4.3.1
De bewijsmiddelen
4.3.1.1 Het aantreffen van het slachtoffer [slachtoffer] en het onderzoek naar de doodsoorzaak
Op 11 juni 2012 omstreeks 16.30 uur treft de politie [slachtoffer] dood aan op bed in de slaapkamer van haar woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats].1
Tijdens het daarop volgende onderzoek en schouw worden aanwijzingen verkregen dat zij mogelijk op een niet-natuurlijke wijze om het leven is gekomen. Op haar lichaam wordt daarom sectie verricht. P.M.I. van Driessche, werkzaam als arts en patholoog bij het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI), constateert op basis van deze sectie dat sprake is van meerdere letsels aan haar hals, die bij leven zijn opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld, zoals bijvoorbeeld het omsnoeren van de hals. De bevindingen kunnen goed passen bij een oplopen van letsel door een zacht bandvormig voorwerp met een breedte van circa 1 centimeter, aldus voornoemde patholoog.2
Verder blijkt [slachtoffer] een vitale breuk van zowel het tongbeen als van het strottenhoofd te hebben, beide opgelopen door inwerking van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld.3 Voornoemd letsel aan de hals wordt ondersteund door toxicologisch onderzoek, waaruit volgt dat de schildklier van [slachtoffer] beschadigd is.4
Elders in het lichaam van [slachtoffer] worden een stuwing van de hals en het hoofd,5 vochtstapeling in de hersenen en longen6 en stipvormige bloeduitstortingen aan het oppervlak van het hart en de longen7 geconstateerd. Deze bevindingen kunnen passen bij een overlijden door verstikking, aldus voornoemde deskundige.8 Een andere doodsoorzaak dan wel aanwijzingen daarvoor zijn niet waargenomen.9
Op grond van - de combinatie van - voornoemde bevindingen komt P.M.I. van Driessche tot de conclusie dat voornoemde bevindingen passen bij een overlijden door verstikking, ten gevolge van samendrukkend geweld aan de hals.10
Ten aanzien van het tijdstip van overlijden heeft voornoemde patholoog geconcludeerd dat het lichaam postmortale veranderingen vertoont die beter passen bij één, mogelijk bij twee dagen ontbinding dan bij meerdere dagen ontbinding.11
Deze bevinding sluit aan bij de verklaringen van getuigen [getuige 1]12 en
[getuige 2], moeder van [slachtoffer],13 die verklaarden [slachtoffer] de avond van 9 juni 2012 voor het laatst in leven te hebben gezien.
De rechtbank stelt vast dat, gelet op het tijdstip van aantreffen van [slachtoffer], de bevindingen van voornoemde patholoog en de verklaringen van voornoemde getuigen,
is overleden in de periode van 9 juni 2012 tot en met 11 juni 2012.
Er zijn geen aanwijzingen dat zij elders dan in haar woning, waar zij is aangetroffen, is overleden.
Verdachte en [slachtoffer] hadden een relatie en brachten de weekenden in de woning van [slachtoffer] door.14 Uit verklaringen van onder meer getuigen [getuige 3],15[getuige 4],16
[getuige 5],17 [getuige 6] 18volgt dat verdachte ook het betreffende weekend van
9 en 10 juni 2012 in de woning verbleef. Verdachte heeft dit bevestigd.19
De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verdachte betrokken is geweest bij de dood van [slachtoffer].
4.3.1.2 De telefonische meldingen door verdachte
Circa een uur voordat het lichaam van [slachtoffer] wordt aangetroffen, op 11 juni 2012 omstreeks 15.27 uur, ontvangt de gemeenschappelijke meldkamer te Utrecht - bereikbaar onder nummer 112 - een telefonisch melding van een beller die zichzelf “[naam]” noemt. De beller, die een mannelijke stem heeft en fluistert, geeft aan dat hij iemand wil aangeven voor moord. De beller vervolgt: “Mijn vriendin is net vermoord (…) op de [adres]te [woonplaats] (…) door [verdachte ].” De melder geeft als telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: #7216) op,20 met welk telefoonnummer voornoemde melding ook blijkt te zijn gedaan.21
Circa een half uur na deze eerste melding, omstreeks 15.54 uur, volgt een tweede melding. Een man die zichzelf “[verdachte ]” noemt, neemt telefonisch contact op met het Regionale Servicecentrum, dat bereikbaar is onder nummer 0900-8844.22
“[verdachte ]”, die gebruik maakt van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: #5781),23 vraagt of er iemand naar zijn adres gestuurd kan worden, waarbij hij als adres de [adres] te [geboorteplaats] opgeeft.24 Als de politie ter plaatste gaat, treffen zij verdachte aan.25 Verdachte geeft aan dat hij zijn vriendin [slachtoffer] heeft gevonden in de slaapkamer van haar woning aan de [adres]. Toen hij zag dat zij blauw was en niet meer ademde, is hij daar weggegaan.26 Verdachte wordt door de politie aangehouden.27
De rechtbank acht bewezen dat voornoemde meldingen beide door verdachte zijn gedaan.
Na zijn aanhouding is onder verdachte een telefoon in beslag genomen, voorzien van
IMEI-nummer [nummer].28 Uit onderzoek volgt dat met dit toestel op 11 juni 2012 omstreeks 15.25 uur het alarmnummer 112 is gebeld, terwijl in het toestel een simkaart was geplaatst met nummer #7216. Diezelfde dag, omstreeks 15.49 uur, is met ditzelfde toestel 0900-8844 gebeld, het telefoonnummer van het Regionale Servicecentrum. Op dat moment was in het toestel geplaatst een simkaart met nummer #5781.29
Zowel telefoonnummer #7216 als telefoonnummer #5781 staat op naam van verdachte.30
Dat deze telefoonnummers ook daadwerkelijk bij verdachte in gebruik zijn, volgt uit de verklaringen van getuigen [getuige 7]31 en [getuige 8],32 die beide nummers noemen als de telefoonnummers waaronder verdachte bereikbaar is. De moeder van verdachte, getuige [getuige 9], heeft na het beluisteren van de melding, die werd gedaan omstreeks 15.25 uur door “[naam]”, verklaard: “Dat is [verdachte ], dat is zijn stem.”33
4.3.1.3 Onderzoek grondcontainer
Het huisvuil van de woning van [slachtoffer] wordt verzameld in een nabij gelegen grondcontainer, die alleen toegankelijk is via geregistreerde passen van bewoners.34
Op 10 juni 2012 tussen 15.15 uur en 16.30 uur ziet getuige [getuige 10] dat verdachte een vuilniszak weggooit in voornoemde grondcontainer.35 Uit onderzoek volgt dat op voornoemde datum omstreeks 15.59 uur een storting is gedaan met gebruikmaking van de pas behorende bij de [adres] te [woonplaats], de woning van [slachtoffer].36 Uit de gegevens van deze pas volgt dat dit de enige storting van voornoemd adres is geweest in de kort daarvoor geleegde grondcontainer.37
De betreffende stortpas is aangetroffen in de woning van [slachtoffer].38
In de grondcontainer wordt onder meer een vuilniszak aangetroffen, met aan de buitenzijde 7 identificeerbare vingerafdrukken dan wel handpalmsporen die identiek zijn aan de vingerafdruk dan wel het handpalmspoor van verdachte.39
In deze vuilniszak bevindt zich onder meer een aantal kledingstukken, waaronder een sweater (AAAS4908NL)40 en een shirt (AAAS4906NL).41 Op deze kledingstukken wordt een aantal bloedvlekken/vegen aangetroffen42 die worden bemonsterd.43
De monsters van voornoemd shirt en voornoemde sweater zijn door het NFI vergeleken met referentiemonsters van [slachtoffer]44 en verdachte.45 Uit dit onderzoek volgt dat het DNA-profiel van de monsters AAAS4908NL#7 tot en met -#13 (van de sweater) en AAAS4906NL#02, - #06, - #07, - #08, - #10, - #11 en -#12 (van het shirt), overeenkomt met het DNA-profiel van [slachtoffer]. Voor al deze sporen geldt dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon (niet verwant met [slachtoffer]), overeenkomt met het DNA-profiel kleiner is dan één op één miljard.46
Op voornoemd shirt wordt verder een DNA-mengprofiel aangetroffen (AAAS4906#05). De DNA-profielen van verdachte en [slachtoffer] komen overeen met dit DNA-mengprofiel. De kans dat het DNA-profiel van willekeurig gekozen personen (niet verwant met [slachtoffer] dan wel verdachte) overeenkomt met het DNA-mengprofiel, is kleiner dan één op 850 miljoen.47
Niet alleen op het shirt, maar ook op voornoemde sweater wordt een DNA-mengprofiel aangetroffen (AAAS4908NL#04). De kans dat het DNA-profiel van willekeurig gekozen personen (niet verwant met [slachtoffer] dan wel verdachte) overeenkomt met dit DNA-mengprofiel, is kleiner dan één op 30 miljoen.48
De rechtbank maakt uit het Bloedspoorpatroononderzoek d.d. 10 oktober 2012 op dat voornoemd shirt en voornoemde sweater, die beide aan het voorpand zijn doorgeknipt,49 op het moment dat de bloedvlekken zijn ontstaan over elkaar heen werden gedragen.50
In de vuilniszak bevindt zich verder een deel van de centuur van de jurk die [slachtoffer] droeg toen zij dood werd aangetroffen in de slaapkamer van haar woning. Dit deel was waarschijnlijk aan de rand afgeknipt met een schaar.51
Tot slot wordt in de vuilniszak een legging (AAAS4903NL) aangetroffen.
In een van de broekspijpen van deze legging bevindt zich een rechter deel van een zwarte BH (AAAS4901NL).52 In de slaapkamer waar [slachtoffer] is gevonden, is een linkerdeel van een zwarte BH aangetroffen (AAEP2804NL).53 Zeer waarschijnlijk vormden beide helften één BH.
Gelet op het voorgaande, stelt de rechtbank vast dat verdachte op 10 juni 2012 een vuilniszak met daarin een aantal goederen dat afkomstig is van de plaats delict heeft weggegooid.
4.3.1.4 Nader onderzoek naar legging AAAS4903NL
Op de hiervoor genoemde legging AAAS4903NL, die bestaat uit zwart breisel,54 wordt ter hoogte van het rechterbovenbeen een bloedspoor aangetroffen en bemonsterd als AAAS4903#01.55 Het DNA-profiel van voornoemd bloedspoor komt overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen andere persoon, niet verwant met [slachtoffer], overeenkomt met het DNA-profiel uit deze bemonstering is kleiner dan één op één miljard.56
Op de legging wordt niet alleen voornoemd bloedspoor aangetroffen, maar ook een aantal bloedschilfers, die zijn bemonsterd als onder meer AAAS4903NL#08 en AAAS4903#09. Ook het DNA-profiel dat uit deze monsters is verkregen, komt overeen met het DNA-profiel van [slachtoffer]. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen andere persoon, niet verwant met [slachtoffer], overeenkomt met het DNA-profiel uit deze bemonstering is kleiner dan één op één miljard.57
Uit monster AAAS4903NL#02 is een DNA-mengprofiel opgemaakt van twee personen. Het DNA-profiel van [slachtoffer] past in dit DNA-mengprofiel. Onder de aanname dat deze bemonstering inderdaad celmateriaal van [slachtoffer] bevat, is een afgeleid DNA-profiel opgemaakt van de tweede persoon waarvan het celmateriaal afkomstig kan zijn. Dit afgeleide DNA-profiel komt overeen met het DNA-profiel van verdachte. De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen andere persoon, niet verwant aan verdachte, overeenkomt met het afgeleide DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.58
Zoals hiervoor onder 4.3.1.1 is omschreven, zijn in de hals van het slachtoffer meerdere letsels aangetroffen die zij heeft opgelopen door inwerking van uitwending mechanisch samendrukkend geweld, zoals bijvoorbeeld door omsnoeren van de hals, door een zacht bandvormig voorwerp met een breedte van circa 1 centimeter.
De hals van het slachtoffer is nader onderzocht op de aanwezigheid van vezels. Op de hals van het slachtoffer zijn 28 vezels aangetroffen die overeenkomen met vezels zoals verwerkt in voornoemde legging AAAS4903NL.59 De vezelafgifte van het materiaal van deze legging is relatief hoog. Normaal dragen zou tot overdacht van relatief veel vezels kunnen leiden. De plaats van het aantreffen - de hals - ligt echter niet voor de hand. Een direct contact, zoals een kneveling, kan het aangetroffen sporenbeeld goed verklaren, aldus
J. van der Weerd, werkzaam bij het NFI.60 Deze deskundige concludeert dat het waarschijnlijker is wanneer er intensief contact is geweest tussen de hals van het slachtoffer en de zwarte legging, dan wanneer uitsluitend contacten met willekeurige andere textiele voorwerpen hebben plaatsgevonden.61
Gelet op de onder 4.3.1.1 genoemde sectiebevindingen en de hiervoor genoemde bevindingen met betrekking tot de legging AAAS4903NL, acht de rechtbank bewezen dat [slachtoffer] om het leven is gekomen doordat haar hals met kracht en/of gedurende enige tijd is omsnoerd en/of samengedrukt met deze legging.
4.3.3 De bewijsverweren: opzet
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde, omdat niet bewezen kan worden dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer].
Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging in de eerste plaats aangevoerd dat er bij verdachte vanaf de avond van 9 juni 2012 tot 11 juni 2012 omstreeks 14.15 uur sprake is geweest van amnesie door overmatig alcohol- en cocaïnegebruik, waardoor verdachte zijn wil niet heeft kunnen bepalen.
De rechtbank verwerpt dit verweer en hecht aan de door verdachte geclaimde amnesie geen geloof.
Op 11 juni 2012 omstreeks 22.10 uur is bij verdachte urine afgenomen. Bij toxicologisch onderzoek worden sporen van cocaïne en een aantal omzettingsproducten, die worden gebruikt bij het versnijden van cocaïne aangetroffen, die passen bij cocaïnegebruik in de 24 uur voor afname.63 Er zijn echter geen aanwijzingen dat verdachte door het gebruik van deze middelen gedurende voornoemde periode geheel “out” is gegaan, zoals verdachte heeft verklaard. In tegendeel. Op 10 juni 2012, aan het begin van de middag, ziet getuige
[getuige 4]64 dat verdachte zijn eigen hond en de hond van [slachtoffer] uitlaat. Zoals hiervoor omschreven, brengt verdachte diezelfde middag omstreeks 15.59 uur een vuilniszak naar de grondcontainer. [getuige 5] ziet dat verdachte op 10 juni 2012 ’s avonds opnieuw de honden uitlaat.65 Diezelfde avond omstreeks 21.15 uur gaat verdachte op bezoek bij getuigen [getuige 11]66 en [getuige 12].67 Uit de verklaringen van deze getuigen volgt dat verdachte, na hen te hebben gebeld, bij hen kwam. Hij vertelde hen tijdens dit korte bezoek dat [slachtoffer] ziek op bed lag en vroeg hen of zij hem € 30,00 konden lenen. Zij gaven hem dit bedrag.68
Omstreeks 21.24 uur heeft verdachte telefonisch contact met getuige [getuige 8], waarbij verdachte hem vraagt of hij een jointje van hem kan krijgen.69
Tussen 22.00 uur en 00.30 uur ziet getuige [getuige 6] dat verdachte buiten bij de woning van [slachtoffer] loopt en vervolgens instapt in een BMW.70 Uit de verklaring van getuige [getuige 13] volgt dat dit gaat om zijn BMW. Deze getuige verklaarde dat hij, na op 10 juni 2012 omstreeks 21.36 uur telefonisch contact te hebben gehad met verdachte, verdachte enige tijd later ontmoette op de [adres] in [woonplaats]. Verdachte stapte bij hem in de auto en kocht van hem verdovende middelen.71
Uit de verklaring van getuige [getuige 13] volgt dat verdachte niet alleen op
10 juni 2012, maar ook op 11 juni 2012 verdovende middelen van hem kocht. Op laatstgenoemde datum nam verdachte omstreeks 12.12 uur telefonisch contact met hem op, waarna hij omstreeks 12.00 uur/13.00 uur aan de [adres] te [woonplaats] verdovende middelen van [getuige 13] koopt.72
Gezien voornoemd gedrag van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat er geen sprake kan zijn geweest van amnesie door het gebruik van overmatig alcohol- en cocaïnegebruik en dat verdachte de amnesie derhalve simuleert.
In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat er geen sprake is geweest van opzet, maar van een ongeluk. Volgens dit scenario zou - kort gezegd - sprake zijn geweest van fataal afgelopen wurgseks, waarin de verdachte en [slachtoffer] vrijwillig participeerden. Hierbij zou het verdachte zijn ontgaan dat bij [slachtoffer] te lang de adem werd benomen, aldus de raadsman. Ook valt volgens de raadsman niet uit te sluiten dat [slachtoffer] zichzelf tijdens deze intimiteiten de adem voor een te lange periode heeft ontnomen.
Uit het dossier blijkt dat verdachte en [slachtoffer] recent seksueel contact hebben gehad.
De rechtbank acht het door de verdediging opgeworpen scenario van een ongeval tijdens dit seksuele contact echter zeer onaannemelijk. In de eerste plaats is voornoemd scenario nimmer door verdachte genoemd en eerst door de raadsman ter terechtzitting van
16 juli 2013 naar voren gebracht als mogelijke verklaring voor de dood van [slachtoffer].
Verdachte is meermalen verhoord, waarbij hem is gevraagd naar de seksuele contacten met [slachtoffer]. Nimmer heeft hij daarbij gesproken over mogelijke wurgseks. Verdachte gaf tijdens deze verhoren zelfs aan niet meer precies te weten wanneer hij en [slachtoffer] voor het laatst seksueel contact hadden en hij ontkende dat er tijdens hun relatie sprake was van SM. In de tweede plaats zijn er niet alleen tekenen van kneveling gevonden rond de hals en enkels en polsen van [slachtoffer] maar is er ook letsel aangetroffen aan de onderlip, rechterelleboog, rug en knieën. Dit duidt op meer en/of anders geweld dan een (vrijwillige) verwurging. In de derde plaats passen de gedragingen van verdachte niet bij een mogelijk ongeluk. Verdachte heeft omstreeks het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] immers geen contact opgenomen met de hulpdiensten en evenmin heeft hij vrienden, bij wie hij op bezoek ging, om hulp gevraagd. Op hun vraag waar [slachtoffer] was, vertelde hij hen dat [slachtoffer] ziek op bed lag.
Verder probeerde verdachte zich te ontdoen van een aantal goederen dat afkomstig is van de plaats delict, waaronder de legging waarmee [slachtoffer] is gewurgd. Deze handelwijze valt niet te rijmen met een spijtig ongeluk.
Tot slot belde hij het alarmnummer, waarbij hij zichzelf onder een schuilnaam aangaf. Hij vertelde immers dat zijn vriendin was vermoord door [verdachte ]. Verdachte heeft het in dat telefoongesprek dus over “moord”. Over een eventueel ongeluk als gevolg van uit de hand gelopen wurgseks wordt op dat moment dus ook niets door verdachte gezegd.
Andere scenario’s van een ongeluk zijn niet gesteld of aannemelijk geworden. Gezien het voorgaande zal de rechtbank ook laatstgenoemd verweer verwerpen.
De rechtbank is, gelet op het voorgaande van oordeel dat op grond van voornoemde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door haar hals met kracht en/of gedurende enige tijd te omsnoeren en/of samen te drukken met voornoemde legging.