RECHTBANK GRONINGEN
Sector kanton
Locatie Winschoten
Zaak\rolnummer: 543896 VV EXPL 12-21
Vonnis in kort geding van 11 juni 2012
inzake
[A],
wonende te Stadskanaal,
eiseres, hierna [A] te noemen,
gemachtigde: mr. J.M.M. Bakker, als jurist werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., gevestigd te Amsterdam,
tegen
de besloten vennootschap Benco B.V., m.h.o.d.n. Flexjob,
gevestigd en zaakdoende te (9501 AA) Stadskanaal, Azielaan 22,
gedaagde, hierna Benco te noemen,
gemachtigde. Mr. H.J. Hoekman, advocaat ten kantore van Hoekman Advocaten, gevestigd te Stadskanaal.
PROCESGANG
Op de in de inleidende dagvaarding genoemde gronden heeft [A] gevorderd dat Flexjob bij wijze van voorlopige voorziening wordt veroordeeld:
A. [A] in de gelegenheid te stellen een bedrijfsarts te consulteren en indien en voor zover hersteld toe te laten tot haar werkplek, één en ander op straffe van een dwangsom;
B. aan [A] op de overeengekomen tijdstippen te voldoen het verschuldigde salaris en vakantiegeld vanaf 18 april 2012 totdat rechtsgeldig een einde is gekomen aan de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50 % als bedoeld in artikel 7:625 van het Burgerlijk Wetboek (BW);
C. tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 357,00;
D. tot betaling van de wettelijke rente over de hiervoor vermelde bedragen;
E. tot betaling van de proceskosten, het salaris van de gemachtigde van [A] en de kosten van het deskundigenoordeel van UWV van € 50,00 daaronder begrepen.
De zaak is op 29 mei 2012 mondeling behandeld, gelijktijdig met het door Flexjob ingediende verzoek tot voorwaardelijke ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Partijen (Flexjob deugdelijk vertegenwoordigd door de directeur [B]) zijn ter zitting verschenen en werden bijgestaan door hun gemachtigde.
Voorafgaand aan de zitting heeft zowel [A] als Flexjob producties in het geding gebracht. Ter zitting hebben partijen hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen gezet, waarbij namens Flexjob een pleitnota is overgelegd. [A] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling haar vordering als hiervoor onder A vermeld ingetrokken. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden.
Ten slotte is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is vastgesteld op heden.
OVERWEGINGEN
1. De feiten
1.1. Met ingang van [begin 2012] is [A] bij Flexjob werkzaam als intercedente op basis van een arbeidsovereenkomst voor de bepaalde tijd van een jaar tegen een brutosalaris van € 1.774,50 per maand, te verhogen met 8 % vakantietoeslag en negentien vakantiedagen. In de overeenkomst is geen tussentijds opzegbeding opgenomen.
1.2. Eén van de taken van een intercedente bij Flexjob is het benaderen van potentiële opdrachtgevers voor mogelijke vacatures voor uitzendkrachten van Flexjob.
1.3. Tot 17 april 2012 heeft [A] haar werkzaamheden naar volle tevredenheid van Flexjob verricht.
1.4. Op 17 april 2012 is [A] na onenigheid met [B] over de uitvoering van haar werkzaamheden en na vragen van [B] omtrent het nemen van actie op vacatures een half uur voor het einde van haar werkdag vertrokken. Daaraan voorafgaand heeft zij tegen [B] gezegd:
Nou, dat ga ik dus niet doen. Ik heb het namelijk al een tijdje gehad met deze baan en dit werk. Dit werk is niks voor mij. Ik wil dit ook niet meer en stop ermee. Ik heb er geen zin meer in. Ik heb het hier gezien en ga weg.
1.5. Op 19 april 2012 heeft [A] een brief van18 april 2012 van Flexjob ontvangen. In de brief is het volgende vermeld:
Hierbij bevestig ik het door u zelf genomen ontslag per 17 april 2012.
U heeft aangegeven per direct vanaf genoemde datum in het geheel niet meer werkzaam te willen zijn voor Flexjob.
[…]
1.6. Op 20 april 2012 heeft Flexjob een brief van [A] ontvangen waarin zij heeft aangegeven dat zij geen ontslag heeft genomen en dat zij niet akkoord gaat met de bevestiging die Flexjob haar heeft gestuurd. Verder heeft [A] Flexjob er in de brief op gewezen dat zij zich op 18 april om 7:56 uur per WhatsApp-bericht bij [B] heeft ziek gemeld. Ten slotte heeft [A] Flexjob aangesproken op doorbetaling van loon.
1.7. Bij brief van 27 april 2012 heeft de gemachtigde van [A] voormeld standpunt van [A] herhaald. Daaraan is toegevoegd dat [A] wil overleggen met een bedrijfsarts en dat zij zich beschikbaar houdt voor haar werkzaamheden indien en voor zover zij is hersteld. Verder heeft de gemachtigde Flexjob gesommeerd het loon voor de maand april binnen veertien dagen te voldoen.
1.8. Op 8 mei 2012 heeft [A] het loon tot en met 17 april 2012 van Flexjob ontvangen.
2. Het geschil
2.1. Partijen zijn in essentie in geschil over het antwoord op de vraag of sprake is van een weloverwogen ontslagname door [A] op 17 april 2012.
2.2. Waar nodig zal hierna nader op de stellingen van partijen worden ingegaan.
3. De beoordeling
3.1. De aard van de vordering brengt mee dat [A] daarbij een spoedeisend belang heeft.
3.2. Voor toewijzing van de door [A] gevorderde voorziening is van belang het antwoord op de vraag of er een gerede kans bestaat dat de bodemrechter, indien zijn oordeel wordt gevraagd, zal oordelen dat geen sprake is van beëindiging van het dienstverband op 17 april 2012. Deze vraag dient te worden beantwoord op basis van de thans gepresenteerde feiten en omstandigheden. De kantonrechter overweegt daaromtrent als volgt.
3.3. De kantonrechter stelt voorop dat er volgens vaste jurisprudentie bij ontslagname door een werknemer sprake moet zijn van een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring van de werknemer waaruit blijkt dat deze de beëindiging van de arbeidsovereenkomst wenst. Daarbij rust op de werkgever een bijzondere onderzoeksplicht, waarbij de werkgever zich er met de nodige zorgvuldigheid van moet vergewissen dat de werknemer de beëindiging met alle daaraan verbonden nadelige gevolgen daadwerkelijk wenst. Deze onderzoeksplicht drukt te meer in het geval de werknemer, op het moment van zijn uitlatingen, niet in staat was zijn wil te bepalen vanwege een hevige gemoedsbeweging. Dit vereiste van de onderzoeksplicht dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van de arbeidsovereenkomst kan hebben voor de ontslagbescherming en de aanspraken ingevolge de socialezekerheidswetgeving.
3.4. Hoewel partijen op punten verschillen in hun lezing, is niet in geschil dat [A] en [B] op 17 april 2012 van mening verschilden over bepaalde door [A] uit te voeren werkzaamheden. Verder is tussen partijen niet in geschil dat [A] zich vervolgens op die dag heeft uitgelaten in de zin als hiervoor omschreven onder rechtsoverweging 1.3.
3.5. Flexjob heeft gesteld dat zij de uitlatingen van [A] gevolgd door haar daadwerkelijk vertrek heeft mogen opvatten als uitdrukkelijke en ondubbelzinnige ontslagname. Te meer, nu [A] te kennen gaf dat haar besluit vast stond nadat [B] haar had gevraagd of ze dit nu wel zou doen.
3.6. [A] betwist uitdrukkelijk de intentie te hebben gehad ontslag te nemen. Zij heeft gesteld dat zij op het moment van haar uitlatingen geïrriteerd was en zich geprovoceerd en geïntimideerd voelde door de vragen die [B]haar telkens stelde, terwijl zij druk bezig was met werkzaamheden die in haar ogen meer prioriteit hadden. Uiteindelijk trok zij die situatie met [B]niet meer en heeft er voor de rest van (alleen) die dag – na overigens het voltooien van de werkzaamheden waar ze mee bezig was - de brui aan gegeven, aldus [A]. Dat [A] geen ontslag heeft genomen blijkt volgens haar ook uit het feit dat zij zich de daarop volgende dag per WhatsApp-bericht heeft ziek gemeld.
3.7. Al aangenomen dat [A] zich aldus heeft uitgelaten dat sprake was van een ontslagname, moeten de desbetreffende uitlatingen naar het oordeel van de kantonrechter worden beoordeeld tegen de achtergrond van voormelde jurisprudentie en de situatie zoals die zich op 17 april 2012 tussen partijen heeft afgespeeld.
