vonnis
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/197717 / HA ZA 14-622
[eiser in conventie, verweerder in reconventie]
,
wonende te [woonplaats],
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. P.H.J. Diederen,
de coöperatie
COOPERATIEVE RABOBANK WESTELIJKE MIJNSTREEK UA,
gevestigd te Sittard,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. O.J.W. Reijnders.
Partijen zullen hierna [eiser in conventie, verweerder in reconventie] en de bank genoemd worden.
2 De feiten
2.1.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft een aantal jaren geleden een hypothecaire geldlening gesloten bij de bank. De lening is voor een deel, € 81.000, aflossingsvrij.
2.2.
Bij e-mail van 3 december 2013 heeft [eiser in conventie, verweerder in reconventie] de bank gevraagd wat “de beste oplossing (zijnde de goedkoopste)” is voor het plan om met behulp van “banksparen het maximale bedrag bij elkaar te sparen (20 jaar/€ 154.000)” en het restbedrag van € 81.000 “zo snel als dat gaat” aan de bank over te maken, “echter niet later dan de resterende bankspaartijd.” Bij e-mail van 12 december 2013 heeft de bank [eiser in conventie, verweerder in reconventie] onder meer bericht dat hij per jaar 20% van de oorspronkelijke hoofdsom boetevrij kan aflossen, dat hij diezelfde maand dus € 47.600 boetevrij kan aflossen en in januari het resterend bedrag van € 33.400. Bij e-mail van 19 december 2013 heeft de bank dit herhaald. Vervolgens mailen partijen elkaar, voor zover relevant, het volgende:
[eiser in conventie, verweerder in reconventie], op 20 december 2013:
“uw tekst rondom de € 81.000,00 had u al op 12 dec gestuurd. Overbodig om t nu weer te doen.
Verder stel ik vast dat u alle/voldoende gegevens heeft om een voorstel te doen om de looptijd terug te brengen naar (in totaal) 20 jaar.
eea betekent dat bij het bereiken van het eindspaarbedrag € 154.000,00 op 01-10-2013 het volledige leen bedrag aan u terug betaald is/wordt”
De bank, op 27 december 2013:
“1) Het eindspaarbedrag van € 154.000,00 zal (bij een inleg van € 314,49 en een rentepercentage van 5,6%) op 01-10-2013 bij elkaar zijn gespaard. U heeft aangegeven dat deze vraag hiermee is beantwoord.
2) Het resterend bedrag van € 81.000,00 wilt u zo snel als dat gaat aflossen vóór 01-10-2030. Dit is vanaf 1 januari 2014 een termijn van 25 maanden. Dan bedraagt het extra af te lossen bedrag € 403,00 (afgerond) per maand oftewel een extra af te lossen bedrag van € 4.836,00 per jaar.
Zo heeft u per 01-01-2030 nog een resterend leningbedrag van € 153.000,00 hetgeen dan geheel wordt afgelost middels de Rabo OpbouwSpaarrekening.”
[eiser in conventie, verweerder in reconventie], op 2 januari 2014:
“Bij deze bevestig ik dat ik accoord ga met uw voorstel om 25 maanden € 403,00 per maand extra af te lossen. Na de 25 maanden heeft Rabobank / zorgt Rabobank er dan voor dat er € 81.000,00 in mindering op het totale leenbedrag wordt gebracht. (…) Draagt u er zorg voor dat eea netjes op papier komt en mij toegestuurd wordt?”
De bank, op 6 januari 2014:
“U heeft ervoor gekozen om € 403,00 per maand extra af te lossen op uw Rabo OpbouwHypotheek. Wij verzoeken u om via uw rekening een maandelijkse automatische periodieke overboeking op te voeren naar (…)”
2.3.
Nadat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] een eerste extra aflossing van € 403 had gedaan en nadat hij zijn akkoordverklaring van 2 januari 2014 had herhaald, heeft de bank [eiser in conventie, verweerder in reconventie] bij e-mail van 16 januari 2014 bericht dat haar mail van 27 december 2013 een fout bevat. De bank schrijft:
“De termijn van 25 maanden is echter niet correct en ik bied u daarvoor mijn oprechte excuses aan. Wanneer u 25 maanden lang een bedrag van € 403,00 overboekt wordt er 25 x € 403,00 = € 10.075,00 extra afgelost, terwijl de totale aflossing € 81.000,00 moet zijn. Om tot een totale aflossing van € 81.000,00 te komen zullen er vanaf nu nog 200 termijnen van € 403,00 (een totaalbedrag van € 80.600,00) dienen te worden geboekt.”
3 Het geschil
in conventie
3.1.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] vordert samengevat - een verklaring voor recht dat tussen hem en de bank een overeenkomst is tot stand gekomen met de inhoud dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gedurende 25 maanden een bedrag van € 403 zal aflossen waardoor zijn hypotheekschuld met € 81.000 zal worden verminderd. Tevens vordert hij veroordeling van de bank tot nakoming van deze overeenkomst, tot het accepteren van zijn aflossingen en een verklaring voor recht dat de bank aansprakelijk is voor de schade veroorzaakt door haar weigeringen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] aflossingen.
3.2.
De bank voert verweer.
3.3.
De bank vordert samengevat - veroordeling van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot betaling van € 7.000 exclusief BTW, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, terzake door de bank gemaakte buitengerechtelijke kosten en de werkelijke kosten van rechtsbijstand.
3.4.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] voert verweer.
4 De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] legt aan zijn vordering ten grondslag dat de mail van de bank van 27 december 2013 een aanbod inhoudt om € 81.000 af te lossen in 25 maandelijkse termijnen van € 403, welk aanbod door hem in zijn mail van 2 januari 2014 is aanvaard. Aan de aldus tot stand gekomen overeenkomst hebben partijen volgens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] vervolgens uitvoering gegeven, de bank door haar mail van 6 januari 2014 en [eiser in conventie, verweerder in reconventie] door een aanvang te nemen met de extra aflossingen van € 403 per maand. Volgens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] is de bank gebonden aan deze overeenkomst en kan zij daar niet op terugkomen.
4.2.
De bank bestrijdt dat sprake is van een bindende overeenkomst als door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gesteld. Zij stelt dat haar mail van 27 december 2013 een fout bevat. Daarin wordt gesproken over 25 termijnen van € 403 om het aflossingsbedrag van € 81.000 te bereiken, terwijl daarmee slechts een bedrag van € 10.075 wordt opgebouwd. De bank vermoedt dat de fout het resultaat is van een “optelling” van de aflossingstermijn van 16 jaar en 9 maanden (16+9 = 25 maanden).
4.3.
De rechtbank stelt vast dat, wanneer wordt aangenomen dat de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gestelde overeenkomst tot stand is gekomen, hem van het tot dan toe aflossingsvrije leningdeel van € 81.000 door de bank circa € 70.000 wordt kwijtgescholden. Gesteld noch gebleken is dat tussen partijen voorafgaand aan de mail van de bank van 27 december 2013 is gesproken over (gedeeltelijke) kwijtschelding aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] van zijn verplichtingen, noch dat er sprake was van omstandigheden (bijvoorbeeld financieel onvermogen) op grond waarvan een (gedeeltelijk) ontslag van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] uit zijn verplichtingen in de rede zou kunnen liggen. Deze vaststelling brengt reeds mee dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in redelijkheid had moeten begrijpen dat er een vergissing in het spel was. Daarbij komt dat ook uit de tekst van de mail van 27 december 2013 zelf blijkt dat sprake was van een fout. In de eerste plaats wordt de aflossing in 25 maandtermijnen van € 403 (in totaal ruim € 10.000) gepresenteerd als alternatief voor aflossing van het gehele bedrag van € 81.000 binnen twee maanden. Een zinnige verklaring voor de op het eerste gezicht bepaald onlogische discrepantie tussen beide alternatieven is niet gegeven. Voorts ziet het aflossingsvoorstel blijkens de mail van de bank op aflossing “verspreid over de resterende looptijd tot 01-10-2030”, waarna het voorstel vervolgt met “Dit is vanaf 1 januari 2014 een termijn van 25 maanden”, hetgeen rekenkundig verre van juist is. Al deze omstandigheden maken, indien al niet ieder afzonderlijk dan toch wel bezien in samenhang, dat aannemelijk is dat aan de zijde van de bank de wil heeft ontbroken aan [eiser in conventie, verweerder in reconventie] een voorstel te doen zoals dat door hem is opgevat - dus dat de bank zich vergiste - alsmede dat dit voor [eiser in conventie, verweerder in reconventie] evident moet zijn geweest.
4.4.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] heeft betoogd dat doorslaggevend is wat de bank zwart op wit heeft verklaard. Zeker een grote, professionele organisatie als de bank kan daaraan volgens hem gehouden worden. De rechtbank volgt [eiser in conventie, verweerder in reconventie] hierin niet. [eiser in conventie, verweerder in reconventie] redenering komt neer op een zuivere toepassing van de “verklaringsleer”, inhoudende dat men gebonden is aan wat men verklaart, ongeacht of de verklaring correspondeert met de wil. De verklaringsleer staat daarmee tegenover de “wilsleer”, waarin slechts het wilsbesluit van een partij bepalend is. Het Burgerlijk Wetboek gaat echter uit van een compromis tussen de verklaringsleer en de wilsleer, waarbij ook het vertrouwensbeginsel een rol speelt:
Art. 3:33 BW
Een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil, die zich door een verklaring heeft geopenbaard.
Art. 3:35 BW
Tegen hem die eens anders verklaring of gedraging, overeenkomstig de zin die hij daaraan onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mocht toekennen, heeft opgevat als een door die ander tot hem gerichte verklaring van een bepaalde strekking, kan geen beroep worden gedaan op het ontbreken van een met deze verklaring overeenstemmende wil.
4.5.
Daargelaten de vraag of het voorstel van de bank, gelet op de context en tegenstrijdigheden van haar mail van 27 december 2013, een verklaring inhoudt zoals door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] gesteld, hetgeen de bank heeft betwist, ontbrak in ieder geval, zoals hiervoor vastgesteld, de door art. 3:33 BW vereiste wil.
4.6.
Van een gerechtvaardigd vertrouwen zijdens [eiser in conventie, verweerder in reconventie] als bedoeld in art. 3:35 BW kan geen sprake zijn, gelet op de hiervoor onder 4.3 beoordeelde omstandigheden. De bank kan door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] derhalve niet aan haar niet met haar wil strokende verklaring worden gehouden. Het (subsidiaire) beroep van de bank op art. 19 van de Algemene Bankvoorwaarden behoeft dus geen bespreking.
4.7.
De tussen partijen gewisselde e-mails na het voorstel van 27 december 2013 en de door [eiser in conventie, verweerder in reconventie] verrichte extra aflossingen van € 403 maken het voorgaande niet anders. De vorderingen van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] zullen worden afgewezen.
4.8.
[eiser in conventie, verweerder in reconventie] zal als de in het ongelijk gestelde partij in conventie in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank ziet geen aanleiding daarbij af te wijken van de gebruikelijke tarieven. Voor het gemachtigdensalaris wordt, gelet op het financieel belang van de zaak, uitgegaan van tarief IV.
4.9.
Nu aan de zijde van de bank niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende buitengerechtelijke kosten en de rechtbank, zoals volgt uit het hiervoor overwogene, geen aanleiding ziet [eiser in conventie, verweerder in reconventie] met de daadwerkelijke advocaatkosten van de bank te belasten, zal de reconventionele van de bank worden afgewezen, met haar veroordeling in de kosten.
5 De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [eiser in conventie, verweerder in reconventie] in de proceskosten, aan de zijde van de bank tot op heden begroot op € 608 aan griffierecht en € 1.788 voor salaris advocaat, alles, bij gebreke van betaling binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag die aanschrijving tot de dag van volledige betaling, en te vermeerderen met de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131 aan salaris advocaat en, onder de voorwaarde dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van dit vonnis heeft plaatsgevonden, met € 68 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening,
5.3.
wijst de vorderingen af,
5.4.
veroordeelt de bank in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conventie, verweerder in reconventie] tot op heden begroot op € 384 voor salaris advocaat,
5.5.
verklaart de kostenveroordeling in reconventie uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2015.