2.7.
De ad hoc commissie heeft op 25 september 2014 het onderzoek gestart. Tijdens dat onderzoek is op 21 oktober 2014 gesproken met [werknemer] . In het van dat gesprek opgemaakt verslag (de bij brief van 7 september 2015 namens [werknemer] toegezonden productie) is – onder meer – opgenomen:
“(…)
Voor wat betreft de sfeer op het bureau zijn er wat (de) hem betreft 2 periodes te onderscheiden. Om te beginnen de periode v66r het uitvallen van [persoon A] ( [persoon A] ). Voorts de periode vanaf januari — dat betekent vanaf het
moment dat hij zelf als plaatsvervangend hoofd fungeert.
De periode tot 1 januari 2014 kenmerkt zich in zijn perceptie door hard werken, collegialiteit en ook
door mopperen. Er was sprake van een cultuur van het achter de rug van [persoon A] om mopperen over [persoon A]
al was het inderdaad wel zo dat deze niet altijd is nagekomen wat hij beloofde.
Het werk binnen het bureau is zo georganiseerd dat veel mensen met hun eigen ding bezig zijn, maar
het was wat hem betreft niet ongezellig. Er waren wel eens woorden, maar ook gezamenlijke
activiteiten. Hij heeft nooit het idee gehad dat daar grote boosheid onder lag.
Rond januari werd hij, wat hem betreft onverwacht, door mevrouw [Persoon G] ( [Persoon G] ) gevraagd om [persoon A]
te vervangen. Dat kwam ook onverwacht in het team, dat hem niet als hoofd accepteerde; dat ook
de conclusie trok dat [persoon A] niet meer terug kon komen en dat inspraak wilde over wie het nieuwe
hoofd zou moeten worden. De heer [werknemer] geeft aan toen stop te hebben gezegd en het team
duidelijk te hebben gemaakt dat dat hun plek niet is en dat men zijn werk moet doen. Hij geeft aan
dat er een groot verschil is tussen zijn manier van leidinggeven en de wijze waarop [persoon A] leiding gaf.
Die deed dat naar zijn mening te veel op gevoel en wilde te graag aardig gevonden worden. De heer
[werknemer] geeft aan daar geen last van te hebben. Die lijn was ook doorgesproken met [Persoon G] en
de beide vice-deans.
Tot eind maart heeft hij —in afwachting van de terugkomst van [persoon A] - de zaken inhoudelijk zoveel
mogelijk voortgezet, loyaal aan de lijn van [persoon A] . Bij ieder voorstel kwam het team echter met “ja,
maar”, waar zijn inzet was “accepteer het voorstel nu maar en wacht tot [persoon A] terug komt”.
Hij heeft er veel last van gehad. Er was sprake van, naar zijn mening, onprofessioneel gedrag van
(…) en (…) en eigenlijk ook van (…). Hij vond het dom en onnadenkend. De reactie had naar zijn mening te maken met karakters, maar ook met de wijze van aansturen van [persoon A] . Daar was heel veel “ja maar” mogelijk. Hij heeft het geïnterpreteerd als het door betrokkenen schoon zien van kansen.
De heer [werknemer] geeft aan dat het automatisme waarmee [Persoon G] en de vice-deans hem als
vanzelfsprekend als plaatsvervanger hebben aangewezen tegen het zere been is geweest. Men heeft
dat niet goed uitgelegd. (…)
Zelf heeft hij er niet om gevraagd, benadrukt hij. (Hij heeft niet de ambitie om hoofd RHA te zijn,
zeker nu niet meer.) Hij had niet de ambitie om hoofd RHA te zijn.
(…)
De medewerkers, vertelt hij desgevraagd, hebben zeker aan hem gemerkt dat hij ook een gebrek aan
tijd heeft. Hij (had/)heeft een fulltime aanstelling voor het bachelorprogramma. Daarnaast moest hij
plots leiding geven. Ook daardoor kan hij niet de leidinggevende zijn die hij wilde zijn, simpelweg
omdat de tijd ontbrak om de noodzakelijke aandacht aan beleid, inhoud en collega’s te besteden. Hij
heeft de (mensen) collega’s wel aangegeven dat ze - indien nodig - bij hem terecht kunnen.
Na maart heeft hij het los moeten laten om de lijn van [persoon A] te bewaken. Terugkomst duurde te lang -
er was in verband met het stoppen van de subsidie een bepaalde mate van herziening van de
programma’s aan de orde. Hem werd door [Persoon G] en de vice-deans gevraagd dat op te pakken. Hij
heeft af en toe daarbij aangegeven het team er bij te willen betrekken, maar hem is van hogerhand
( [Persoon G] en vice-deans) opgedragen dat niet te doen.
