VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte]
,
geboren op [geboortedatum],
wonende te[adres].
Raadsman: Mr. T. Kodrzycki, advocaat te Amsterdam.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 december 2014.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 16 t/m 19 september 2010 en/of de periode
van juli 2012 t/m 17 januari 2013 te Winterswijk en/of elders in Nederland,
in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk
heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval
van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer] voornoemd, in elk geval die
ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te
jagen, immers heeft verdachte
-(in de periode van 16 september 2010 t/m 19 september 2010) de ouders van die
[slachtoffer] voornoemd (veelvuldig) heeft opgebeld (ook tijdens de nachtelijke
uren) waarbij verdachte (telkens) het adres van die [slachtoffer] trachtte te
achterhalen en/of excuses trachtte te krijgen van die [slachtoffer] voornoemd
en/of
-(op 14 januari 2013) een denigrerende en/of insinuerende en/of misleidende
email heeft gestuurd naar de werkgever en/of naar collega's en/of naar de
ouderraad van cliënten van de werkgever van die [slachtoffer] voornoemd waarin
die [slachtoffer] wordt neergezet/afgeschilderd als zijnde niet eerlijk, niet
integer en niet respectvol en/of
-(in de periode van 14 juli 2012 t/m 14 januari 2013) op een of meer
tijdstippen een aantal foto's van die [slachtoffer] voornoemd en/of een aantal
denigrerende en/of insinuerende en/of misleidende teksten over die [slachtoffer]
geplaatst op de internetsite "[site]" en/of
-(in de periode vanaf 14 juli 2012 t/m 14 januari 2013) een aantal
twitterberichten welke beledigend en/of insinuerend en/of intimiderend en/of
misleidend van aard was/waren/zijn in de richting van die [slachtoffer] voornoemd
heeft gepost/gestuurd en/of
-(in de periode van 14 t/m 17 januari 2013) een (aantal) collega('s) en/of
familieleden en/of kennissen van die [slachtoffer] voornoemd heeft benaderd via
hun facebook-accounts waarbij verdachte informatie trachtte te achterhalen
over de partner van die [slachtoffer] voornoemd en/of waarbij verdachte
denigrerende en/of insinuerende en/of misleidende opmerkingen heeft gemaakt
ten aanzien van die [slachtoffer] voornoemd;
art 285b lid 1 Wetboek van Strafrecht
althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 27 november 2008 t/m
17 januari 2013 te Winterswijk en/of elders in Nederland,
(telkens) opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en)
en/of door middel van verspreiden en/of openlijk tentoonstellen van
afbeeldingen, de eer en/of de goede naam van [slachtoffer] heeft aangerand
door telastlegging van een of meer bepaalde feiten, met het kennelijke doel om
daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel (een)
geschrift(en) en/of afbeeldingen, zoals aan deze telastelegging gehecht en
daarvan deel uitmakende, tentoongesteld en/of (via de social media) verspreid;
art 261 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 261 lid 2 Wetboek van Strafrecht
Ontvankelijkheid van de officier van justitie
Namens de verdachte is in de eerste plaats aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging van verdachte nu de ten laste gelegde feiten klachtdelicten in de zin van artikel 64 van het Wetboek van Strafvordering betreffen en het dossier telkens een onduidelijk beeld laat zien van aangifte en klacht.
De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt.
Ingevolge artikel 285b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht vindt vervolging van belaging niet plaats dan op klacht van hem tegen wie het misdrijf is begaan. Ingevolge artikel 164 van het Wetboek van Strafvordering bestaat een klacht uit een aangifte en een verzoek tot vervolging.
In het dossier bevinden zich een aangifte van belediging, smaad en/of smaadschrift en een klacht ter zake belediging van 21 augustus 20121, een klacht gedaan op 13 september 2012 ter zake van smaadschrift2, een aangifte van 15 januari 2013 ter zake van belediging, smaad en/of smaadschrift c.q. stalking,3 een klacht gedaan op 15 januari 2013 ter zake van smaad c.q. Smaadschrift c.q, stalkingen een aanvullende verklaring van aangeefster van 21 februari 2013.4
Het is de rechtbank uit deze processtukken volstrekt duidelijk dat aangeefster steeds de bedoeling heeft gehad om verdachte te laten vervolgens ten aanzien van de ten laste gelegde feiten. Geheel ten overvloede wijst de rechtbank nog op de verklaring die aangeefster bij de rechter-commissaris heeft afgelegd, te weten: ‘De inhoud van de brief, het niet vervolgen, of dat ook mijn gevoelens weergeeft? Nee.’5
Het beroep op niet-ontvankelijkheid te dien aanzien wordt dan ook verworpen.
