Overwegingen
1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
2. Uit het besluit volgt dat verzoekster de behandeling van het beroep niet in Nederland mag afwachten. Verzoekster heeft derhalve een spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Nadat verweerder op 31 maart 2015 de vingerafdrukken van verzoekster naar Eurodac (Europese Dactyloscopie) heeft gezonden, is uit Eurodac gebleken dat verzoekster in Hongarije en Polen een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verder is gebleken dat niet Polen, maar Hongarije verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Op 8 mei 2015 heeft verweerder de autoriteiten van Hongarije verzocht om verzoekster terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van Verordening (EU) Nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 604/2013).
4. In geschil is daarom in dit geval of verweerder de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft mogen afwijzen op grond van artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 omdat Hongarije verantwoordelijk is voor het verzoek om internationale bescherming, hetgeen de Hongaarse autoriteiten op 21 mei 2015 hebben bevestigd middels een claimakkoord op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 604/2013.
5. Getoetst moet worden of de uitzetting verboden moet worden omdat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.
6. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat ten aanzien van Hongarije ten principale op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan dat dit land de internationaalrechtelijke verplichtingen nakomt. Verzoekster is daarentegen van mening dat ten aanzien van Hongarije bij de overdracht van asielzoekers niet meer mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel omdat er concrete aanwijzingen zijn dat dit land zijn verdragsverplichtingen jegens haar niet zal nakomen. Hierbij verwijst zij naar vaste rechtspraak van deze rechtbank en zittingsplaats, onder meer van 16 april 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:2215, AWB 15/6384, productie 3 bij de gronden van het verzoek), de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 december 2014 (ECLI:NL:RBOBR:2014:7678, AWB 14/26432, productie bij de zienswijze van 28 mei 2015) en de notitie van Vluchtelingenwerk Nederland van mei 2015: "Veelgestelde vragen Dublin-Hongarije", waarin wordt verwezen naar het rapport van het Hungarian Helsinki Committee van februari 2015.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 20 maart 2015 (AWB 15/2753), het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft toegewezen omdat de connexe beroepsprocedure met zaaknummer AWB 15/2751 vanwege de rechtsvragen werd doorverwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank. De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft in alle zaken waarin dezelfde rechtsvragen zijn opgeworpen het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen in afwachting van de (eind)uitspraak van deze meervoudige kamer.
8. Inmiddels heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats bij tussenuitspraak van 22 juni 2015 (ECLI:NL:RBDHA:2015:7071) overwogen dat verweerder zich – op grond van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland van 21 januari 2011, ECLI:NL:XX:2011:BP4356 – er bij overdracht van dient te vergewissen en garanties moet vragen dat de Hongaarse autoriteiten de eigen wetgeving inzake de (opvolgende) asielprocedure in de praktijk toepast op een wijze die geen strijd oplevert met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) omdat in dat geval niet is uit te sluiten dat hij na uitsluitend een eerste gehoor een (verstek)beslissing op zijn asielaanvraag heeft gehad waar geen rechtsmiddel meer tegen open staat en die hij nooit heeft kunnen laten toetsen door de rechter. Bij een opvolgende aanvraag zullen nieuwe feiten of omstandigheden moeten worden gesteld. Niet duidelijk is of en wanneer getoetst wordt aan artikel 3 EVRM als er, zoals de wet lijkt te verplichten, een besluit tot beëindiging van de procedure is geweest. In deze omstandigheden heeft de rechtbank aanleiding gezien verweerder op te dragen expliciet bij de Hongaarse immigratie‑autoriteiten navraag te doen naar de fase waarin de asielaanvraag van de vreemdeling zich bevindt en wat het vervolg van de procedure zal zijn als hij zijn asielverzoek wil handhaven. Het bestreden besluit is op deze punten bij gebrek aan een deugdelijke motivering in strijd geacht met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
9. In het geval van verzoekster gaat het, anders dan bij bovengenoemde zaak, om een claimakkoord op de verantwoordelijkheidsbepaling neergelegd in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van Vo 604/2013, waarin is bepaald dat de verantwoordelijke lidstaat verplicht is een onderdaan van een derde land of een staatloze die zijn verzoek tijdens de behandeling heeft ingetrokken en die in een andere lidstaat een verzoek heeft ingediend of die zich zonder verblijfstitel ophoudt in een andere lidstaat, volgens de in de artikelen 23, 24, 25 en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen. Daarnaast is in artikel 18, tweede lid, van de Vo 604/2013, voor zover van belang, bepaald dat voor de in lid 1, onder c bedoelde gevallen, indien de verantwoordelijke lidstaat de behandeling van een verzoek had gestaakt omdat de verzoekster het verzoek had ingetrokken voordat in eerste aanleg een beslissing ten gronde was genomen, die lidstaat ervoor dient te zorgen dat de verzoekster gerechtigd is te verzoeken dat de behandeling van haar verzoek wordt afgerond, of een nieuw verzoek om internationale bescherming in kan dienen dat niet wordt behandeld als een volgend verzoek als bedoeld in Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn). In dergelijke gevallen dienen de lidstaten ervoor zorg te dragen dat de behandeling van het verzoek wordt afgerond.
10. In de door verzoekster aangehaalde uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 december 2014 is overwogen dat de inhoud van bepaling 54(2) in de Hongaarse Vreemdelingenwet tot gevolg lijkt te hebben dat indien een terugkerende Dublinclaimant in Hongarije na eerdere intrekking van de aanvraag wederom een asielaanvraag indient, deze niet inhoudelijk wordt beoordeeld. Verder is overwogen dat ook uit de informatie van het Hongaarse Helsinki Comité (HHC) van mei 2014 valt af te leiden dat het instellen van een rechtsmiddel geen schorsende werking heeft ten aanzien van de uitzettingsbeslissing. Indien de Hongaarse autoriteiten in overeenstemming met deze wetsbepaling handelen, brengt dit mee dat een terugkerende Dublinclaimant indien hij wordt overdragen aan Hongarije, wordt uitgezet naar het land van herkomst zonder dat hij in het gebied van de lidstaten zijn asielrelaas uiteen heeft kunnen zetten. Verweerder had zich ervan had dienen te vergewissen dat een terugkerende Dublinclaimant niet uitgezet zal worden zonder dat zijn relaas wordt beoordeeld en dat wordt beoordeeld of bij uitzetting naar het land van herkomst schending van artikel 3 van het EVRM dreigt. Nu verweerder zich hier geen rekenschap van heeft gegeven, althans niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat overdracht aan Hongarije geen strijd oplevert met artikel 18, eerste lid, onder c, in samenhang met lid 2 en niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat overdracht aan Hongarije geen schending is van artikel 3 EVRM, is het beroep gegrond geacht en is het besluit vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 en 3:2 Awb.
11. In de onderhavige zaak betrekt de voorzieningenrechter het ambtshalve bekende feit dat de Hongaarse immigratiedienst (OIN) de Dublin Units van de lidstaten van de Europese Unie (EU) via het DubliNet netwerk heeft geïnformeerd dat Hongarije alle terugnames en overnames op grond van Vo 604/2013 voor onbepaalde tijd heeft opgeschort. Uit een bericht van AIDA (Asylum Information database) van de Europese Raad voor vluchtelingen en ballingen (ECRE) van 23 juni 2015 blijkt dat de minister-president van Hongarije in een persbericht heeft laten weten dat:
"Hungary’s asylum system is over-burdened, with the largest workload from among the Member States of the EU affected by illegal migration. Hungary is taking a share in the management of the situation caused by illegal migration beyond its means."
Op de website van de minister van Binnenlandse Zaken van de Hongaarse regering is op 23 juni 2015 het bericht geplaatst dat Hongarije de wedertoelating van asielzoekers uit andere EU-lidstaten heeft geschorst (http://www.kormany.hu/en/ministry-of-interior/news/hungary-is-suspending-re-admission-of-asylum-seekers-from-other-eu-member-states).
12. Gelet hierop heeft de rechtbank bij brief van 25 juni 2015 verweerder – ingevolge artikel 83, vijfde lid, juncto artikel 83, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) – in de gelegenheid gesteld schriftelijk voorafgaand aan de zitting aan de wederpartij en de rechtbank te laten weten of op grond van deze ontwikkelingen aanleiding bestaat voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit dan wel hierop te reageren.
13. Verweerder heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt voorafgaand aan de zitting, maar eerst ter zitting een reactie hierop gegeven. De voorzieningenrechter acht dit niet in strijd met de goede procesorde vanwege het korte tijdsbestek tussen de brief van de rechtbank en het tijdstip van de zitting. Daarbij wordt tevens in aanmerking genomen dat de gemachtigde van verzoekster ter zitting hierop heeft kunnen reageren.
14. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder medegedeeld dat verweerder in de voormelde zaak waarin door de meervoudige kamer op 22 juni 2015 een tussenuitspraak is gedaan in overleg met de staf van de Immigratie en Naturalisatiedienst en Bureau Dublin heeft geopteerd voor de zogeheten bestuurlijke lus om de geconstateerde gebreken te herstellen. Verder geeft de gemachtigde van verweerder aan dat het in dit geval gaat om een claimakkoord op grond van artikel 18, eerste lid, onder c, van Vo 604/2013 omdat verzoekster het asielverzoek in Hongarije heeft ingetrokken (withdrawl) op 2 maart 2015 en met onbekende bestemming is vertrokken. Het standpunt van verweerder is vooralsnog dat het voorliggend claimakkoord leidend is, dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Hongarije nog niet is verlaten en dat voor verzoekster beklagrecht bestaat in Hongarije, aldus de gemachtigde van verweerder.
15. De voorzieningenrechter heeft ter zitting benadrukt dat de voornaamste reden om het verzoek op zitting te behandelen is gelegen in de berichtgeving van 23 juni 2015 dat Hongarije heeft besloten om de wedertoelating van asielzoekers uit andere EU-lidstaten op te schorten. De actualiteit is dus dat Hongarije geen enkele asielzoeker meer terugneemt en dat uit officiële berichtgeving van de Hongaarse autoriteiten op voorhand reeds blijkt dat er geen feitelijke overdracht mogelijk is naar Hongarije.
16. De gemachtigde van verweerder heeft in reactie hierop ter zitting naar voren gebracht dat de Europese Commissie navraag zal doen bij Hongarije, dat verweerder zich hierover nog dient uit te laten en dat het voorliggend claimakkoord leidend is. Gelet op de voormelde tussenuitspraak van de meervoudige kamer, de bestuurlijke lus en het nader onderzoek van Bureau Dublin aangaande de Hongaarse asielprocedure verzet verweerder zich echter niet tegen toewijzing van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
17. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekster aangegeven dat er twijfel bestaat of het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden gehandhaafd in het geval van Hongarije.
18. Ondanks de voormelde tussenuitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 december 2014 en het feit dat verweerder ter zitting expliciet te kennen heeft gegeven zich niet te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening, stelt de voorzieningenrechter met klem voorop dat uit de officiële website van de Hongaarse regering (ministerie van Binnenlandse Zaken) valt op te maken dat Hongarije op 23 juni 2015 heeft besloten tot opschorting van de terugname van Dublinclaimanten voor onbepaalde tijd. Ook de Hongaarse minister-president Viktor Orban heeft voor onbepaalde tijd een opting out van de zogenaamde Dublin III regelgeving aangekondigd, zoals volgt uit openbaar toegankelijk informatie. Hoewel uit het (internet)artikel in The Telegraph op 24 juni 2015 getiteld: "Hungary reverses decision over suspension of EU rule on taking back asylum seekers "http://www.telegraph.co.uk/news/worldnews/europe/hungary/11695376/ Hungary-defies-EU-over-migrants-and-suspends-taking-back-asylum-seekers.html) ook volgt dat de Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken, Peter Szijjarto, de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken kennelijk desgevraagd heeft geïnformeerd dat Hongarije geen enkele EU-rechtelijke regel schorst, laat dit onverlet dat het officiële standpunt van Hongarije is dat de opschorting van de terugname van Dublinclaimanten voor onbepaalde tijd wordt gehandhaafd en om geduld wordt verzocht bij de toepassing van de Dublin‑regelgeving. Zo geeft de Hongaarse regering immers op haar website in een officieel bericht op 24 juni 2015 aan dat "Hungary continues to observe the Dublin Regulation; at the same time, it needs some technical patience before the acceptance of further illegal migrants as it is at this point in time unable to take care of them, State Secretary for Law Enforcement László Tasnádi said on Wednesday at the meeting of the Defence and Police Committee of Parliament." (…) "The Director General of the Office of Immigration and Nationality, Zsuzsanna Végh, stressed that Hungary fully observes all obligations arising from the Dublin Regulation, but further enlargements are necessary for the acceptance of migrants turned back from the west. Member States of the EU are continuously upgrading the stringency of their measures, and are attempting to return applicants to Hungary in increasingly large numbers, she said, and added that so far consultations have begun with respect to the reception of 6-700 migrants; it is in their case that the authorities have sought the patience of their counterparts." (http://www.kormany.hu/en/ministry-of-interior/news/hungary-seeks-patience-in-application-of-dublin-regulation).
18. De voorzieningenrechter kan dit niet anders verstaan dan dat Hongarije expliciet te kennen geeft de verplichtingen die volgen uit de Dublin-verordening voor onbepaalde tijd niet langer na te zullen komen. In dat licht is het standpunt van verweerder dat desondanks onverkort kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel onbegrijpelijk.
Nu verweerder zich – ondanks het claimakkoord – dient uit te laten over de consequenties van de officiële berichtgeving van de Hongaarse autoriteiten voor de beroepszaak van verzoekster, komt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening naar het oordeel van de voorzieningenrechter reeds om deze reden voor toewijzing in aanmerking.
Gelet op het korte tijdsverloop tussen de aankondiging van de Hongaarse autoriteiten en de behandeling ter zitting zal de voorzieningenrechter thans volstaan met beslissen op het verzoek en niet tevens beslissen op het beroep. Verweerder wordt hiermee in de gelegenheid gesteld een goed onderbouwd standpunt in te nemen ten aanzien van de ontstane situatie. Tevens kan verweerder, indien Hongarije terugkomt op de beslissing tot opschorting van nakoming van de Dublin-verplichtingen, overwegen om zelf initiatief te nemen om garanties te vragen bij de Hongaarse autoriteiten dat zij toepassing zullen geven aan de Dublin-verordening, ook indien in de Verordening andere, voor de vreemdeling gunstigere, bepalingen staan dan in de nationale asielwetgeving.
Bij de huidige stand van zaken kan het beroep van verzoekster een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd. De voorzieningenrechter is voornemens om het beroep van verzoekster in beginsel na ommekomst van twee maanden ter zitting te behandelen.
20. De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 980,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt van € 490,00, wegingsfactor 1).
21. Aangezien niet is gebleken dat een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan verzoekster.
22. Beslist wordt als volgt.