1 Ontstaan en loop van het geding
1.1
Eiser heeft op 25 mei 2011 aangifte van belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) gedaan.
1.2
Verweerder heeft aan eiser op 1 juni 2011 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000]) BPM opgelegd van € 3.281.
1.3
Eiser heeft tegen de voldoening op aangifte en tegen de naheffingsaanslag bezwaar gemaakt.
1.4
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 11 mei 2012 het bezwaar tegen de voldoening op aangifte niet-ontvankelijk verklaard, omdat de belasting niet door eiser maar door een ander is voldaan en een juiste machtiging ontbreekt.
1.5
Bij uitspraak op bezwaar van 14 mei 2012 heeft verweerder het bezwaar tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk verklaard, omdat de belasting niet is voldaan.
1.6
Eiser heeft tegen genoemde uitspraken op bezwaar bij brieven van 31 mei 2012, ontvangen door de rechtbank op respectievelijk 1 en 11 juni 2012, beroepen ingesteld.
1.7
Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
1.8
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013 te Arnhem. Namens eiseres zijn verschenen [A], bijgestaan door [gemachtigde] en [B]. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde], mr. [C] en [D].
1.9
Eiser heeft voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota met instemming van partijen wordt geacht te zijn voorgedragen. Verweerder heeft geen bezwaar gemaakt tegen de overlegging van de bij deze pleitnota gevoegde bijlage.
3 Geschil
In geschil is of verweerder de bezwaren tegen de voldoening op aangifte en de naheffingsaanslag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Tevens is in geschil of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in eerste aanleg is overschreden, en zo ja, of eiser op die grond voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking komt.
Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.
4 Beoordeling van het geschil
4.1
In artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) is bepaald dat, in afwijking van artikel 8:1 van de Awb, tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld, indien het betreft:
a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of
b. een voor bezwaar vatbare beschikking.
In het tweede lid van dit artikel is, voor zover van belang, bepaald dat de voldoening of afdracht op aangifte van een bedrag als belasting voor de mogelijkheid van beroep wordt gelijkgesteld met een voor bezwaar vatbare beschikking van de inspecteur.
4.2
In artikel 26a van de AWR is bepaald dat het beroep, in afwijking van artikel 8:1 van de Awb, slechts kan worden ingesteld door:
a. de belanghebbende aan wie de belastingaanslag is opgelegd;
b. de belanghebbende die de belasting op aangifte heeft voldaan of afgedragen of van wie de belasting is ingehouden, of
c. degene tot wie de voor bezwaar vatbare beschikking zich richt.
4.3
In artikel 5, eerste lid, van de Wet BPM is bepaald dat met betrekking tot een geregistreerde personenauto, een geregistreerd motorrijwiel of een geregistreerde bestelauto de belasting wordt geheven van degene op wiens naam het kenteken wordt dan wel is gesteld.
4.4
In artikel 7, eerste lid, van de Wet BPM is bepaald dat indien voor een personenauto of een motorrijwiel de aanvraag voor de opgave van een kenteken geschiedt door een ander dan degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld, is, in afwijking van artikel 19, derde lid, van de AWR, die ander gehouden de belasting op aangifte te voldoen namens degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld.
4.5
In de uitspraak op bezwaar van 11 mei 2012 heeft verweerder het bezwaar tegen de voldoening op aangifte niet-ontvankelijk verklaard omdat de belasting is voldaan door een ander dan degene die de aangifte heeft ingediend en een juiste machtiging ontbreekt.
4.6
De rechtbank stelt op grond van de bewoordingen van het bezwaarschrift van 1 juni 2011 vast dat daarmee enkel en alleen namens eiser bezwaar is gemaakt tegen de voldoening van de BPM op aangifte. Ook uit het aanvullend bezwaarschrift blijkt niet dat eisers gemachtigde mede namens [F], de (toekomstig) kentekenhouder, bezwaar heeft gemaakt.
4.7
Uit het in artikel 6:5 van de Awb opgenomen vereiste dat een bezwaarschrift de naam van de indiener bevat in combinatie met de in artikel 6:7 van de Awb voorgeschreven termijn voor het maken van bezwaar, vloeit voort dat de identiteit van degene die bezwaar maakt vóór het verstrijken van de bezwaartermijn bekend dient te zijn (vgl. onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 31 december 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BH0391 en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 juli 2005, ECLI: RVS:2005:AT9632, en 14 december 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU7990).
4.8
De omstandigheid dat eisers gemachtigde bezwaar heeft gemaakt namens eiser omdat hij in de veronderstelling verkeerde dat eiser degene was die de BPM had voldaan, levert niet een vormverzuim op dat met toepassing van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. Het zijn van belanghebbende als bedoeld in artikel 26a van de AWR is namelijk niet een vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar zoals bedoeld in artikel 6:6 van de Awb.
4.9
De rechtbank stelt vast dat de onderhavige BPM niet door eiser is voldaan. De betaling door een ander dan eiser kan ook niet worden aangemerkt als een betaling namens eiser. Dit heeft naar het oordeel van de rechtbank tot gevolg dat eiser geen belanghebbende was als bedoeld in artikel 26a van de AWR bij de voldoening van de BPM op aangifte. Verweerder heeft het bezwaar van eiser dan ook terecht niet-ontvankelijk verklaard.
Naheffingsaanslag
4.10
In de uitspraak op bezwaar van 14 mei 2012 heeft verweerder het bezwaar tegen de naheffingsaanslag niet-ontvankelijk verklaard omdat geen belasting op aangifte is voldaan.
4.11
De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat de onderhavige BPM op 16 november 2011 door de kentekenhouder is voldaan. De uitspraak op bezwaar bevat dan ook een onjuiste feitelijke grondslag.
4.12
De rechtbank is evenwel van oordeel dat verweerder het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Met de voldoening van de BPM door een ander dan eiser is het belang van eiser bij zijn bezwaar tegen de naheffingsaanslag komen te vervallen. Na de voldoening door de kentekenhouder was eiser namelijk niet langer gehouden om de belasting namens de (toekomstig) kentekenhouder te voldoen. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat eiser nog belang had bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de aan hem opgelegde naheffingsaanslag.
Immateriële schadevergoeding
4.13
Eiser stelt zich op het standpunt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, volgt dat hij recht heeft op een immateriële schadevergoeding vanwege de te lange duur van de bezwaarfase.
4.14
Uit voormeld arrest van de Hoge Raad volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaats dient te vinden. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade met toepassing van artikel 8:73 van de Awb, aldus de Hoge Raad. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen.
4.15
De termijn is aangevangen met de ontvangst van het bezwaarschrift op 1 juni 2011 en geëindigd met deze uitspraak van de rechtbank. Tussen 1 juni 2011 en heden zijn meer dan twee jaren verstreken.
4.16
De rechtbank is evenwel van oordeel dat sprake is van omstandigheden die aanleiding geven om de redelijke termijn voor de onderhavige procedure op een langere termijn dan twee jaren te stellen. Eisers gemachtigde heeft medio 2010 een groot aantal gelijksoortige bezwaarschriften, waarvan het onderhavige bezwaarschrift deel uitmaakt, tegen de heffing van BPM bij verweerder ingediend. Vanaf medio 2011 hebben verweerder en eisers gemachtigde besprekingen gevoerd ten einde tot een oplossing te komen voor deze geschillen. De besprekingen hebben geleid tot de op 17 februari 2012 gesloten vaststellingsovereenkomst, waarna eisers gemachtigde het merendeel van de door hem ingediende bezwaarschriften (60%) heeft ingetrokken. Nadat eisers gemachtigde had aangegeven welke bezwaren niet worden ingetrokken, heeft verweerder alsnog binnen een tijdsbestek van enkele maanden op die bezwaren uitspraak gedaan. Nu niet is gebleken dat eisers gemachtigde voorafgaand aan de besprekingen een deel van de bezwaarschriften heeft uitgezonderd van de besprekingen, gaat de rechtbank er vanuit dat ook namens eiser is ingestemd met een verlenging van de termijn als gevolg van het overleg. Ook in de omstandigheid dat het onderhavige bezwaar deel uitmaakt van een groot aantal gelijksoortige bezwaarschriften ziet de rechtbank aanleiding voor een verlenging van de termijn. Van een overschrijding van de redelijke termijn is dan ook geen sprake.
4.17
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
6 Beslissing
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, mr.drs. L.B.M. Klein Tank en mr. A.M.F. Geerling, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.J.G. Tiemessen, griffier.
De griffier, De voorzitter,
Uitgesproken in het openbaar op: 24 oktober 2013
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.