Namens de verdachte is ten tweede aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging van verdachte nu het OM het Zwolsman-criterium heeft geschonden. Verdachte zou het slachtoffer zijn geworden van stelselmatige en onrechtmatige politietreiterij.
De rechtbank oordeelt hieromtrent als volgt.
In geval van onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek biedt artikel 359a Wetboek van Strafvordering als meest vergaande sanctie de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. Voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie is, gezien de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot dit artikel, alleen dan plaats indien de met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan (het Zwolsman-criterium).
Naar het oordeel van de rechtbank is van een dergelijke situatie geen sprake. Niet aannemelijk is geworden dat het Openbaar Ministerie ernstige inbreuken heeft gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.
Naar aanleiding van hetgeen door de raadsman hieromtrent is aangevoerd overweegt de rechtbank dat er geen sprake is geweest van het ‘vissen’ naar aangiftes door de politie. Naar het oordeel van de rechtbank behoort het tot de taak van de politieambtenaren, zoals neergelegd in artikel 3 van de Politiewet, dat wanneer personen zich tot hen wenden in verband met een door een ander gepleegd strafbaar feit, zij aan deze personen vragen of zij aangifte willen doen. Hierdoor is verdachte niet in zijn belangen geschaad. Ook overigens is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken dat verdachte door deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad.
Ten aanzien van het door de raadsman gevoerde verweer inzake de beperkingen die aan verdachte zijn opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat die beperkingen zijn opgelegd voor een ander doel dan voor het huidige onderzoek. Op dit punt is derhalve naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Ten aanzien van de door de raadsman als laatste aangevoerde inbreuk op de rechten van verdachte, te weten de onrechtmatige observatie dan wel zijn onrechtmatige aanhouding in Duitsland, overweegt de rechtbank als volgt.
Van observatie als bedoeld in artikel 126g van het Wetboek van Strafvordering of als bedoeld in het verdrag van Enschede is geen sprake geweest, zodat de betreffende bepalingen ook niet van toepassing zijn op de onderhavige kwestie. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake geweest van opsporing door ambtenaren van politie als bedoeld in artikel 141, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafvordering naar aanleiding van het bevel tot aanhouding buiten heterdaad6, het Europees arrestatiebevel7 en het aanvullend Europees arrestatiebevel8. De handelingen die verbalisanten in dit kader hebben verricht, waren derhalve opsporingshandelingen.
Nu een deel van deze opsporingshandelingen hebben plaatsgevonden in Duitsland en hiervoor een rechtshulpverzoek was vereist, is de rechtbank van oordeel dat, nu een dergelijk verzoek ontbreekt, sprake is van een vormverzuim. Het te beschermen belang van deze norm betreft echter de soevereiniteit van een andere staat en niet het belang van de verdachte, zodat verdachte naar oordeel van de rechtbank door dit vormverzuim niet rechtstreeks in zijn belangen is geschaad. Ten overvloede merkt de rechtbank nog op dat als de verbalisanten niet over de grens waren gegaan en meteen de Duitse collega’s hadden verzocht te gaan kijken op de Duitse parkeerplaats, het resultaat hetzelfde was geweest, zodat ook om deze reden verdachte door de actie van de verbalisanten niet in zijn belangen is geschaad. Voor zover de raadsman het de Nederlandse autoriteiten verwijt dat verdachte in Duitsland is aangehouden, kan de rechtbank hem niet volgen; het is immers verdachte zelf die ervoor heeft gekozen niet op de uitnodiging van de politie om zich op 4 februari 2013 te melden in te gaan doch naar Duitsland te vertrekken. Het mag dan niet verbazen dat hij vervolgens wordt gezocht op de plek waar hij zich bevindt. Ook kan het de politie niet worden tegengeworpen dat verdachte twee maanden in de overleveringsprocedure heeft verbleven; de politie had geen invloed op deze termijn, verdachte daarentegen wel. Dat verdachte niet koos voor de verkorte procedure van twee weken is zijn goed recht, maar kan niet aan de politie worden tegengeworpen. De rechtbank zal op grond van het voorgaande ook het tweede beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie verwerpen.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs9
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan belaging. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.
Standpunt van de verdachte / de verdediging
De raadsman van verdachte heeft zich, overeenkomstig de inhoud van een aan de rechtbank overgelegde en aan dit vonnis gehechte pleitnota, op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de primair ten laste gelegde belaging, zowel als voor de subsidiair ten laste gelegde belaging. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de tenlastelegging voor smaadschrift nietig te verklaren.
Beoordeling door de rechtbank
De raadsman heeft bepleit dat verdachte in het algemeen geen contact heeft gemaakt of gezocht met aangeefster zelf en dat hij alleen ‘over’ haar geschreven heeft, zodat van belaging geen sprake is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat, hoewel verdachte geen rechtstreeks contact heeft gemaakt of gezocht met aangeefster, er toch sprake is geweest van een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Belaging kan immers óók bestaan uit het veelvuldig lastig vallen van derden uit de (directe) leef- en werkomgeving van het slachtoffer, zonder dat deze daarbij zelf rechtstreeks door verdachte wordt benaderd. De rechtbank verwijst in dit verband naar (onder meer) het arrest van het Hof Leeuwarden10 en het arrest van de Hoge Raad11.
De raadsman heeft voorts gesteld dat er geen sprake was van het kenbaarheidsvereiste, te weten dat het verdachte duidelijk moest zijn dat de gedragingen ongewenst zijn.
De rechtbank overweegt hieromtrent dat de acties als die van verdachte in het algemeen naar hun aard ongewenst zijn voor degene die het betreft, zodat het verdachte zonneklaar moet zijn geweest dat zijn gedragingen ongewenst waren.
De raadsman heeft verder bepleit dat verdachte in het kader van de vrijheid van meningsuiting, zoals neergelegd in artikel 10 van het EVRM, mag schrijven wat hij wenst.
De rechtbank wijst in dit verband op het tweede lid van dit artikel, waarin de beperkingsmogelijkheden op deze vrijheid zijn opgenomen. De beperking zoals deze heeft vorm gekregen in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht, valt binnen deze mogelijkheden om de vrijheid van meningsuiting te beperken in het belang van de rechten en vrijheden van derden, zoals in het onderhavige geval van aangeefster.
Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen oogmerk had om aangeefster te dwingen iets te doen, te laten, te dulden en/of vrees aan te jagen.
De rechtbank oordeelt hieromtrent dat verdachte meermalen heeft aangegeven dat hij aangeefster wilde laten voelen wat hij voelde. Door de denigrerende, insinuerende en misleidende teksten, foto’s en uitlatingen te plaatsen/te doen had verdachte de bedoeling om aangeefster te dwingen te dulden dat zij telkens met verdachte en zijn beschuldigingen geconfronteerd zou worden. Ook wilde verdachte haar op deze manier vrees aanjagen. Bovendien heeft verdachte bij de politie verklaard dat hij zich kan voorstellen dat het vervelend is dat hij aangeefster constant benaderde.12 Daarnaast geeft de veelheid aan berichten/uitlatingen de stelselmatigheid weer, waarbij het een feit van algemene bekendheid is dat deze berichten/uitlatingen meestal voor langere tijd op de social media blijven staan.
Op grond van bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte wel degelijk besefte dat aangeefster hinder ondervond van de door hem gestuurde berichten en uitlatingen en dat zijn oogmerk hier ook op gericht was. De rechtbank is van oordeel dat aangeefster gedwongen werd deze berichten te dulden. Tevens is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangeefster vrees heeft aangejaagd.
De rechtbank is van oordeel dat uit de processtukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het primair tenlastegelegd heeft gepleegd. Zij overweegt hierbij als volgt.