3.8. Dat sprake was van een gespannen en geïrriteerde toestand, zoals uit de verklaringen van [A] volgt, is door Flexjob ter zitting bevestigd. Tegen die achtergrond had Flexjob naar het oordeel van de kantonrechter moeten onderzoeken of het handelen van [A] werkelijk overeenstemde met haar wil, of [A] zich realiseerde wat de consequenties van haar handelen waren en haar in ieder geval nog enige tijd in de gelegenheid moeten stellen om op haar uitingen terug te komen. Flexjob heeft in dit verband gesteld dat zij [A] heeft gevraagd of zij het wel zeker wist en dat [A] daarop te kennen heeft gegeven dat haar besluit vast stond. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft Flexjob in het kader van de op haar rustende onderzoeksplicht, om zich er met de nodige zorgvuldigheid van te vergewissen dat [A] daadwerkelijk beëindiging van het dienstverband wenst, met deze enkele vraag ten tijde van de met spanning geladen situatie echter niet kunnen volstaan. Door verder niets te doen, heeft Flexjob haar onderzoeksplicht geschonden.
3.9. Bovendien heeft [A] gesteld dat zij zich op 18 april 2012 heeft ziek gemeld per WhatsApp-bericht. Aan de stelling dat Flexjob dit bericht niet heeft ontvangen gaat de kantonrechter als onvoldoende onderbouwd voorbij. Uit het ter zake door [A] als productie 2 bij dagvaarding overgelegde productie blijkt immers dat er naast het bericht twee vinkjes zijn geplaatst. Op grond hiervan kan zonder meer worden aangenomen dat het bericht succesvol is afgeleverd op het apparaat van [B]. In dit licht had Flexjob haar stelling dat het bericht niet door haar is ontvangen dan ook meer handen en voeten moeten geven. Nu zij dit heeft nagelaten, houdt de kantonrechter het er voor dat deze ziekmelding Flexjob heeft bereikt. Los van de vraag of deze wijze van communicatie de geëigende weg is voor een ziekmelding, had Flexjob hieruit kunnen en ook moeten afleiden dat [A] geen ontslag beoogde.
3.10. Gelet op voorgaande rechtsoverwegingen acht de kantonrechter de gerede kans aanwezig dat de bodemrechter zal oordelen dat er in dit geval geen sprake is geweest van een weloverwogen ontslagname en aldus van een rechtsgeldig einde van het dienstverband op 17 april 2012. Dit betekent dat de vordering tot doorbetaling van loon vanaf 18 april 2012 tot de dag dat het dienstverband rechtsgeldig zal eindigen zal worden toegewezen. Ook de (neven)vorderingen ter zake van de wettelijke verhoging en rente zijn toewijsbaar. De kantonrechter acht evenwel termen aanwezig om de wettelijke verhoging conform artikel 7:625 BW te beperken tot maximaal 10 %.
3.1. Voorts heeft [A] nog gesproken over de onterechte inhouding van een bedrag van € 56,00 op haar loon in verband met kaarten voor een voorstelling. De kantonrechter zal hieraan voorbijgaan, omdat een vordering ter zake niet in het petitum van de dagvaarding is vermeld.
3.11. De vordering met betrekking tot de buitengerechtelijke incassokosten hangt in zodanige mate samen met de loonvordering, die naar haar aard al spoedeisend is, dat de kantonrechter ook deze vordering in dit kort geding zal beoordelen. Op grond van de gedingstukken is genoegzaam aannemelijk geworden dat de in het geding zijnde buitengerechtelijke incassowerkzaamheden naar aard, omvang en daarmee samenhangende kosten als redelijk kunnen worden aangemerkt. De vordering ter zake zal daarom worden toegewezen. De hierover gevorderde rente komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat [A] niet heeft gesteld dat die kosten al daadwerkelijk zijn betaald aan de gemachtigde.
3.12. Flexjob zal ten slotte als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De in dat verband gevorderde kosten van het deskundigenoordeel van het UWV zullen worden afgewezen, omdat hiervoor geen grondslag laat staan onderbouwing is genoemd in het lichaam van de dagvaarding.
BESLISSING IN KORT GEDING
De kantonrechter:
- veroordeelt Flexjob om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A] op de overeenkomen tijdstippen te betalen het verschuldigde salaris en vakantiegeld vanaf 18 april 2012 totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd, voor zover achterstallig te vermeerderen met de wettelijke verhoging van maximaal 10 % als bedoeld in artikel 7:625 BW;
- veroordeelt Flexjob om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A] te betalen de wettelijke rente over het loon en de wettelijke verhoging vanaf datum opeisbaarheid totdat de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt Flexjob om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [A] te betalen een bedrag van € 357,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- veroordeelt Flexjob tevens in de kosten van het geding, aan de zijde van [A] tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 73,00 aan griffierecht, € 90,63 aan explootkosten en € 400,00 voor salaris van de gemachtigde;
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
- wijst af - voor zover nodig - het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.Tj. Terpstra, kantonrechter, en op 11 juni 2012 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.
typ: mb