Het team had ook daar moeite mee. Dat is met name door (…) en (…) naar voren gebracht. Hij heeft
toen aangegeven dat ze samen met hem naar [Persoon G] konden stappen als ze er nu echt iets van vonden
— ook in verband met het feit dat de contracten van beiden aflopen. Dat heeft men echter niet willen
doen. Hij is van mening dat van volwassen mensen verwacht kan worden dat ze ook hun eigen
verantwoordelijkheid nemen. Hij verwijt zijn collega’s dat ze dat niet hebben gedaan.
De heer [persoon H] vraagt of er daar niet een zekere vorm van angst meespeelt?
De heer [werknemer] antwoordt dat hen herhaaldelijk de kans is geboden iets te doen. Hij heeft
geen enkele compassie voor deze handelwijze.
De heer [werknemer] wordt gevraagd naar zijn relatie met [persoon A] en [persoon B] . Hij geeft aan dat dat ver terug
gaat —tot eind jaren ‘80, begin jaren ‘90. (…) [persoon B] , [persoon A] en hijzelf delen een erfenis uit de Studium Generale tijd. (…)
De heer [persoon H] constateert dat de commissie de indruk heeft dat problemen binnen het bureau
van eerder dateren, dus niet pas vanaf januari. De heer [persoon I] tekent daarbij aan dat er toch
sprake is geweest van een vrij groot verloop gedurende de afgelopen jaren.
De heer [werknemer] merkt op dat er eerder twee medewerksters zijn vertrokken. Bij de een had
dat volgens hem heel erg te maken met persoonlijke omstandigheden van die collega, mogelijk ook
met de workload. (Waar het precies door kwam weet hij niet.) Over die omstandigheden laat hij zich
niet uit. Bij de andere collega was er sprake van (een bepaalde manier van werken en van té
verschillende) grote verschillen in werkwijze en in opvattingen over inhoud dat daar een groot
probleem lag voor samenwerking. Hij herinnert zich dat hij (er) voor haar indiensttreding 10 minuten
(mee) met haar sprak en toen (om die reden al tegen [persoon A] zei dat ie dat niet moest doen) [persoon A] afried
deze collega aan te stellen. Hij rekent het zichzelf wel aan dat hij zich niet erg heeft ingespannen om
daar een echte collega van te maken.
(…)
De commissie merkt, ten aanzien van de ondersteuning, op dat er toch ook incidenten zijn geweest
in de periode voorafgaand aan de ziekte van [persoon A] .
Ja, zegt de heer [werknemer] . Dat betreft [persoon B] .
(…)
De commissie vraagt of het voor [persoon A] , naar de mening van de heer [werknemer] , mogelijk zal zijn
terug te komen?
De heer [werknemer] merkt op daar met [Persoon G] over te hebben gesproken en te hebben aangegeven
dat indien dat gebeurt er in ieder geval voldoende begeleiding nodig is. Voor hemzelf is dat een
harde voorwaarde. Maar in de huidige situatie zal het nog lastiger zijn. Er is te veel expliciet gemaakt.
Als [persoon A] , zoals de bedoeling is, meer op afstand en meer sturend leiding geeft, zal dat door het
huidige team niet geaccepteerd worden. De brokstukken zijn zodanig dat niet-hiërarchisch optreden
het alleen maar erger zal maken. Of door [persoon A] , of door iemand anders moet er harder opgetreden
worden, in zijn inschatting.
Wat de heer [werknemer] betreft moeten de brokstukken en het gruis weg. De grote lijnen moeten
eerst helder worden neergezet en dan pas kan er aan sfeer en team gewerkt worden. Op dit moment
is er volstrekt geen sprake meer van een team. De kans om hem direct aan te spreken hebben ze
voorgoed gemist. Hij gaat op deze wijze dus niet wekenlang met de andere collega’s aan sfeer
werken, of iets dergelijks. Zet iedereen eerst op zijn plek, en daarna doet hij graag weer zijn best om
collegiaal mee te werken.
De heer [persoon I] merkt op dat de commissie hoort dat mensen zich zorgen maken over het
imago van RHA. Hij vraagt de heer [werknemer] of deze zich daar iets bij kan voorstellen?
Ja, zegt de heer [werknemer] , we zijn daar erg mee bezig geweest. Mensen hebben het dan
natuurlijk over het interdisciplinair honoursprogramma. De heer [werknemer] legt uit dat dit nog
een voortvloeisel is van de afkomst uit Studium Generale. (…)
Een andere kwestie die is aangevoerd, geeft de heer [persoon I] aan, is het feit dat er binnen het
bureau, met of zonder studenten, wordt gedronken.
De heer [werknemer] merkt op dat hem dat niet bekend is. Op excursies gebeurt dat niet. (…)
De heer [persoon I] vraagt zich af of de heer [werknemer] een idee heeft hoe zo’n verhaal dan
de wereld in komt.
Het kan te maken hebben met zijn nabijheid met de studenten, denkt de heer [werknemer] . Hij
spant zich daar ook toe in. Hij is op een laagdrempelige manier aanspreekbaar voor studenten en wil
dat ook zijn.
De heer [persoon I] vraagt naar discussie die dus blijkbaar over de gedragscode heeft gespeeld.
De heer [werknemer] geeft aan dat er over de gedragscode inderdaad is gediscussieerd. Hij vond dat
wel heel erg “Gestapo”. Er kunnen toch momenten zijn dat het aanbieden van een drankje wel nut
heeft. Maar hij is er mee akkoord gegaan en heeft de argumenten laten varen, ook gezien de
strengheid die sommige collega’s hierin wilden betrachten. Nu wordt zo langzamerhand ontdekt dat
het soms best fijn kan zijn de gedragscode wat ruimer te hanteren.
Een andere kwestie die aan de orde is gekomen, zegt de heer [persoon I] , is het feit dat er sprake
zou zijn van seks met studenten. De heer [werknemer] zegt dat hij dat heeft begrepen, maar dat
daar geen sprake van is. Het is goed dat de commissie het ter sprake brengt, want het stond ook op
zijn eigen lijstje van punten die hij wilde bespreken.
Hij denkt dat ook deze observatie voortkomt uit de vertrouwelijkheid die hij met de studenten heeft.
Misschien is er sprake van een verkeerde inschatting van de situatie. Hij heeft ook wel eens
verschillende gesprekken gehad met een en dezelfde jonge dame, die met problemen te maken had
waar ze tegen aan liep. Er schiet hem ook een moment te binnen waarin hij vol enthousiasme op het
bureau heeft verteld over een fantastische nacht die hij met studenten heeft gehad. Dat betrof
discussies, gesprekken en geen andere activiteiten. Hij kan van dergelijke discussieavonden erg
genieten. Als men het met dergelijke vertrouwelijkheid niet eens is, dan kan het beleid dat daaraan
ten grondslag ligt worden besproken. Er is echter niets gesuggereerd en niets besproken, dus legt hij
het naast zich neer.
De heer [persoon I] vraagt of er nog andere zaken zijn die wat de heer [werknemer] betreft aan
de orde zouden moeten komen en die niet zijn besproken. De heer [werknemer] merkt op dat het
werk zo als hij het opvat “work in progress” is. Er wordt aan gewerkt. Hij wil daar eigenlijk vol op
doorgaan. Aan de andere kant weet hij niet zeker of het in de huidige situatie mogelijk is om anders
dan alleen functioneel met de collega’s verder te gaan. Zo gaat dat momenteel al. Hij hecht aan zijn
werk, maar is er nog niet uit hoe het verder moet. Hij is boos en probeert het zinnen op wraak te
vermijden. Hij heeft een klacht in voorbereiding voor college van bestuur en stichtingsbestuur inzake
de aanpak van de situatie. De hele situatie is lastig.
Gevraagd wordt nog of er sprake is geweest van enige vorm van begeleiding op het moment dat hij
als plaatsvervangend hoofd ging optreden. Nee, zegt de heer [werknemer] . Hij heeft er wel om
gevraagd.(…)Het zou ook handiger zijn geweest als [Persoon G] en vice-deans zijn mandaat tijdig en
duidelijker hadden gecommuniceerd met het bureau.
(…)”
2.8.
Op 6 november 2014 heeft de commissie haar bevindingen afgerond door het vaststellen van een rapport van bevindingen. De inhoud van dat rapport luidt:
“(…)
Onderzoek
De commissie startte het onderzoek direct en begon op 25 september aan een serie van in totaal 14
gesprekken. Er werd met 15 mensen gesproken, allen op enigerlei wijze betrokken bij RHA. De commissie was
aanvankelijk van plan om alleen met melders en beklaagden te spreken en daarnaast met de in de melding
genoemde medewerkers. Gedurende het onderzoek werd besloten om met álle medewerkers en een aantal
oud-medewerkers van het bureau te praten, om op die wijze een beter en breder beeld te krijgen van de
situatie binnen het bureau van RHA. Daarnaast werd gesproken met dean en vice-deans. De volgorde van de
gesprekken is zodanig gekozen dat zo goed mogelijk een beeld kon worden gevormd van de gang van zaken bij
het bureau van RHA en de daar aanwezige problemen. Van alle gesprekken zijn gespreksverslagen gemaakt, die
aan de desbetreffende personen ter goedkeuring zijn voorgelegd.
(…)
Bij de start van het onderzoek werd de commissie getroffen door de waarneming dat bij een groot deel van de
medewerkers sprake bleek van een grote mate van angst om mee te werken aan het onderzoek. Men vreesde
en vreest repercussies, zelfs tot buiten de Radboud Universiteit. Allen werkten echter constructief mee en over
het algemeen was er sprake van zeer openhartige gesprekken. Het laatste gesprek werd gevoerd op 28
oktober, waarna de commissie zich over de bevindingen heeft gebogen. De conclusies van de commissie treft u
hieronder aan. We betrekken daar de in de melding genoemde zaken bij en geven aan in hoeverre we hebben
kunnen vaststellen of sprake is of is geweest van de daar genoemde omstandigheden. Daarnaast hebben wij
gemeend hier een aantal suggesties en aanbevelingen aan te moeten verbinden. De inhoud van het RHA
programma heeft geen onderdeel uitgemaakt van het onderzoek; daar bestond ook geen aanleiding toe.
Bevindingen
De commissie constateert dat er uit de gesprekken een beeld ontstaat dat als volgt kan worden samengevat: er
is op het bureau van RHA sprake van een structureel verziekte werksfeer, die niet alleen de huidige bezetting
van het bureau betreft, maar tenminste terug gaat tot 2011 en die niet, dan wel onvoldoende is herkend en
waarop in ieder geval niet afdoende is gemanaged. Bovendien is er sprake van een gebrek aan sturing.
Dat beeld krijgt gestalte door naar inhoud overeenstemmende (maar niet identieke) verhalen van de
bevraagde (oud-)werknemers, die enerzijds met enthousiasme verhalen over de inhoud van hun werk, maar
anderzijds ook veelvuldig melding maken van een gebrek aan sturing en van grote spanningen en een onveilige
werksfeer die soms wordt gekenschetst als wantrouwend, soms als ondermijnend en (fysiek dan wel verbaal)
intimiderend, soms aIs bedreigend.
Degenen die op wat meer afstand staan van de werkvloer — hoofd MSO, dean en vice-deans — herkennen in het
grootste deel van de gevallen het gebrek aan sturing, maar zijn zich van geen spanningen bewust — anders dan
sinds het bekend worden van de melding. Wel van een enkel incident, dat echter voornamelijk aan persoonlijke
tegenstellingen wordt toegeschreven. Het is geen reden geweest nader te informeren. Men herkent de in de
melding geschetste omstandigheden dan ook niet.
Een korte schets van de omstandigheden
In de waarneming van de commissie ontstaat het probleem als RHA subsidies voor de masterprogramma’s
toegewezen krijgt en het bureau als gevolg daarvan moet uitbreiden. De kern van het bureau wordt tot dan toe
gevormd door [persoon A] ( [persoon A] ), [werknemer] ( [werknemer] ) en [persoon B] ( [persoon B] ), die elkaar kennen vanuit het
Studium Generale (SG) en een meet dan collegiale band met elkaar hebben. Er is een — in de SG-tijd
ontwikkelde — eigen werkwijze met veel improvisatie en een eigen set omgangsvormen. Dit functioneerde
goed, zo is het beeld, tot de subsidie voor de masterprogramma’s kwam en het bureau in relatief korte tijd
uitbreidde naar in totaal 7 mensen en 14 programma’s. De wijze van werken en leiding geven werd daar niet
op aangepast.
Naast het afdelingshoofd is er momenteel één programma-regisseur voor het interdisciplinair
bachelorprogramma, en drie voor de verschillende interdisciplinaire masterprogramma’s, waarvan er twee
inmiddels ook samen aan het propedeuseprogramma werken. Er is een ondersteuner en een
managementassistente. Naast de drie genoemde mannelijke medewerkers heeft de bezetting nagenoeg steeds
geheel uit vrouwen bestaan.
De medewerkers die ten behoeve van de uitbreiding werden aangetrokken kwamen in een situatie met heel
weinig sturing, waren niet gewend aan de wijze van werken noch aan de omgangsvormen en zo ontstonden er
tegenstellingen, die tot spanningen leidden die tot op heden doorwoekeren. Een substantieel deel van
betrokkenen meldt bezoeken aan bedrijfsarts of vertrouwenspersoon. Er is sprake van een behoorlijk groot
verloop. Een groot deel van de later aangenomen mensen werkt(e) op basis van een tijdelijk contract,
waardoor ook sprake is van een grotere afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van de leiding dan bij de vaste
medewerkers.
De wijze van werken
Eén van de tegenstellingen die door de jaren heen binnen het bureau wordt gesignaleerd betreft een duidelijk
verschil van visie op de werkwijze. Een visie op honoursonderwijs dat “noodzakelijkerwijs meer ad-hoc is dan
ander onderwijs om in te kunnen spelen op kansen en plotseling zich materialiserende ambities van studenten”
(in feite de oude SG-aanpak) staat tegenover een aanpak waarin meer naar structurering van processen en
werkzaamheden wordt gestreefd. De commissie noemt deze inhoudelijke tegenstelling omdat het, in
combinatie met het verschil in gedragsnormen en omgangsvormen, de tweedeling binnen het bureau typeert.
Het onderscheid valt op dit bureau samen met de verdeling tussen mannen en vrouwen.
Voor de aanhangers van de eerste visie is verschillende keren het woord “artiesten” gebruikt.
De werknemers die later binnen komen, vallen in de andere categorie. Zij zoeken, met soms nauwelijks
ervaring, houvast in een situatie van “extreme vrijheid”, met vaak alleen een blauwdruk (de subsidieaanvraag)
en een grote werkdruk. Er is heel veel ruimte, waardoor ook kansen ontstaan, maar men mist structuur,
kaders, leerdoelen, visie of richting en krijgt te horen dat er gewerkt wordt op intuïtie, op routine en op gevoel.
Aanhangers van de eerste visie voelen zich beknot in hun vrijheid door het streven naar meer structuur.
De tegenstellingen leiden over en weer tot irritatie, die niet wordt gemanaged. Het leidt ook tot het ontstaan
van eilanden binnen de afdeling. Er wordt veel gerefereerd aan een gebrek aan samenwerking of samenhang
binnen het team en door de meesten aan een gebrek aan begeleiding of coaching. Er is geen regie. Dat laatste
is ook zichtbaar voor de buitenwereld.
Er zijn — ook door de werknemers — sinds 2011 wel pogingen ondernomen om er iets aan te doen. Er wordt
gerefereerd aan een heidag met Berenschot. Regelmatig wordt binnen de afdeling getracht tot afspraken te
komen. Afspraken die met/door de afdelingsleiding worden gemaakt, worden echter vaak niet nagekomen. Dat
laatste is een patroon dat door velen wordt benoemd.
Daarnaast zijn er substantiële problemen met de werksfeer, die breed als onveilig wordt ervaren.
In 2011-2012 vertrekken er twee programma-regisseurs. Eén met een depressie en een burn-out, één omdat ze
zelf haar (tijdelijke) contract niet wenst te verlengen. We komen hier later op terug.
De werksfeer/Intimidatie
De commissie stelt vast dat een belangrijke factor in de onveilige werksfeer het gedrag van [persoon B] is, vooral in
combinatie met het feit dat zijn rol in het bureau nauwelijks gemanaged wordt en tegen zijn gedrag nauwelijks
wordt opgetreden.
Nagenoeg allen op het bureau (niet zijnde [werknemer] en [persoon A] ) hebben, sinds 2011, de samenwerking met [persoon B] als vaak
moeilijk en onplezierig ervaren.
(…)
Naar het oordeel van de commissie is het feit dat er, ondanks herhaalde incidenten, besprekingen en zelfs een
berisping, niets verandert aan de situatie of aan het gedrag een belangrijke reden voor de indruk bij
werknemers dat men elkaar de hand boven het hoofd houdt en dat klagen over de situatie niets helpt. Het leidt
tot wantrouwen en tot onbegrip over afdelingsleiding in brede zin. Die gevoelens worden verder gevoed door
de waarneming dat ook op andere niet-wenselijke situaties niet wordt ingegrepen. Niet door directe
afdelingslelding en soms niet door de laag daarboven. Benoemd worden ondermeer het drankgebruik, de
omgang met studenten en het vertrek van medewerkers. De commissie gaat daar hieronder verder op in.
(…)
Drankgebruik
Het overgrote deel van de mensen benoemt — veelal uit eigen ervaring — problemen met het gebruik van
alcohol door bureaumedewerkers. Daarbij wordt voornamelijk gerefereerd aan het gebruik van drank door
[persoon A] , in ieder geval in de periode tot zijn uitvallen eind 2013 en geruime tijd daarvoor. Er worden zaken uit
verklaard als afwezigheid, warrigheid en explosiviteit. (…)
Ook de naam van [werknemer] wordt in relatie tot het veelvuldig gebruik van alcohol wel genoemd, al wordt
daarbij aangegeven dat deze blijkbaar beter in staat is er mee om te gaan.
Beide betrokkenen herkennen desgevraagd niets in de geschetste situatie. Er werd/wordt wel eens een borrel
gedronken, maar daar houdt het mee op.
(…)
De commissie kan uiteraard niet vaststellen in hoeverre individuele medewerkers een probleem hebben met
het gebruik van drank. Maar of er nu wel of niet sprake is van drankproblemen, de omstandigheid dat
nagenoeg iedereen het gebruik van alcohol als probleem benoemt maakt het volgens de commissie
noodzakelijk dat er glasheldere afspraken over worden gemaakt. (…)
Seksuele intimidatie/seks met studenten
In de melding wordt voorts gerefereerd aan seksuele intimidatie dan wel seks met studenten. Dit betreft
uitsluitend [werknemer] . De commissie merkt op dat hij wordt getypeerd als een fysieke, vrijpostige en flirterige man. Er
wordt meermalen gerefereerd aan stoere verhalen over avonden met studenten. Tussen [werknemer] en een van de
medewerkers is sprake van een zekere spanning; een patroon van seksuele intimidatie kan echter niet door de
commissie worden vastgesteld.
Op het bureau circuleren verhalen over een seksuele relatie met één of twee studenten. Die informatie is niet
afkomstig uit eigen waarneming, maar heeft men van [werknemer] zelf, of— mogelijk — van de zijde van een betrokken
student. Betrokkene zelf ontkent stellig dat er seksuele relaties met studenten zijn (geweest). Er zijn geen
klachten van studenten bekend.
Om de informatie te verifiëren zou de commissie de student(en) moeten achterhalen en inlichten over de
achtergrond van het verzoek om informatie. Daardoor zou dit onderzoek in het “studentendomein” terecht
komen, met mogelijk zeer schadelijke gevolgen. Het zou de kaders van de opdracht aan de commissie ook erg
oprekken. Daar komt bij dat het onderhouden van (vrijwillige) seksuele relaties met studenten gevoelsmatig bij
velen een fatsoensnorm overschrijdt, maar dat er geen normen van dien aard zijn vastgelegd.
Omdat er geen informatie is die er op duidt dat een eventueel contact op onvrijwillige basis zou hebben
plaatsgevonden en er sprake zal zijn van meerderjarigen, heeft de commissie besloten deze informatie “van-horen-zeggen” in het kader van dit onderzoek niet verder te exploreren.
Wel is er een meer algemene observatie over de omgang met studenten door bureaumedewerkers. De
commissie ziet hier een verschijningsvorm van de eerder gesignaleerde tegenstelling. Er lijkt enerzijds sprake
van het streven naar een laagdrempelige aanspreekbaarheid, gepaard gaande aan een (grote mate van)
vertrouwelijke omgang met studenten, en anderzijds een aanpak die wat meer afstand tot studenten
voorstaat.(…)
De leiding
[persoon A]
(…)
[werknemer]
In de huidige situatie wordt [persoon A] vervangen door [werknemer] , waardoor de situatie op het bureau bepaald niet is
verbeterd. In zijn rol als programma-regisseur heeft men hem door de jaren heen vooral als eenling ervaren,
die het interdisciplinair bachelorprogramma als een eiland runt, met eigen regels en gedrag — zoals hiervoor
geschetst. Nagenoeg iedereen heeft mede daardoor grote moeite met zijn rol als plaatsvervangend hoofd. Men
spreekt over het thans gebruiken van macht op een onplezierige manier en het kleineren en ondermijnen van
medewerkers (inclusief [persoon A] op dit moment); men voelt zich erg onveilig en vreest dat deze situatie definitief
wordt. Verschillende mensen spreken uit niet onder dergelijke omstandigheden, of onder een dergelijke
moraal, te willen werken.
De commissie signaleert dat een — door iedereen geschetste — directieve stijl van leiding geven, vooral in
combinatie met een gebrek aan communicatie over de situatie op en toekomst van het bureau, hem in deze rol
niet helpt. De “hogere” leiding (vice-deans, dean en hoofd MSO) is echter te spreken over zijn aanpak. Daarbij
vallen termen als “het wegwerken van achterstallig onderhoud aan het bureau”.
De commissie stelt vast dat voor [werknemer] in de positie van “hoofd” in de toekomstige situatie alleen draagvlak is bij
de vice-deans, die hem daar overigens al steun op hebben toegezegd.
De commissie maakt bij deze observaties wel de kanttekening dat [werknemer] zonder overleg en zonder aankondiging
als plaatsvervanger is neergezet. Met het bureau heeft over de invulling van de positie niet alleen geen overleg
plaats gevonden, men is er ook pas achteraf en bijzonder kort over geïnformeerd. Ook bij de toekomstplannen
voor RHA is het bureau nauwelijks betrokken of (tot dusver) geïnformeerd. Het overleg daarover vindt plaats
tussen hoofd MSO, vice-deans, dean en [werknemer] Er zijn, zoals iedereen opmerkt, wel gesprekken aangekondigd, al
v66r het uitvallen van [persoon A] . Die zijn niet gevoerd. Het is voor de commissie dan ook geen verrassing dat dit tot
nog grotere onrust en spanning op het bureau heeft geleid, zeker waar de verlenging van tijdelijke contracten
vast zit aan het al dan niet voortzetten van programma’s.
[persoon L]
RHA valt onder MSO. Het hoofd MSO staat op afstand en communiceert zoals in die situatie gebruikelijk —
voornamelijk met het hoofd van het bureau. Met de werkvloer is nauwelijks contact. In het verleden zijn er
echter verschillende signalen geweest dat er op het bureau het een en ander aan de hand was. Bekend Is in
ieder geval het al gememoreerde vertrek van twee programma-regisseurs; drankgebruik en woede-uitbarstingen
zijn in 2011-2012 expliciet benoemd en ook in een exitgesprek zijn naast inhoudelijke verschillen
van inzicht ook de problemen op het bureau aangekaart. Er zijn de beide klachten over [persoon B] , waarvan er één
leidde tot een officiële berisping. [persoon A] meldt zich kort voor zijn uitvallen in 2013 bij [persoon L] met waarnemingen over
de sfeer op het bureau, waar zijns inziens nu ook echt iets aan moet gebeuren. Daar is 11 maanden later nog
niets mee gedaan. Daarnaast is er vanuit FTR melding gemaakt van de toestanden, naar aanleiding van het
uitvallen van een van de programma-regisseurs.
Toen duidelijk werd dat het uitvallen van [persoon A] langer zou duren, is [werknemer] op al gememoreerde wijze aangesteld als
plaatsvervanger. Daarvóór is het hoofd MSO een keer of 3 heel kort (minuut of 10) bij het werkoverleg van het
bureau aanwezig geweest, waar lopende zaken werden besproken.
Dean en vice-deans
De dean functioneert op afstand van het bureau, heeft eens in de maand werkoverleg met het afdelingshoofd
en overlegt met enige regelmaat met hoofd MSO en vice-deans. Een enkele keer met directeur CD.
De vice-deans functioneren, sinds het ontwikkelen van de masterprogramma’s, min of meer als “zetbazen” van
de dean en hebben intensiever overleg met de werkorganisatie, vooral met het hoofd en daarnaast met hoofd
MSO. (…). Ze geven aan dat de in 2012 vertrokken programma-regisseur haar problemen, ook betreffende aansturing en situatie op het bureau, in een gesprek met hen heeft benoemd. Hetis aan de orde gesteld in gesprek met hoofd MSO en voornamelijk toegeschreven aan botsende karakters.
Wel plaatsen zowel dean als vice-deans kanttekeningen bij de aansturing van het bureau tot 2014. Het liep
zonder dat het georganiseerd werd, is een opmerking die in dit kader is gehoord. Het inhoudelijke programma
RHA liep en loopt echter uitstekend en dus vond men geen reden nader te informeren.
Bijzonder vond de commissie het te merken dat door de vice-deans volle steun werd uitgesproken voor [werknemer] ,
zonder dat men op de hoogte was van de exacte aard van de melding of van het verhaal van de medewerkers.
In die zin ziet de commissie hier een patroon bevestigd.
Op het bureau heerst intussen bij de grote meerderheid van de medewerkers hetzelfde gevoel: het loopt al jaren niet lekker en steeds opnieuw denkt men na Incidenten dat er nú toch wel iets aan zal gebeuren. Men
neemt echter bij herhaling waar dat er niet wordt ingegrepen, ondanks het idee dat daar signalen genoeg voor
zijn geweest en dat er— met name door [persoon L] —tenminste een patroon had moeten worden waargenomen. Zoals
het ook wordt geformuleerd: niemand neemt eens de moeite met het team te komen praten, zelfs niet als het
afdelingshoofd uitvalt. Men laat het team bungelen, er wordt niets opgelost en men bemoeit zich nergens mee.
Uit een verziekt team wordt er één aangesteld als hoofd, zonder gesprek en met alleen een korte mededeling.
Het bevestigt het eerder gememoreerde wantrouwen jegens de leiding. Het kan ook als de uiteindelijke
aanleiding voor de melding worden gezien: er speelt al jaren van alles; ingegrepen wordt er niet, ook niet na
signalen naar hoofd MSO. Dan rest (in dit geval de buitenwereld) dus slechts de stap naar het college.
Een belangrijke typering, hier herhaald omdat de commissie er de kern van de zaak in weergegeven ziet, is de
volgende. “We missen [op het bureau] iemand die een beetje voor ons zorgt en die er op toeziet dat de [goede mensen op de goede plek zitten]
Daarbij moet de commissie vaststellen dat er vanuit het hoofd MSO veel dreiging uit gaat voor het overgrote
deel van de bevraagden, ondanks het feit dat ze aangeeft weliswaar stellig te zijn, maar toch open te staan
voor argumenten. Men voelt zich nagenoeg allemaal geïntimideerd door de inhoud en de toon van de
communicatie. Dat houdt ook verband met haar invloedrijke positie. De relatie met haar wordt getypeerd als
“één brok angst”; ze “straalt uit dat ze niet gediend is van problemen” en dat er voor iedereen “10 anderen
klaar staan”. De indruk is dat er alleen wordt geluisterd naar het afdelingshoofd en er geen zorg is voor het
team. De drempel om naar haar toe te stappen is daarom bijzonder hoog.
De commissie merkt daartoe op dat van medewerkers ook verwacht mag worden dat wáár er redelijk
laagdrempelige mogelijkheden liggen om problemen te signaleren, ze van die mogelijkheden gebruik maken. Er
is aangegeven dat de jaargesprekken met [persoon A] doorgaans over koetjes en kalfjes gingen en de verslagen
daarvan niet altijd een weergave zijn van daadwerkelijke problemen die men ondervond, ook indien ze in die
gesprekken wél aan de orde kwamen. Hier ligt voor medewerkers ook een eigen verantwoordelijkheid.
De commissie begon het rapport met de conclusie, die hier nog eens wordt herhaald. Het is ons duidelijk
geworden dat hier sprake is van een situatie met een verziekte werksfeer en een gebrek aan sturing, die niet
door één maar door een reeks van omstandigheden is ontstaan en in stand gehouden. Het is ook duidelijk dat
er wat ons betreft in de huidige situatie niet zonder hulp tot een oplossing kan worden gekomen. Daarvoor is in
ieder geval nodig dat hier iemand mee aan de slag gaat die niet belast is met het verleden en die vanuit
onbelaste situatie aan dit bureau kan bouwen.
(…)
Benoem een interim, liefst een externe persoon, die als hoofd van het bureau gaat zorgen voor het
opruimen van de “brokstukken”, die de onderlinge communicatie en samenwerking opzet c.q. verbetert en
het bureau (en RHA) toekomstgereed maakt. Benoem daartoe iemand met een bewezen track record in het
managen van dergelijke probleemsituaties, die bovendien aantoonbaar in staat is als “verbinder” te werken
en dus zónder (vroegere) relaties met een van de betrokkenen.
- -
Naar de mening van de commissie is het alléén denkbaar het bureau in de huidige samenstelling bijeen te
houden, indien het wordt geleid door een sterk afdelingshoofd, dat óók in staat moet zijn zich goed ten
opzichte van hoofd MSO, de dean en de vice-deans te positioneren. Het is essentieel de dominantie te
doorbreken van het oude SG-trio.
- -
Zoek naar mogelijkheden om de creativiteit van [persoon A] binnenboord te houden.
- -
[persoon B] moet het duidelijk zijn dat intimiderend gedrag niet meer zal worden getolereerd.
- -
De commissie acht [werknemer] niet op zijn plaats als hoofd van het bureau.
- -
Gedurende de interimperiode dienen duidelijke richtlijnen te worden ontwikkeld over het gebruik van
alcohol en dient een visie te worden ontwikkeld op de relatie tussen de verschillende actoren binnen RHA
en de studenten. Er dient op naleving te worden toegezien.
- -
Zorg er uitdrukkelijk voor dat de programma-regisseurs op geen enkele manier een negatieve terugslag
kunnen krijgen als gevolg van de melding. Geef aan bij wie de (oud-)medewerkers terecht kunnen wanneer
ze klachten hebben over vermeende represailles.
(…)”