Ten aanzien van het eerste gedachtestreepje
Op 21 februari 2013 heeft [slachtoffer] aangifte gedaan van belediging, smaad c.q. stalking tegen [verdachte](zijnde verdachte). Aangeefster heeft in haar verklaring
– zakelijk weergegeven – verklaard dat haar ouders in de twee weken voor Prinsjesdag (griffier: 21 september 2010) ’s nachts zijn gebeld door verdachte. Door deze telefoontjes werden haar ouders ernstig belemmerd in hun leven en in hun gemoedsrust en hadden zij angst voor wat er kon gebeuren.13
Verder heeft aangeefster –zakelijk weergegeven – verklaard dat verdachte meermalen aangeefsters ouders belde om haar telefoonnummer en adres te achterhalen. Ook wilde hij excuses van aangeefster. Verdachte heeft meermalen gebeld, ook ’s nachts, en door de manier waarop verdachte sprak, voelden ze zich bedreigd.14
Verdachte heeft zeker 10 keer gebeld.15
In het proces-verbaal van bevindingen staat – zakelijk weergegeven - omschreven dat verbalisant naar aanleiding van de aangifte contact heeft opgenomen met de vader van aangeefster, de heer [vader aangeefster]. Deze heeft uiteindelijk aangegeven dat hij op advies van zijn dochter, aangeefster, geen aangifte wil doen omdat zij bang is dat de aandacht van verdachte zich naar hem zou verplaatsen. Vader had van de telefoontjes al melding gedaan bij de politie en zag het nut van een aanvullende verklaring niet in.16
Uit het processensysteem BVH is oa. de volgende melding gedestilleerd. ‘Op 17 en 18 september 2010 zou de heer [vader aangeefster] weer een aantal malen gebeld zijn door [verdachte]. [verdachte] informeerde hierbij altijd naar het adres van aangeefster. In totaal heeft [verdachte] 4 keer gebeld. De heer [vader aangeefster] gaf aan dat hij zich zorgen maakt om zijn dochter omdat [verdachte] altijd naar haar informeert en omdat zij aangifte tegen hem heeft gedaan.’17
In een bericht op het facebookaccount van een kennis van aangeefster is op 17 januari 2013 een bericht geplaatst waarbij verdachte erkent dat hij de vader van aangeefster in augustus/september 2010 gecontacteerd zou hebben via de telefoon over aangeefster.18
Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij de vader van aangeefster heeft gebeld. Hij geeft aan te hebben geïnformeerd naar de achternaam van [vriend aangeeftster], de vriend van aangeefster.
Ten aanzien van het tweede gedachtestreepje
Aangeefster heeft op 15 januari 2013 – zakelijk weergegeven - verklaard dat verdachte op 14 januari 2013 een e-mail19 heeft verzonden naar de werkgever van aangeefster, [werkgever aangeefster], waarin hij denigrerende, insinuerende en misleidende opmerkingen heeft gemaakt over aangeefster en haar partner. Deze e-mail heeft verdachte verstuurd naar alle medewerkers en naar de cliëntenraad van [werkgever aangeefster].20
Aangeeftster heeft op 21 februari 2013 hierover nog –zakelijk weergegeven - verklaard dat ze van te voren al aan haar werkgever bekend had gemaakt dat ze werd gestalkt door verdachte, anders had dit ernstige gevolgen kunnen hebben voor haar werk bij [werkgever aangeefster].21
In het proces-verbaal van bevindingen staat –zakelijk weergegeven - vermeld dat een medewerkster van [werkgever aangeefster], een naam wil ze niet geven, op 14 januari 2013 een e-mail heeft ontvangen die verzonden was door verdachte.22
Verdachte heeft ter terechtzitting ook erkend dat hij deze e-mail heeft verzonden.
Ten aanzien van het derde gedachtestreepje
Aangeefster heeft – zakelijk weergegeven - verklaard23 dat verdachte zich vrij snel na zijn vrijlating n.a.v. het waxinelicht-incident (griffier: 4 juli 2012) weer op een negatieve manier op aangeefster heeft gericht door op de site [site]. denigrerende, insinuerende en misleidende foto’s en teksten te plaatsen.24
In het proces-verbaal van bevindingen staat – zakelijk weergegeven - vermeld dat de politie contact heeft gezocht met de eigenaar van de site, [eigenaar site]. Deze heeft op 28 december 2012 te kennen gegeven dat hij de site inmiddels anderhalf jaar geleden (griffier: medio juni 2011) heeft afgestaan aan verdachte.25
Op de site zelf staat dat verdachte in verband met zijn vrijlating op 4 juli 2012, vanaf 14 juli 2012 het beheer van deze website heeft overgenomen.26
Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij de teksten zoals uitgeschreven in het overzicht op bladzijde 160 tot en met 165 van het proces-verbaal op de website heeft geplaatst.
Ten aanzien van het vierde gedachtestreepje
Aangeefster heeft op 21 februari 2014 hierover – zakelijk weergegeven - verklaard dat ook via twitter haar goede naam en eer is aangetast.27
De inhoud van deze twitterberichten28 komen overeen met de inhoud van de berichten die verdachte heeft geplaatst op zijn website. Deze twitterberichten zijn begonnen na zijn vrijlating (griffier: 4 juli 2012) en zijn doorgegaan tot 17 januari 2013. Verdachte is er toen mee opgehouden omdat hij ervan uit ging dat als hij zou stoppen, de vervolging voor stalking dan over was. Het gaat om ongeveer 9 tweets.29
Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij de twitterberichten zoals weergegeven in het overzicht op bladzijde 160 tot en met 165 van het proces-verbaal heeft verzonden.
Ten aanzien van het vijfde gedachtestreepje:
Aangeefster heeft hierover op 15 januari 2013 – zakelijk weergegeven - verklaard dat ze op 14 januari 2013 van een collega te horen kreeg dat zij op facebook was benaderd door verdachte.30
Aangeefster heeft verder op 21 februari 2013 –zakelijk weergegeven - verklaard dat collega’s haar via Facebook benaderd hebben. Aangeefster weet van drie collega’s die berichten hebben ontvangen. Aangeefster weet dit niet precies omdat er bij [werkgever aangeefster] 1100 mensen werken en ze aangesproken is door drie mensen.31
Op 17 januari 2013 heeft aangeefster een berichtje uit facebook gekregen van een vriendin. Verdachte had verschillende vrienden van aangeefster een bericht gestuurd op facebook.32
Op 17 januari 2013 hebben de moeder en het broertje van aangeefster ook een bericht ontvangen afkomstig van verdachte.33
In het proces-verbaal van bevindingen staat – zakelijk weergegeven - omschreven dat aangeefster de contactgegevens van de mensen die hij op facebook heeft benaderd, niet wil geven omdat zij bang was dat verdachte zich ook jegens hen zou keren en dat zij dit absoluut niet wil.34
Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij contacten van aangeefster heeft benaderd via Facebook met berichten zoals weergegeven op bladzijde 163 van het proces-verbaal.
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
hij in de periode van 16 t/m 19 september 2010 en de periode van juli 2012 t/m 17 januari 2013 in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer] voornoemd,
te dwingen iets te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft verdachte
- in de periode van 16 september 2010 t/m 19 september 2010 de ouders van die
[slachtoffer] voornoemd opgebeld waarbij verdachte (telkens) het adres van die
[slachtoffer] trachtte te achterhalen en excuses trachtte te krijgen van die [slachtoffer]
voornoemd en
- op 14 januari 2013 een denigrerende en insinuerende en misleidende e-mail gestuurd
naar de werkgever en naar collega's en naar de ouderraad van cliënten van de werkgever
van die [slachtoffer] voornoemd waarin die [slachtoffer] wordt neergezet/afgeschilderd als
zijnde niet eerlijk, niet integer en niet respectvol en
- in de periode van 14 juli 2012 t/m 14 januari 2013 op meer tijdstippen een aantal foto's van
die [slachtoffer] voornoemd en een aantal denigrerende en insinuerende en misleidende
teksten over die [slachtoffer] geplaatst op de internetsite "[site]" en
- in de periode vanaf 14 juli 2012 t/m 14 januari 2013 een aantal twitterberichten welke
beledigend en insinuerend en intimiderend en misleidend van aard waren in de richting van
die [slachtoffer] voornoemd gestuurd en
- in de periode van 14 t/m 17 januari 2013 een aantal collega’s en familieleden en kennissen
van die [slachtoffer] voornoemd benaderd via hun facebook-accounts waarbij
verdachte informatie trachtte te achterhalen over de partner van die [slachtoffer] voornoemd
en waarbij verdachte denigrerende en insinuerende en misleidende opmerkingen heeft
gemaakt ten aanzien van die [slachtoffer] voornoemd.
Vrijspraak van het meer of anders ten laste gelegde
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf: