Beschikking van de enkelvoudige raadkamer naar aanleiding van het op 7 februari 2014 ter griffie van deze rechtbank ingekomen verzoekschrift, voor zover betreffende artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering, van:
naam: [verzoeker] (hierna: verzoeker),
geboren op : [geboortedatum],
adres : [adres],
plaats : [woonplaats],
woonplaats kiezende te Zaltbommel aan de Wielkamp 5 (Postbus 102, 5300 AC) ten kantore van zijn advocaat mr. N.J.C. Spapen.
De behandeling in raadkamer
Het verzoekschrift is op 23 april 2014 in raadkamer behandeld.
Verzoeker is, hoewel daartoe op de juiste wijze opgeroepen, niet verschenen. Wel is namens hem verschenen mr. O.N.J. Maatje, ter vervanging van zijn kantoorgenote mr. N.J.C. Spapen.
Tevens is aanwezig de officier van justitie, mr. M.H. de Weert.
De standpunten
Het verzoekschrift strekt tot vergoeding van de door verzoeker geleden schade, te weten:
- € 105,- voor de nacht die verzoeker op het politiebureau vast heeft gezeten.
In raadkamer heeft verzoekers advocaat gesteld dat verzoeker langer dan zes uur is vastgehouden en aldus in verzekering had behoren te worden gesteld, waardoor hem een vergoeding toegekend dient te worden als ware hij in verzekering gesteld. De advocaat spreekt van een ‘virtuele inverzekeringstelling’.
De officier van justitie heeft zich in haar schriftelijke conclusie d.d. 31 maart 2014 op het standpunt gesteld dat het verzoek dient te worden afgewezen. Daartoe heeft zij gesteld dat verzoeker weliswaar een nacht op het politiebureau heeft doorgebracht, maar dat hij niet in verzekering is gesteld. In raadkamer heeft zij hieraan toegevoegd dat artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering zich niet mede uitstrekt tot toekenning van een vergoeding voor “virtuele inverzekeringstelling” zoals de advocaat heeft betoogd. Om die reden dient het verzoek naar haar mening niet-ontvankelijk te worden verklaard, dan wel afgewezen te worden.
De beoordeling
Artikel 89, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering biedt de rechter de mogelijkheid om een gewezen verdachte op gronden van billijkheid een vergoeding toe te kennen voor de schade die hij ten gevolge van “ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis” heeft geleden. Deze mogelijkheid bestaat slechts dan indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor geen voorlopige hechtenis is toegelaten.
Einde zaak
De raadkamer heeft kennis genomen van de stukken van de strafzaak onder parketnummer 05/012168-14. Uit deze stukken volgt dat verzoeker bij brief van 20 januari 2014 een kennisgeving sepot heeft ontvangen, waarmee vast staat dat de zaak tegen hem is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.
Overschrijding zes uren-termijn
Voorts ziet de raadkamer zich voor de vraag gesteld of, zoals verzoekers advocaat heeft gesteld, de zes uren-termijn is overschreden en verzoeker - gelet op het tijdstip van diens invrijheidstelling - in verzekering had behoren te worden gesteld. Daartoe overweegt de raadkamer als volgt.
Artikel 57, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering luidt, voor zover van belang:
“De officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte wordt geleid, (…), kan, na hem verhoord te hebben, bevelen dat hij tijdens het onderzoek ter beschikking van de justitie zal blijven en daarvoor op een in het bevel aangeduide plaats in verzekering zal worden gesteld. (…).”
Artikel 61 van het Wetboek van Strafvordering luidt, voor zover van belang:
“1. Indien de verdachte niet overeenkomstig artikel 57 in verzekering wordt gesteld, noch overeenkomstig artikel 60 voor de rechter-commissaris wordt geleid, wordt hij in vrijheid gesteld, tenzij hij op bevel van de officier van justitie of de hulpofficier voor wie de verdachte is geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden, voor ten hoogste zes uren wordt opgehouden voor onderzoek. (…).
2. (...)
3. (...)
4.
Voor de berekening van de in het eerste en tweede lid bedoelde termijnen wordt de tijd tussen middernacht en negen uur 's morgens niet meegerekend.”
De raadkamer neemt in overweging dat de Hoge Raad in zijn arrest van 31 augustus 2004 (NJ 2004/590) uitleg geeft over het moment van aanvang van de zes uren-termijn als bedoeld in artikel 61, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. In dit arrest wordt (in rechtsoverweging 4.5) gesteld dat deze termijn - mede gelet op artikel 57, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering - begint te lopen: “op het moment waarop de (hulp)officier van justitie beveelt dat de verdachte wordt opgehouden voor onderzoek als bedoeld in art. 61, eerste lid, Sv. Opmerking verdient dat de tijd die verstrijkt gedurende de overbrenging van de verdachte naar de plaats van het onderzoek, niet wordt meegeteld bij de berekening van genoemde termijn van zes uren (vgl. HR 24 mei 1988, NJ 1988, 918).”
Op grond van het dossier, de schriftelijke conclusie van de officier van justitie en de behandeling in raadkamer, gaat de raadkamer ervan uit dat verzoeker op 11 januari 2014 om 22:30 uur is aangehouden, diezelfde dag om 23:00 uur op het politiebureau is aangekomen en om 23:39 uur voor de hulpofficier van justitie is geleid. Vervolgens is hij op 12 januari 2014 om 14:48 uur op last van de hulpofficier van justitie heengezonden.
Op grond van voornoemd arrest van de Hoge Raad is de raadkamer van oordeel dat de zes uren-termijn voor verzoeker op 11 januari 2014 om 23:39 uur is aangevangen en op 12 januari 2014 om 14:39 uur zou eindigen. Nu verzoeker op 12 januari 2014 om 14:48 uur in vrijheid is gesteld, is hij - zij het nipt - te laat heengezonden, en had de politie tot inverzekeringstelling dienen over te gaan.
In de onderhavige situatie is weliswaar formeel niet voldaan aan het vereiste van artikel 89 Wetboek van Strafvordering dat sprake dient te zijn geweest van inverzekeringstelling. Maar de raadkamer is van oordeel dat in het specifieke geval sprake was van een vrijheidsbeneming, die niet alleen naar karakter maar ook volgens de wettelijke termijnen gelijk gesteld dient te worden met een inverzekeringstelling. Zij acht dan ook niet billijk dat verzoeker in deze situatie, waarin door de politie ten onrechte is afgezien van een inverzekeringstelling, geen vergoeding toekomt.
De raadkamer zal daarom op gronden van billijkheid een vergoeding toekennen en daarbij aansluiting zoeken bij de gebruikelijke vergoedingen krachtens artikel 89 Wetboek van Strafvordering.
Opstellen verzoekschrift en bijwonen zitting
In het verzoekschrift wordt tevens een vergoeding gevraagd voor rechtsbijstandskosten betreffende het indienen van dit verzoekschrift. Conform vaste rechtspraak van deze raadkamer zal hierover bij aparte beschikking ex artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering worden beslist.
De raadkamer zal daarom beslissen als hierna te melden en neemt daarbij de desbetreffende wetsartikelen in aanmerking.
De beslissing
Kent toe aan verzoeker voornoemd een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van
€ 105,- (zegge: honderdenvijf euro).
Gelast de griffier van de rechtbank om aan verzoeker voornoemd uit te betalen het bedrag van € 105,- (zegge: honderdenvijf euro).
Wijst af het meer of anders verzochte.
Beveelt de tenuitvoerlegging van deze beschikking, nadat deze in kracht van gewijsde is gegaan door overmaking op rekeningnummer (ING bank) [nummer] ten name van Maatje c.s. Advocaten te Zaltbommel o.v.v. “[verzoeker] (89 Sv)”.
Aldus gegeven in raadkamer door mr. P.C. Quak, kinderrechter, in tegenwoordigheid van
mr. M.W.M. Heutinck, griffier, en uitgesproken in openbare raadkamer van 7 mei 2014.
De gegevens worden opgehaald
Hulp bij zoeken
Er is een uitgebreide handleiding beschikbaar voor het zoeken naar uitspraken, met onder andere uitleg over: