3.1.
[eiser] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad
I. Primair,
De TU Delft gebiedt onverkort uitvoering te geven aan punt 4, 5, 6 en 7 van de vaststellingsovereenkomst door:
a. a) uiterlijk één week na dit vonnis in overleg met [eiser] te bewerkstelligen dat één of meer deskundige schade-experts en één jurist aangesteld zijn om een oordeel te vellen over de hieronder onder sub I(b) bedoelde vraagstelling, waarbij voor elk van deze personen geldt dat zij pas definitief aangesteld kunnen worden na voorafgaande schriftelijke toestemming van [eiser] ;
b) de onder sub I(a) bedoelde schade-experts en de jurist te instrueren hun onderzoek te verrichten op basis van de volgende opdracht:
“Wij verzoeken de experts te komen tot een vaststelling van door [eiser] eventueel geleden materiële en immateriële schade als gevolg van o.a.:
( i) het mogelijk ongeautoriseerde gebruik van E-Quarium door TU Delft;
(ii) het mogelijk ten onrechte blokkeren van gebruik van E-Quarium door [eiser] door de TU Delft;
(iii) de mogelijke belemmering van [eiser] ’s afstuderen alsmede de handelswijze van TU Delft inzake E-Quarium;
een en ander zoals omschreven in de vaststellingsovereenkomst van 24 april 2015, en bij de vaststelling van de schade uit te gaan van het door mr. [A] op 10 augustus 2015 gewezen bindend advies.
Aan de jurist binnen het team wordt uitsluitend gevraagd de schade-experts bij te staan in het geval specifieke deelvragen rijzen van meer juridische aard, die beantwoording vereisen om te kunnen komen tot een juiste schadevaststelling. Een voorbeeld daarvan is de vraag naar de causaliteit in de zin van art. 6:98 BW. Zoals volgt uit de vaststellingsovereenkomst is deze fase van het traject niet bedoeld voor een breder juridisch debat over het bestaan van aansprakelijkheid van de TU en daarmee samenhangende verweren.”
Subsidiair,
De TU Delft te gebieden onverkort uitvoering te geven aan punt 4, 5, 6 en 7 van de vaststellingsovereenkomst door middel van het treffen van door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen maatregelen;
II. Primair,
De TU Delft te gebieden onverkort uitvoering te geven aan punt 6, laatste zin van de vaststellingsovereenkomst door uiterlijk twee weken na betekening van dit vonnis een volledig en accuraat overzicht van het gebruik door de TU Delft van het E-Quarium aan [eiser] te verstrekken. Dit overzicht van het gebruik dient in elk geval alle informatie te omvatten met betrekking tot:
a. elke gelegenheid waarbij het E-Quarium is geopenbaard aan derden, met specificatie van de datum, de betreffende derde(n), de context van de openbaarmaking en het daarop volgende gebruik van E-Quarium;
b. een zorgvuldige beschrijving van de inzet van E-Quarium in SusLab en eventuele andere onderzoeksprojecten, met aanduiding van de daarvoor ontvangen vergoeding en wijze van financiering (subsidie of anderszins);
c. elke verveelvoudiging van (onderdelen van) het E-Quarium, zoals in marketing of PR materiaal, met aanduiding van oplage, context, publiek en verspreiding;
Subsidiair,
De TU Delft te gebieden op een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen wijze onverkort uitvoering te geven aan haar verplichting “volledige openheid te betrachten m.b.t. inzet van E-Quarium”;
III. De TU Delft te gebieden onverkort uitvoering te geven aan punt 8 van de vaststellingsovereenkomst door uiterlijk vijf dagen na het ten deze te wijzen vonnis een voorschot van € 15.000,-, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, te betalen aan [eiser] voor reeds gemaakte en nog te maken juridische kosten van [eiser] ;
IV. De TU Delft te veroordelen aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat de TU Delft in strijd handelt met het onder I(a) en/of I(b) en/of II en/of III genoemde gebod;
V. De TU Delft te veroordelen in de kosten van deze procedure, waaronder in de nakosten ten bedrage van respectievelijk € 131,00 zonder betekening en € 199,00 in geval van betekening, indien en voor zover de TU Delft niet binnen de wettelijk vereiste termijn van twee dagen, althans binnen een door de rechtbank redelijk geachte termijn, na betekening van dit vonnis heeft voldaan.
3.2.
[eiser] stelt dat de TU Delft ten onrechte in het kader van het vaststellen van de door hem geleden schade nog juridische verweren wil voeren, zoals ter zake de onrechtmatigheid van haar gedragingen, aansprakelijkheid en oorzakelijk verband (zie de onder 2.12 - 2.14 weergegeven e-mails). Volgens [eiser] volgt echter uit de vaststellingsovereenkomst dat in deze fase geen ruimte meer is voor een breder juridisch debat. [eiser] wijst op de aanhef van de vaststellingsovereenkomst, waarin is vastgelegd “dat het nodig is dat deze casus zo snel mogelijk wordt opgelost. Het belang van
[eiser] om weer verder te kunnen en op een goede manier af te studeren staat daarbij voorop” en dat, nadat is vastgesteld wie auteursrechthebbende is, “een of meerdere (andere) schade-experts een uitspraak doen m.b.t. de door [eiser] geleden schade”. Onder punt vijf van de vaststellingsovereenkomst staat dat de aan te stellen schade-experts door hem geleden schade “zo snel mogelijk en uiterlijk binnen 4 weken na aanstelling” zullen vaststellen. Uit deze bewoordingen blijkt dat partijen een snelle afwikkeling van het geschil voorstaan, zonder uitgebreid juridisch debat. Ter ondersteuning van zijn standpunt wijst [eiser] verder op de door de TU Delft opgestelde concept-overeenkomst (zie 2.6), waarin de voorgestelde tekst luidt dat “op basis van redelijkheid en billijkheid en rekening houdend met de omstandigheden van deze casus voor [eiser] een vorm van compensatie [zal] worden vastgesteld”. Ook deze bewoordingen duiden er op dat het niet de bedoeling van partijen is geweest dat nog een uitvoerig juridisch debat zal moeten worden gevoerd. Tussen partijen is hierover steeds overeenstemming geweest, ook na het tot stand komen van de vaststellingsovereenkomst heeft de TU Delft nog diverse uitlatingen gedaan waaruit blijkt dat na het oordeel van mr. [A] uitsluitend nog de vaststelling van de omvang van de schade aan de orde zou komen. Door thans ruimte te claimen voor een nieuw juridisch debat over onder meer onrechtmatigheid en aansprakelijkheid handelt de TU Delft in strijd met hetgeen tussen partijen is overeengekomen, aldus [eiser] . [eiser] betwist dat zijn standpunt inhoudt dat hem een blanco cheque wordt gegeven ter zake de omvang van de schade. In het debat over de omvang van de schade kan de vraag welke schadeposten voor (volledige) vergoeding in aanmerking komen nog aan de orde komen, evenals de vraag in hoeverre bepaalde schade aan de TU Delft kan worden toegerekend.
3.2.1.
[eiser] stelt verder dat de TU Delft ten onrechte geen openheid betracht ter zake haar gebruik van het E-Quarium. De door de TU Delft gedane opgave (zie 2.17) is onvolledig, zoals blijkt uit diverse vermeldingen van het E-Quarium op internetpagina’s, waarvan [eiser] een uitdraai in het geding heeft gebracht.
3.2.2.
Tot slot stelt [eiser] dat de TU Delft zich niet houdt aan de afspraak redelijk te maken kosten voor juridische ondersteuning te voldoen. Uit de onder 2.18 weergegeven e-mail blijkt dat de TU Delft het voldoen van een aanvullend voorschot afhankelijk stelt van aanvaarding van door haar gestelde eisen. Ook wat dit betreft dient de TU Delft te worden veroordeeld tot nakoming, aldus [eiser] .
3.3.
TU Delft voert verweer. Volgens haar dient de vaststellingsovereenkomst aldus te worden verstaan dat partijen zijn overeengekomen dat eerst zal worden gekeken naar de bron van het conflict, namelijk de vraag wie de houder van de intellectuele eigendomsrechten ter zake het E-Quarium is. Op basis van het antwoord op die vraag zou vervolgens moeten worden bekeken in hoeverre [eiser] schade zou hebben geleden. Het is niet de bedoeling van partijen geweest dat de TU Delft op voorhand zou instemmen met iedere schade die [eiser] zou claimen. Dit volgt naar de mening van de TU Delft ook niet uit de bewoordingen van de vaststellingsovereenkomst. Daarin staat immers dat partijen zullen toewerken “naar een vaststelling van de door [eiser] eventueel geleden materiële en immateriële schade”. Het woord “eventueel” ontbrak in een eerder door [eiser] geschreven concept waarmee de TU Delft mede om die reden niet kon instemmen. Verder noemt de vaststellingsovereenkomst als voorbeelden van schadeposten het mogelijk ongeautoriseerde gebruik van E-Quarium door TU Delft, het mogelijk ten onrechte blokkeren van gebruik van E-Quarium door [eiser] , door TU Delft en de mogelijke belemmering van [eiser] 's afstuderen alsmede de handelswijze van TU Delft in zake
E-Quarium. Deze bewoordingen geven reeds aan dat er nog ruimte is voor discussie. Of er daadwerkelijk sprake is geweest van “ongeautoriseerde gebruik van het E-Quarium door TU Delft” en het door de TU Delft “ten onrechte blokkeren van gebruik van E-Quarium door [eiser] ” en van “belemmering van [eiser] ’s afstuderen” moet nog worden vastgesteld, evenals het bedrag aan schade dat daarvoor moet worden vergoed. Een geschilpunt daarbij kan bijvoorbeeld zijn de vraag of bepaald gebruik van het E-Quarium door de TU Delft als ongeautoriseerd moet worden aangemerkt of dat de TU Delft uit mocht gaan van toestemming van [eiser] . Ook kan een geschilpunt zijn of een door [eiser] gestelde schadepost wegens gederfde inkomsten vanwege het niet kunnen gebruiken van het E-Quarium inderdaad als een gevolg van de opstelling van de TU Delft valt aan te merken. [eiser] heeft er volgens de TU Delft niet gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat de TU Delft met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst afstand heeft willen doen van de mogelijkheid op deze en soortgelijke punten verweer te voeren. De vordering van [eiser] beperkt de TU Delft derhalve ten onrechte in haar verweermogelijkheden en dient daarom te worden afgewezen, aldus de TU Delft.
3.3.1.
De TU Delft betwist dat zij geen volledig overzicht van haar gebruik van het E-Quarium heeft gegeven. De door [eiser] gevonden internetpagina’s waarop het E-Quarium wordt vermeld betreffen afstudeerscripties, onderzoeksverslagen en door derden verzorgde presentaties waarin naar het E-Quarium wordt verwezen. Dit betreft echter geen gevallen van gebruik van het E-Quarium door de TU Delft.
3.3.2.
De TU Delft voert verder aan dat zij bereid is [eiser] een voorschot te verstrekken voor advocaatkosten in het traject van vaststelling van de omvang van de schade. Voor een goede begroting van dat voorschot is echter nodig dat duidelijkheid bestaat over de invulling van dat traject. Omdat partijen daarover nog van mening verschillen is nog geen aanvullend voorschot betaalbaar gesteld, na het bereiken van overeenstemming zal hiertoe echter worden overgegaan, aldus de TU Delft.