kultureel Werk en laatstelijk ook Het Klooster beide geen uitzendbureau zijn, is na hun inschakeling in de feitelijke manier van werken van [eiseres] bij Stadsmuseum Woerden niets veranderd, althans inhoudelijke wijzigingen zijn niet gesteld of gebleken. Hoewel [eiseres] Het Klooster in de dagvaarding als payrollbedrijf aanmerkt is die kwalificatie niet juist, omdat het hier niet lijkt te gaan om beroepsmatige terbeschikkingstelling van personeel, maar een vorm van ondersteuning waarbij Het Klooster extra taken op zich heeft genomen, die niet horen bij de primaire doelstelling van Het Klooster. Wel is net als bij payrolling sprake van een (vergelijkbare) arbeidsrechtelijke driehoeksverhouding. Bij de verdere beoordeling wordt uitgegaan van die arbeidsrechtelijke driehoeksverhouding.
De vraag die voorligt is of Stadsmuseum Woerden in deze situatie, ondanks het ontbreken van een formeel arbeidscontract met [eiseres], als werkgever van [eiseres] heeft te gelden en aanspreekbaar is op de (wijze van) opzegging en de gevolgen daarvan voor [eiseres], omdat de relatie tussen [eiseres] en Stadsmuseum Woerden feitelijk als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd moet worden.
4.2
De kantonrechter beantwoordt die vraag ontkennend.
4.3
Stadsmuseum Woerden is een kleine organisatie. Naast [eiseres] werkten nog twee andere bezoldigde medewerkers bij Stadsmuseum Woerden, met voorts een drietal bezoldigde medewerkers alleen voor het weekend, steeds op basis van een inleenovereenkomst in plaats van een formele arbeidsovereenkomst. Stadsmuseum Woerden wordt geleid door het bestuur van de stichting dat Stadsmuseum Woerden exploiteert. Daarbij gaat het om een bestuur op afstand, dat slechts beperkt bij Stadsmuseum Woerden aanwezig is. Om die reden is er volgens de niet betwiste stellingen van Stadsmuseum Woerden voor gekozen Stadsmuseum Woerden niet zelf te belasten met werkgeverstaken en verantwoordelijkheden, maar in overleg met de gemeente besloten die verantwoordelijkheid bij een derde partij te leggen. Op die grond is [eiseres] in 2000 op basis van een uitzendovereenkomst met haar werkzaamheden bij Stadsmuseum Woerden begonnen.
4.4
Over deze beginperiode, waarin op basis van een uitzendovereenkomst gewerkt is, kan geen enkele twijfel bestaan over wie als werkgever heeft te gelden. Artikel 7:690 BW bepaalt dat een uitzendovereenkomst een arbeidsovereenkomst is. Voor zover het bestuur van de stichting dat Stadsmuseum Woerden exploiteert in die periode in de werkrelatie feitelijk het gezag heeft uitgeoefend, is sprake van een in de wet geregelde uitzondering op het beginsel dat een werkgever in beginsel zelf het gezag dient uit te oefenen. In deze periode is Stadsmuseum Woerden daarom in ieder geval niet aan te merken als werkgever.
4.5
Dat geldt niet automatisch ook voor de twee latere constructies waarbij twee door de gemeente gesubsidieerde stichtingen het feitelijk werkgeverschap op zich hebben genomen. Het is immers niet het beroep of bedrijf van deze twee stichtingen om personeel aan een derde partij ter beschikking te stellen, zodat deze stichtingen zich er niet op kunnen beroepen dat zij [eiseres] als (uitzend)werkgever op basis van een uitzendovereenkomst aan Stadsmuseum Woerden ter beschikking hebben gesteld. Zulks volgt ook expliciet uit de Memorie van Toelichting (Tweede kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 263, nr 3) waarin staat dat het incidenteel in voorkomende gevallen ter beschikking stellen van arbeidskrachten door werkgevers die in feite geheel andersoortige beroeps- of bedrijfsactiviteiten hebben, niet onder het regime van de uitzendovereenkomst kan worden gebracht.
4.6
Het enkele feit dat de twee elkaar opvolgende stichtingen zich niet op het regime van de uitzendovereenkomst kunnen beroepen impliceert daarmee nog niet automatisch dat tussen hen en [eiseres] geen arbeidsovereenkomst heeft bestaan. De relatie tussen [eiseres] en de beide stichtingen, laatstelijk Het Klooster, is immers wel geformaliseerd met een overeenkomst die partijen als arbeidsovereenkomst hebben gekwalificeerd en waaraan – in ieder geval door loonbetaling – ook invulling is gegeven.
4.7
Het feit dat [eiseres] op geen enkel moment rechtstreeks, op basis van een tussen hen gesloten overeenkomst, bij Stadsmuseum Woerden in dienst is getreden, maar dat tot drie maal toe inlening via een derde partij gerealiseerd is, geeft in ieder geval aan dat het niet de bedoeling is geweest dat een formele arbeidsrelatie tussen [eiseres] en Stadsmuseum Woerden zou ontstaan, althans in ieder geval niet van de zijde van Stadsmuseum Woerden. Er kan niet lichtvaardig aan voorbij gegaan worden dat Stadsmuseum Woerden welbewust met Het Klooster gecontracteerd heeft en niet rechtstreeks met [eiseres]. [eiseres] heeft ten aanzien van haar eigen positie evenmin gesteld of nadere feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit begrepen had moeten worden dat zij van mening was wel bij Stadsmuseum Woerden in dienst te treden of waaruit zou volgen dat [eiseres] met de feitelijke gang van zaken niet kon instemmen. Sterker nog, uit de verklaring van [eiseres] op de comparitie volgt dat de rechtsvoorganger van Het Klooster nog wel enige nadere invulling aan de werkgeversverplichtingen heeft gegeven, door naast het betalen van loon ook formele voortgangs/functioneringsgesprekken te voeren. Pas na de beëindiging van de overeenkomst met Het Klooster is de stelling betrokken dat een rechtstreekse relatie met Stadsmuseum Woerden is ontstaan.
4.8
[eiseres] stelt ter onderbouwing van haar vordering dat feitelijk geen sprake was van een gezagsverhouding met Het Klooster en voorst dat alle kosten verband houdende met de arbeidsrelatie –inclusief die van de eventuele beëindiging- ten laste komen van Stadsmuseum Woerden. [eiseres] heeft aldus voor Stadsmuseum Woerden tegen beloning arbeid verricht, zodat de relatie bij een inhoudelijke beschouwing daarvan, als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd moet worden.
4.9
Echter in verband met de rechtszekerheid dient terughoudendheid in acht genomen te worden om in weerwil van de gemaakte afspraken toch een arbeidsovereenkomst tussen [eiseres] en Stadsmuseum Woerden aan te nemen. Een geruisloze vervanging van een inleenovereenkomst door een arbeidsovereenkomst kan immers niet worden aangenomen (HR 5 april 2002, ABN AMRO/Malhi). Daarbij komt dat het hier niet gaat om de vraag of de overeenkomst tussen (dezelfde) partijen als een arbeidsovereenkomst gekwalificeerd kan worden, maar om de vraag met wie de arbeidsovereenkomst bestaat, waarvoor de aanwezige schriftelijke stukken uiteraard een belangrijke indicatie zijn, en of een wisseling van partijen heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de kantonrechter weegt voor de beoordeling van die vraag het aangehaalde arrest van 5 april 2002 zwaarder dan de jurisprudentie die ziet op de kwalificatie van de overeenkomst tussen dezelfde partijen, zoals bijvoorbeeld Groen/Schoevers (HR 14 november 1997, arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht) en AGFA/Schoolderman (HR 8 april 1994, is een overeenkomst voor onbepaalde tijd ontstaan). In die zaken wordt naar de partijbedoeling en de feitelijke invulling gekeken en wordt de relatie tussen partijen gekwalificeerd, maar steeds tussen dezelfde partijen. Een wisseling van contractspartijen is niet aan de orde.
4.10
Naar het oordeel van de kantonrechter kan daarom geen arbeidsovereenkomst met Stadsmuseum Woerden worden aangenomen. Het aannemen van een arbeidsovereenkomst is, gelet op de ontstaansgeschiedenis van de gekozen constructie en de daaruit te trekken conclusie dat in ieder geval één van beide partijen geen arbeidsovereenkomst wenste, alsmede het karakter van de organisatie van Stadsmuseum Woerden (niet ingericht voor het adequaat vervullen van werkgeverstaken) bovendien een ongewenste uitkomst. Indien er in deze omstandigheden een arbeidsovereenkomst zou worden aangenomen, maakt dit feitelijke iedere arbeidsrechtelijke driehoeksverhouding, anders dan via een officiële uitzendconstructie, illusoir. Ook miskent het argument over de afwezigheid van een gezagsverhouding dat in de relatie tussen Het Klooster en [eiseres] wel sprake is geweest van een gezagsverhouding, in welk kader [eiseres] nu juist gehouden was bij Stadsmuseum Woerden werkzaamheden te verrichten. Ook de verwijzing van [eiseres] naar de recente payroll jurisprudentie waarin wel een arbeidsovereenkomst met de inlenende partij wordt aangenomen, kan [eiseres] niet baten. Weliswaar is bij de parlementaire behandeling aangegeven dat het incidenteel detacheren in beginsel niet onder artikel 7:690 BW valt. Daarmee is naar het oordeel van de kantonrechter niet meer gegeven dan dat in die situatie in beginsel geen sprake is van een uitzendovereenkomst. Daaruit volgt niet noodzakelijkerwijs ook dat geen sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst met de uitlenende partij. Wel is uiteraard een gegeven dat de partij die niet op basis van een arbeidsovereenkomst personeel aan een derde ter beschikking stelt geen beroep kan doen op de bijzondere bepalingen en de grotere flexibiliteit zoals die geregeld is in artikel 7:691 BW, maar die discussie speelt hier niet.
4.11
[eiseres] heeft met recht naar voren gebracht dat als gevolg van de gekozen constructie de reden die Stadsmuseum Woerden heeft gehad voor de beëindiging van de inzet van [eiseres] niet in rechte getoetst is, waardoor in zekere mate is ingeboet aan bescherming tegen ontslag. Dat is wellicht ongewenst, maar inherent aan de gekozen constructie, die juridisch toelaatbaar is. Dit argument is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om de formele relatie ter zijde te stellen.
4.12
Bij deze stand van zaken kon Het Klooster na beëindiging van de inleenovereenkomst door Stadsmuseum Woerden met haar, met recht als werkgever toestemming voor opzegging vragen en na verkregen toestemming overgaan tot opzegging van de arbeidsovereenkomst met [eiseres]. Daarmee is Het Klooster ook aanspreekbaar op de gevolgen van de opzegging voor [eiseres] of de eventuele onregelmatige opzegging van de overeenkomst. Het Klooster is door [eiseres] evenwel niet gedagvaard, zodat daarover in deze procedure geen oordeel gegeven kan worden.
4.13
Op de comparitie heeft [eiseres] nog het standpunt ingenomen dat er -gelet op de bijzondere situatie- aanleiding bestaat om naast eventuele “formele kennelijk onredelijkheid” ook “materiele kennelijk onredelijkheid” aan te nemen, op grond waarvan Stadsmuseum Woerden dan toch aangesproken kan worden en de gevorderde schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag ten aanzien van Stadsmuseum Woerden toewijsbaar moet zijn.
4.14
De kantonrechter gaat er bij gebreke van een specifieke toelichting op dit standpunt van uit dat [eiseres] daarbij het oog heeft gehad op artikel 7: 658 lid 4 op grond waarvan een feitelijk en een materieel werkgever in het geval van een arbeidsongeval naast elkaar op de gevolgen aanspreekbaar zijn. Bij gebreke van een vergelijkbare wettelijke bepaling bij opzegging acht de kantonrechter het echter onjuist de verantwoordelijkheden van Stadsmuseum Woerden daartoe uit te breiden. Veeleer zou in dit geval gedacht kunnen worden aan een vordering op basis van artikel 6:162 BW indien Stadsmuseum Woerden lichtvaardig of op onjuiste gronden de inleenovereenkomst had opgezegd. Daarvoor is echter onvoldoende gesteld en daarover heeft geen debat tussen partijen plaatsgevonden, zodat de vordering ook op die grond niet kan worden toegewezen.
4.15
De vordering wordt afgewezen en [eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure voor zover aan de zijde van Stadsmuseum Woerden gevallen. Deze worden tot op heden begroot op € 800,-- ( 2 punten volgens liquidatietarief).